Het intellect van de poezie

Paul Rodenko, Over Gerrit Achterberg en over de 'experimentele poezie'. Verzamelde essays en kritieken, deel 2. Bezorgd door Koen Hilberdink, Meulenhoff 1991, 466 blz. gebonden - 72,50.

Is deze historische situering van Vijftig hem zijn leven lang blijven bezighouden, tegelijkertijd en daar vanzelfsprekend mee verbonden, probeerde Rodenko telkens weer de speciale aard van de experimentele poezie vast te stellen. Voor hem was het 'experiment' niet zomaar een vrijblijvend taalspel, maar kwam het voort uit een 'experimentele' levenshouding. Het artistieke waagstuk lag in het verlengde van het existentiele.

Daar draait het om, in al zijn stukken over de experimentele poezie. Ze zijn nu, samen met die over Achterberg, gebundeld in het tweede deel van zijn Verzamelde essays en kritieken. Ik heb ze met stijgende bewondering herlezen, ook in het besef dat op het ogenblik van een dergelijke diepgaande en breed georienteerde poezie-essayistiek geen sprake is.

Om welke poezie gaat het bij Rodenko en wat verwacht hij ervan? In een open brief aan Sybren Polet legt hij dat nog eens uit: "Wanneer ik de meeste poezie van de postexperimentelen verwerp (...), wanneer ik Achterberg boven Bloem stel, Lucebert boven Remco Campert, dan is dat (...) omdat ze te behoudzuchtig of te geresigneerd of te kleinmoedig of te passief zijn, omdat ze trots, revolte, bezetenheid, passie, de wiltot-het-onmogelijke missen, omdat ze verslingerd zijn aan het leven en niet aan de dood, aan de ruimte en niet aan de tijd, aan het heimwee en niet aan de ek-stase; kortom: op morele gronden, omdat ik de menselijke zin die zich in deze gedichten manifesteert als moraal verwerp."

En even verder: "Dit heb ik altijd als het wezenlijke van de experimentele poezie gezien, van wat ik onder experimentele poezie versta: dat zij niet betrokken is op een bestaande, statische wereld (...), maar op een wordende wereld: een poezie die geen wereld als beeld ontwerpt, maar als proces."

Voor Rodenko waren dichten en denken allerminst tegenstellingen. Vele malen heeft hij gepleit voor 'intellectuele bewustheid' en zijn grootste bezwaar tegen de postexperimentelen was in feite dat hij ze zo dom vond: "ik heb meermalen betoogd dat alle grote poezie intellectuele poezie is, dat de belangrijkste eigenschap van de dichter intelligentie is, dat wat ik in de postexperimentele poezie mis doodeenvoudig brains is." Ook werd maar al te dikwijls onder experimentele poezie verstaan "een gemakzuchtig, tot niets verplichtend irrationalisme en instinctivisme" .

Hij ging zelfs zo ver om een rechte lijn te zien tussen Ter Braak en de Vijftigers (die juist erg anti-Forum waren), althans tussen het avontuurlijke, gepassioneerde, 'nomadische' denken van Ter Braak en het experimentele dichten. Dat moet een veronderstelling zijn geweest, waar menige experimenteel destijds van zal hebben opgekeken. Het was ook een gedachte die alleen maar in Rodenko kon opkomen en die aangaf hoe zwaarwegend in de creativiteit voor hem het intellect was. De dichter noemde hij ook een ingenieur, een poeta doctus. Vandaar dat hij veel belang hechtte aan het geestelijk klimaat waarin de poezie moest gedijen:

"Ik heb altijd geloofd, en ben er nog steeds van overtuigd, dat er een intieme wisselwerking bestaat tussen poezie enerzijds en poeziekritiek, poezietheorie, poezie-'filosofie' anderzijds; dat 'poezie' niet alleen is: een aantal gedichten, maar ook een bepaalde sfeer, een 'richting' van leven en denken, waarvan het gedicht om zo te zeggen de uiterste spits vormt maar waarbij het toch voortdurend betrokken blijft op deze vitale en intellectuele achtergrond."

Het lijkt mij buiten kijf dat het Rodenko is geweest die in de jaren vijftig de poezie van zo'n achtergrond heeft voorzien. Met bloemlezingen als 'Nieuwe griffels schone leien' en 'Met twee maten' - de inleidingen zijn in dit tweede deel opgenomen - kweekte hij op grote schaal het nodige historisch besef aan bij poezieliefhebbers en stuurde hij de kijk op poezie. Koude en warme poezie onderscheidde hij bij voorbeeld, een tamelijk experimenteel onderscheid, waarmee hij poezie omschreef die een minder en een meer experimenteel gehalte bezat. Zo plaatste hij zelfs bepaalde verzen van Albert Verwey in de voorgeschiedenis van Vijftig.

In zijn laatste levensjaren - hij stierf in 1976 - werkte Rodenko aan een boek dat de synthese moest zijn van zijn ideeen over de moderne poezie en haar oorsprongen: 'De experimentele explosie in Nederland'. Hij voltooide slechts vier hoofdstukken en daarmee eindigt dit deel van zijn Verzamelde essays en kritieken. Het is buitengewoon jammer dat dit hoofdwerk rudimentair is gebleven, want uit wat nu is overgeleverd blijkt dat Rodenko behalve een samenvatting van reeds ontwikkelde ideeen ook een nieuwe verdieping van zijn inzichten voor ogen stond. Was hij nooit karig met verwijzingen naar mythologie, religie, fysica, filosofie, psychologie en wereldliteratuur, voor dit grote essay heeft hij heel zijn intellectuele bagage willen aanspreken en die is zonder meer indrukwekkend. Het lezen van Rodenko roept, althans bij mij, een gevoel van heimwee naar Rodenko op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden