Review

Het Indische in Maria Dermoût

'Come near to me' schreef Maria Dermoût in de eerste week van november 1959 in haar geheime dagboek. Met deze woorden, driemaal onderstreept en van ettelijke uitroeptekens voorzien, breekt het af. Wie degene is tot wie zij zich richt, is dan bij de lezers van haar biografie al ruimschoots bekend. Het is niet een man die van haar weggelopen is -haar echtgenoot stierf in 1952- maar een die zij nooit heeft bezeten, haar jeugdliefde die zij haar leven lang gekoesterd heeft: Aldert Brouwer, een gecompliceerde natuur die zich kennelijk niet blijvend aan haar kon binden.

Brouwer, hoogleraar geologie in Amsterdam, was altijd op reis, deze keer naar Perzië. Maria Dermoût had de sleutel van zijn huis en bleef er soms een paar dagen wonen, knapte er het een en ander op, herstelde de kapotte kokosmatten en maakte schoenzakken voor hem. Een en al, wat slaafs aandoende, toewijding. Op 11 november haalde ze hem met haar dochter op van Schiphol en nog dezelfde avond nam ze de nachttrein naar Zwitserland om een tijdje aan het Lago Maggiore te verblijven, in haar eentje.

Kester Freriks die in 'Geheim Indië' het leven van Maria Dermoût (1888-1962) beschrijft, besteedt vrij veel aandacht aan haar moeizame relatie met Brouwer. Hij kan dat doen omdat hij van de erven de beschikking heeft gekregen over het dagboek, dat zij wezenlijk achten voor een adequate biografie. Alle brieven van Brouwer heeft Maria Dermoût vernietigd en na zijn dood is hetzelfde gebeurd met de hare, die door zijn zoon 'zo naargeestig en querulant' werden genoemd. Er zijn dus alleen haar hartenkreten in het geheime dagboek over, die deze omgang en de emoties die ermee gepaard gaan, documenteren.

Hoewel het dagboek maar een periode van vijf jaar bestrijkt, van de herfst van 1954 tot november 1959 (eerder had Freriks het abusievelijk maar tot 'halverwege 1958' laten lopen), kunnen er ook feiten uit het verleden uit geconcludeerd worden, zoals een geheim rendez-vous met Brouwer in 1929 aan de Wijnkoopsbaai op Java. Veel meer dan dat valt er overigens niet te zeggen, het geeft alleen maar aan dat ook in haar Indi.sche tijd Brouwer nooit echt helemaal weg of vergeten is geweest.

Maria Dermoût is in 1888 bij Pekalongan op Java geboren als Maria Ingerman, dochter van een vader die werkzaam was 'in de suiker'. Haar moeder stierf een halfjaar na haar geboorte - vermoord, vergiftigd? vraagt Freriks zich af. Op haar tweede jaar vond haar eerste reis naar Nederland plaats, waar ze onder de hoede van haar grootmoeder kwam. Deze reis was het begin van een voortdurend pendelen tussen Indië en Nederland. De middelbare-schooltijd, eerst hbs, vervolgens gymnasium, bracht zij in Haarlem door, waar zij Brouwer leerde kennen. Begin 1905 haalde haar vader haar naar Indië terug, omdat hij vreesde voor een verloving met Brouwer, waardoor hij zijn dochter zou 'kwijtraken' aan Nederland.

Eenmaal terug in Indië en om gezondheidsredenen hoog in de bergen kurend, ontmoette de achttienjarige Maria Ingerman de negen jaar oudere jurist Izaak Dermoût, werkzaam in de rechtspraak. Zij trouwden, kregen kinderen, verhuisden vele malen, want Dermoût werd voortdurend overgeplaatst naar andere, betere posten. Hoewel Maria Dermoût niets liever wilde dan in Indië blijven, hunkerde haar man juist naar het tegendeel: terug naar Nederland, of ten minste een lang verlof. Na veel tegenslag en ziekte, Dermoût kreeg een hartkwaal, moest hij ontslag nemen als president van de gerechtshoven in Batavia en in 1933 ging het echtpaar naar Nederland. De jaren vliegen, ook in deze biografie, vaak als een schaduw heen. De periode 1919-1933 bijvoorbeeld bestrijkt maar tien bladzijden, hetgeen betekent dat er nauwelijks iets over bekend is of over valt op te merken.

In Indië had Maria Dermoût al enkele verhaaltjes geschreven en gepubliceerd gekregen in periodieken, maar in Nederland gaat zij serieus werk maken van het schrijven, op afstand van haar geliefde Indië en gestuurd door haar herinnering en verbeeldingskracht. Haar eerste boek in wording, 'Nog pas gisteren', ging verloren in hun door de Duitsers geconfisqueerde huis in Arnhem. Toen zij het opnieuw schreef en te lezen gaf aan een vriendin, maakte die het zoek, zodat ze voor de derde keer kon beginnen. Vandaar dat zij, na veel afwijzingen door uitgeverijen en met steun van Johan van der Woude, in 1951 bij Querido kon debuteren. Zij was toen drieënzestig jaar.

Freriks benadrukt bij herhaling dat Maria Dermoût niet gezien moet worden als een nostalgische schrijfster, die heimweeliteratuur schrijft. Hij beschouwt haar als een Indische, in haar verhaaltrant, haar levensbeschouwing, haar mystieke instelling en aandacht voor de dood en de kwade machten. 'De duizend dingen' heet haar meest bewonderde roman, een verhalensnoer vol moorden, maar met een zuiverend slot, waarin alle dingen, ook de kleinste, met elkaar in een groot verband staan. Een van de best bewaarde geheimen van Maria Dermoût houdt daarmee misschien ook wel verband.

Iedereen die naar haar portret kijkt is ervan overtuigd dat zij Indisch bloed heeft. Er heerst geheimzinnigheid rondom haar afkomst. De geboorteannonce bevat niet de naam van haar moeder en het lijkt Freriks dan ook niet onmogelijk dat zij een kind is, een zogenaamd voorkind, verwekt bij een njai, een inheemse concubine, die haar vader in zijn jarenlange ongehuwde staat zonder enige twijfel eropna gehouden zal hebben. Het is een onopgehelderd punt, waarover alleen maar gespeculeerd kan worden, maar dat door de biograaf naast de kwestie-Aldert Brouwer als een centrale factor wordt gezien.

Maria Dermoût was geobsedeerd door het vergankelijke van alles, door afscheid, vertrek, maar ook door liefde en meer in het bijzonder de onmogelijke liefde. Daar had zij natuurlijk alle reden voor, want hoe vaak is zij niet vertrokken, heeft zij afscheid moeten nemen. Een belangrijk biografisch feit is de dood van haar zoon Hans in het jappenkamp. Troost zocht ze in de literatuur en Freriks heeft op een roerende wijze een hele rij boeken uit haar bezit nageplozen op onderstrepingen. Het zijn mij dikwijls wat te etherische wijsheden, waar zij op valt, maar goed, hij vat ze terecht waarschijnlijk als veelbetekenend op.

Ook de geoloog Brouwer was zich maar al te zeer bewust van de nietigheid van de mens in de schepping. Daarin althans kwam hij met Maria Dermoût overeen. Hij formuleerde het een keer scherp in zijn oratie (1929) als volgt: ,,Zoo leeft voor den geoloog de aarde sinds millioenen jaren in voortdurende beweging. Hij weet, dat de door hem aanschouwde wonderen der natuur verschijnen en verdwijnen, al zal de vorm der fiere toppen van het hooggebergte slechts weinig zijn veranderd vanaf den tijd dat zij door den eersten en tot den tijd, dat zij door den laatsten mensch zijn aanschouwd. Gebergten worden geboren uit de diepten der oceanen en nauwelijks geboren begint de strijd tusschen de krachten, die den groei en den afbraak bevorderen. Met weemoed ziet hij vanaf de hoge toppen naar de groeven, waarin de rivieren den ondergang voorbereiden en hij weet, dat niets op aarde en van de aarde eeuwig is.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden