Het Iraakse leger vecht niet voor Irak

Uit Ramadi gevluchte soennieten in de buitenwijken van Bagdad. Pas als zeker is dat ze geen banden met IS onderhouden, mogen ze de stad in. Beeld reuters

Sjiitische soldaten hebben geen zin voor soennieten te sneuvelen, en milities willen alleen vechten voor hun eigen groep. Irak heeft in feite geen nationaal leger meer, en dat speelt IS in de kaart.

Onwil om te vechten, dat verwijt de Amerikaanse minister van defensie Ash Carter het Iraakse leger in de strijd om de Iraakse stad Ramadi. Maar het is eerder een gebrek aan wil om voor Irak te vechten.

Vorige week veroverde de radicale moslimgroep Islamitische Staat (IS) de belangrijke hoofdstad van de provincie Anbar. De val leidde tot een potje zwartepieten over de vraag waarom de eenheden van het Iraakse leger zich zo snel uit de voeten maakten toen IS met hooguit een paar honderd strijders, bulldozers, pantservoertuigen en tientallen autobommen het centrum van de stad innam.

Carter stelde tegenover CNN vast dat het niet een kwestie was van aantallen. "Feit is dat ze (de Irakezen, red.) met veel meer waren dan de tegenpartij. En toch vochten ze niet en trokken ze zich terug. Dat vertelt mij (...) dat er iets is met de wil van de Irakezen om IS te bestrijden en zichzelf te verdedigen."

Familiebedrijf
Na de invasie in Irak van 2003 staken de VS miljarden in de training van het Iraakse leger. Maar dat rende in juni vorig jaar net zo hard weg uit Mosul en Tikrit als vorige week uit Ramadi. De training is sindsdien hervat. Zo'n zevenduizend soldaten zijn al bijgeschoold, vierduizend krijgen nog een extra training.

Na de mislukking van vorig jaar - waarbij IS in Tikrit ook nog eens honderden Iraakse soldaten executeerde - besloot de Iraakse premier Abadi schoon schip te maken binnen de krijgsmacht. Zijn voorganger Maliki had er tijdens zijn achtjarige bewind een soort familiebedrijf van gemaakt. Niet alleen was het een grotendeels sjiitische aangelegenheid geworden, Maliki benoemde vertrouwelingen op hoge posten en trad niet op tegen corruptie. Veel soldaten hadden hun baantje gekocht, inclusief de toestemming om afwezig te zijn.

Duizenden van deze 'spooksoldaten' zijn ontslagen, net als de commandanten aan wie ze betaalden. Maar Abadi heeft niet alle Maliki- getrouwen kunnen wippen, en evenmin is hij erin geslaagd veel soennieten binnen te halen. Die vormden weliswaar milities die de intentie hadden om met het leger mee te vechten, maar uit angst dat ze zich daarna tegen Bagdad zouden keren, kregen ze geen wapens van Abadi.

Wantrouwen
Na de val van Saddam Hussein is in Irak de sjiitische meerderheid in de regering gekomen. Soennieten verloren niet alleen de macht: ze werden gemarginaliseerd, gedemoniseerd en consequent achtergesteld. Hadden aanvankelijk radicale groepen als Al-Qaida slechts steun van een minderheid, door Maliki's beleid sloten veel soennieten zich aan bij de terreurgroep. Het onderlinge wantrouwen groeide.

Dat leidt er bijvoorbeeld toe dat de tienduizenden die Ramadi en IS ontvluchtten, Bagdad niet binnen mogen. Pas als zeker is dat ze geen banden met IS onderhouden, mogen ze de stad in. Pas na dagen wachten in de hitte, waardoor kinderen en ouderen bezwijken, mogen de ontheemden naar speciale kampen. Velen zoeken in plaats daarvan hun toevlucht in de (soennitische) Koerdische regio.

Die tegenstellingen speelden een rol bij de val van Ramadi. Carter had gelijk: de wil ontbrak, want sjiitische soldaten hadden geen zin voor soennieten te sneuvelen. Ramadi ligt in het hart van soennitisch gebied dat zich al jaren tegen de sjiitische regering verzet.

Tegelijkertijd ging er militair gezien van alles mis. De versterkingen waar het leger om vroeg, kwamen niet. Premier Abadi had zijn troepen te veel moeten uitsmeren: tegelijkertijd werd ook gevochten bij de olieraffinaderij van Baiji.

Zandstorm
Uit diverse bronnen blijkt dat het leger werd verrast door de goed gecoördineerde aanval van IS, waarna het commando haperde en er gaten in de communicatie vielen. Bovendien bombardeerden de Amerikanen alleen aan de stadsrand; grondtroepen haakten af omdat ze dachten dat meer luchtaanvallen uitbleven door een zandstorm.

Terwijl IS dreigt door te stoten naar de heilige sjiitische stad Karbala en de hoofdstad Bagdad, riep premier Abadi de hulp van sjiitische milities in om Ramadi te ontzetten. Net als eerder in Tikrit, waar na berichten over gewelddadig optreden weken later nog nauwelijks (soennitische) burgers zijn teruggekeerd.

Deze sjiitische vrijwilligers worden ingezet, omdat Irak in feite geen echt nationaal leger meer heeft. De wil om te vechten is er alleen als het gaat om de verdediging van de eigen groep. Zoals de Koerden in het noorden succesvol zijn in de strijd tegen IS, zijn de sjiitische milities dat ook. De Koerden worden gedreven door nationalisme. Ze verdedigen in de strijd tegen IS hun eigen mensen en hun toekomstige eigen staat. Sjiitische milities, die grotendeels door Iran worden gesteund en zelfs aangevoerd, hebben het ideaal van een eigen islamitische staat - de sjiitische tegenhanger van het 'IS-kalifaat'. De enige succesvolle strijd wordt in Irak gevochten uit groepsbelang.

De vraag is wat er zou gebeuren als de soennieten de wapens krijgen waar ze vergeefs om smeken. Als ze zich kunnen en durven verenigen tegen IS, kunnen ze het succes van zo'n eerdere militie in 2007 tegen Al-Qaida evenaren. Maar de kans dat de almaar groeiende tegenstellingen ertoe leiden dat ze de wapens opnemen tegen Bagdad, is niet denkbeeldig.

De opmars van IS veroorzaakt niet alleen militaire chaos, maar vergroot ook het wantrouwen tussen de geloofsgroepen, waarmee IS een van zijn doelen bereikt. Daardoor vecht in Irak bijna niemand meer voor de natie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden