Het ideaal van de profeet

Vannacht was het Laylat al'Qadr, of Nacht van de Beslissing, de heiligste nacht van de heilige maand Ramadan. Het is de nacht waarin de profeet Mohammed de eerste openbaring ontving. Weinig openbaringen zijn zo precies gedateerd als deze. Maar is Laylat al'Qadr daarmee een even historische gebeurtenis als de Slag bij Nieuwpoort? Over Mohammed, geschiedenis en heilsgeschiedenis en hoe historici nog altijd naar de sleutel zoeken.

Dat Jezus 'leeft' wil allang niet meer automatisch zeggen dat hij ook hééft geleefd. En als we aannemen dat hij heeft geleefd, dan blijkt de belangrijkste bron voor zijn leven, het Nieuwe Testament, tegelijkertijd de meest onbetrouwbare. Over Jezus Christus komen wij wel het een en ander te weten, maar de figuur van Jezus van Nazareth blijft in nevelen gehuld, al is het wetenschappelijk onderzoek naar de historische Jezus al zo'n tweehonderd jaar aan de gang.

Op het eerste gezicht ligt dat bij de grondlegger van de islam anders. Het leven van de profeet Mohammed heeft zich, in de woorden van Ernest Renan, afgespeeld 'in het volle licht van de geschiedenis'. Wij weten werkelijk bijna alles over de profeet, tot op de meest alledaagse details, bijvoorbeeld dat er een ader opzwol op zijn voorhoofd wanneer hij boos werd, dat hij enigszins gebogen liep, dat zijn lievelingskleur groen was, hoe hij de liefde bedreef als zijn vrouw ongesteld was, hoe hij zijn huis ingericht had en dat hij aardig was voor katten.

Al deze zaken, en nog veel meer, zijn bekend omdat er een grote hoeveelheid ooggetuigeverslagen te boek zijn gesteld van duizenden uitspraken en handelingen van de profeet. Dit corpus wordt hadith genoemd, meestal vertaald als 'traditie'. Als geheel vormt de hadith een weergave van de soenna ('gewoonte') van de profeet. Er wordt gezegd dat de engel Gabriël aan Mohammed niet alleen Gods Woord openbaarde, maar ook de soenna aan de profeet oplegde. De levenswijze van de profeet heeft dus iets goddelijks, al is de profeet zelf een gewoon mens. Elke moslim streeft ernaar de soenna van de profeet zoveel mogelijk te imiteren. Hadith is, naast de Koran, een onaantastbare bron voor belangrijke onderdelen van de geloofspraktijk en het islamitisch recht. Het is ook een onmisbare bron omdat de Koran op veel punten onduidelijk is. Dat bijvoorbeeld elke moslim de bedevaart naar Mekka moet maken staat wel in de Koran, maar hoe de bedevaart moet worden uitgevoerd weten we omdat verschillende 'metgezellen' van de profeet van dichtbij hebben gezien hoe Mohammed dat deed en daarover hebben gerapporteerd.

Elk afzonderlijk verhaal over de profeet, dat ook een hadith wordt genoemd, begint met een keten van overleveraars: verteller A zegt dat hij gehoord heeft van B, die het weer heeft van C, die uiteindelijk van een metgezel (of een echtgenote) van Mohammed heeft gehoord dat de profeet het volgende zei, deed, of stilzwijgend toestond. Voordat een hadith als 'correct' mocht gelden moest hij tenminste teruggevoerd kunnen worden op een van de metgezellen. Ook de overleveringsketen zelf werd door moslimse geleerden scrupuleus aan onderzoek onderworpen. Waren alle vertellers wel betrouwbaar genoeg? Uiteindelijk werd, ruim 200 jaar na de dood van de profeet, een zestal grote hadith-verzamelingen samengesteld die later canoniek werden verklaard en tot op de dag van vandaag als het meest betrouwbaar gelden.

Over het leven van Mohammed zijn dus schriftelijke, primaire bronnen, wat een negentiende-eeuwse positivist als Renan moet hebben aangesproken. In Mohammeds leven komt bovendien niet de oncontroleerbare onzin voor die Renan zo verafschuwde in het katholieke geloof en hem tot de wetenschap had bekeerd: geen maagdelijke geboortes, wonderbaarlijke genezingen of onnatuurlijke wederopstandingen. ,,Konden wij maar even vrijelijk schrijven over Jezus als de moslims over Mohammed'', verzuchtte Renan, zelf auteur van een profane 'Vie de Jesus' (1863). Thomas Carlyle, schrijvend in 1840, put zich eveneens uit in een lofzang op de aardsheid van de profeet: ,,Mohammed kan geen wonderen doen. 'Ik? Wonderen?' riep hij, 'wat voor wonder wil je? Zijn jullie er zelf niet? God heeft je gemaakt, geschapen uit een beetje klei. Je hebt schoonheid, kracht, gedachten, je leeft met elkaar mee. Is dat geen teken?'''

De profeet, kortom, was een mens van vlees en bloed in een context van vlees en bloed. Een echte vent wat Carlyle betreft, even rondborstig en gepassioneerd als Carlyle zelf, en zo heel anders dan de weeë, achter dikke wierookgordijnen nauwelijks zichtbare gestalte van Christus. Dit waren in Europa betrekkelijk nieuwe geluiden over Mohammed. Voordien was de profeet eenvoudig een bedrieger geweest, of een fanaticus, of een aan 'koortsige paroxismen' en 'katalepsie' lijdende dweper. Maar ondanks Renans moderne enthousiasme over Mohammed had hij toch enig voorbehoud bij de bronnen. Hij stelde daarom voor om de strenge selectie van de negende-eeuwse, moslimse hadith-verzamelaars nogmaals te onderwerpen aan de wetenschappelijke normen van de negentiende-eeuwse, Europese tekstkritiek. Hij had de verwachting dat op de Europese snijtafel het aantal 'correcte' hadiths opnieuw zou slinken. De dubbelgecheckte hadiths die uiteindelijk overbleven zouden dan de basis vormen van een historisch betrouwbare biografie van Mohammed.

Onlangs verschenen twee bundels opstellen, 'The quest for the historical Muhammad', samengesteld en ingeleid door Ibn Warraq, en 'The biography of Muhammad: the issue of the sources', samengesteld en ingeleid door Harald Motzki. In beide bundels staat de vraag centraal of het mogelijk is een historische biografie over Mohammed te schrijven. Het blijkt dat na anderhalve eeuw tekstkritiek Renans optimisme niet meer wordt gedeeld. Motzki vat in zijn voorwoord op de bundel het probleem samen. ,,Op dit moment is de studie van Mohammed gevangen in een dilemma'', schrijft hij. ,,Het is enerzijds niet mogelijk een historische biografie te schrijven zonder ervan te worden beschuldigd de bronnen onkritisch te gebruiken, en als men de bronnen kritisch zou gebruiken, dan is het eenvoudig niet mogelijk zo'n biografie te schrijven.''

Dat dilemma is niet van gisteren. Al aan het einde van de negentiende eeuw kwam de Hongaarse islamoloog Ignaz Goldziher tot de ontdekking dat de hadiths geen betrouwbare bron zijn voor het leven van Mohammed, ondanks alle indrukwekkende overleveringsketens. Als historische bron zijn ze uitsluitend bruikbaar om iets te weten te komen over de tijd waarin de hadiths werden verteld. En de hadiths werden verteld in de eerste twee, drie eeuwen na de dood van Mohammed, toen de islam de wereld in rap tempo had veroverd. Wat zich daarom volgens Goldziher in de hadith laat lezen is de Geistesgeschichte van een fascinerend tijdsgewricht, waarin allerlei vreemde volken en culturen opgenomen werden in de schoot van de islam. ,,Hele passages uit het Oude en Nieuwe Testament, rabbijnse uitspraken, apocriefe evangeliën, Griekse filosofieën, Perzische en Indiase wijsheid, en zelfs het Onze Vader deden hun intrede in de islam als uitspraken van de profeet'', schrijft Goldziher, en dit alles werd keurig voorzien van betrouwbare overleveringsketens die terugvoerden op Mohammed. Aan Goldziher kun je zien dat hij er oprecht plezier in had dat de heilige gewoonte van de profeet zo'n multiculturele aangelegenheid bleek te zijn, maar in moslimse kringen was men om begrijpelijke redenen not amused. Net als bij Jezus loopt de Mohammed van de geschiedenis hier weg van de Mohammed van het heil, terwijl die twee in de ogen van de islamitische orthodoxie moeten samenvallen. Wat voor een ongelovige een falsificeerbare bron is, is voor een moslim immers soenna, de ideale praktijk van het dagelijks leven.

En dat is meteen het tweede dilemma, dat uitgebreid aan de orde komt in de bundel van Ibn Warraq. Grofweg zijn in het twintigste-eeuwse, westerse Mohammed-onderzoek twee 'scholen' te onderscheiden. De eerste school houdt geen rekening met moslimse gevoeligheden en de tweede juist wel. De eerste school vraagt zich af hoe het echt geweest is en wil weten wat Mohammed nu werkelijk gezegd, gedaan of stilzwijgend toegestaan heeft. Dit is de benadering van de meeste westerse onderzoekers. De tweede school concentreert zich op de betekenis van Mohammed in de geschiedenis. En de betekenis van Mohammed is in de eerste plaats wat moslims over hem vertellen, of dat nou waar gebeurd is of niet.

Een voorbeeld van een radicale benadering van de eerste school is het boek van Patricia Crone en Michael Cook, 'Hagarism: the making of the Islamic world'. De twee Britse academici gaan er net als Goldziher van uit dat de hadith en het andere vroeg-islamitische bronnenmateriaal over de profeet niet meer zijn dan, letterlijk, self-fulfilling prophecy. Het is immers alleen de hadith zelf die garant staat voor de authenticiteit van de hadith. Om de werkelijke Mohammed in het vizier te krijgen dient men daarom te kijken naar de niet-islamitische bronnen uit zijn tijd. Crone en Cook komen zo tot een compleet nieuwe datering van het ontstaan van de Koran en van het leven van Mohammed. Van een profetenbiografie kan geen sprake zijn omdat, om te beginnen, Mohammed helemaal niet de profeet van de islam was. Koran en profeet zijn allebei constructies achteraf geweest met een zuiver politiek doel.

Na de publicatie van het boek stelden boze Egyptische burgers een open brief op, wonderlijk genoeg gericht aan de paus (blijkbaar in de hoedanigheid van westers opperhoofd) met het verzoek aan Zijne Heiligheid hen voortaan te verschonen van zulke beledigingen. Maar er kwam ook kritiek uit het Westen. De christelijke bronnen van Crone en Cook waren niet zo neutraal als zij ze voorstelden en hun nieuwe dateringen waren zo mogelijk nog verwarrender dan de oude. Met de totale verwerping van hadith als historische bron hadden zij bovendien het kind met het badwater weggegooid.

Wat bij zo'n spectaculaire ontmaskering geheel uit het zicht dreigt te verdwijnen is de vraag: waarom? Waarom zou je, behalve omwille van de geschiedschrijving zelf, op zoek gaan naar de werkelijke Mohammed? Waarom had men in de negentiende eeuw ineens behoefte aan kritische Jezus-biografieën? Eén van de motieven is ongetwijfeld emancipatie geweest. Achter alle drukkende dogma's vermoedde men blijkbaar een bevrijdende oerboodschap. Zo'n motief ontbreekt natuurlijk geheel bij Cook en Crone, beiden geen moslims. Een voorbeeld van zulke 'bevrijdende' geschiedschrijving is het onderzoekswerk van de Marokkaanse sociologe Fatima Mernissi als zij in het hart van de hadith ten strijde trekt tegen wat ze noemt 'de traditie van vrouwenhaat'. Ook zij komt met een kritische evaluatie van een aantal hadiths, maar zonder hun authenticiteit in twijfel te trekken. De hadiths zijn wat ze zelf zeggen dat ze zijn, documentatie over de profeet, en geen vrome leugens van latere generaties.

Wat zij wel in twijfel trekt, is de oprechtheid van een aantal van de metgezellen van Mohammed. Met name de Abu Hurayra wordt gefileerd, en definitief ontdaan van elke zweem van heiligheid die metgezellen gewoonlijk aankleeft. Hij is degene die de profeet onder meer in de mond legde dat drie dingen het gebed verstoren: honden, ezels en vrouwen. Hij staat garant voor de mondelinge overlevering van niet minder dan 5300 uitspraken van Mohammed, die overigens lang niet allemaal in de canon terechtkwamen. Dat is een volstrekt ongeloofwaardige hoeveelheid, zeker als je het vergelijkt met het aantal uitspraken (ongeveer 1200) die teruggaan op Aisha, de echtgenote van de profeet. Hij kwam naar eigen zeggen tot dat aantal door zich gedurende drie jaar voortdurend in de nabijheid van Mohammed op te houden en hem overal te volgen, intussen wat rondredderend in de vrouwenvertrekken van het huis van de profeet. Abu Hurayra - Vader van het Kleine Poesje - was een bijnaam, omdat hij altijd een poesje met zich meedroeg. Mernissi wil aantonen dat zowel zijn vrouwenhaat als zijn liefde voor katten zo obsessief waren, dat hij ze met elkaar in verband bracht. Uit zijn mond komt bijvoorbeeld de hadith dat een zekere vrouw naar de hel zou gaan omdat zij een kat had laten doodhongeren. Hij werd echter scherp terechtgewezen door Aisha, die zei dat de profeet nooit een dier boven een gelovige zou stellen.

In Mernissi's ogen vertegenwoordigen de overleveringen die teruggaan op Aisha de bevrijdende oerboodschap, de ware geest van de profeet. Een biografie die Mohammed recht doet zou zich daarom vooral op Ai sha's hadiths moeten baseren.

Tot slot is er de 'school' van wat Ibn Warraq de mystiek-romantici noemt. Deze historici kiezen bewust voor een ahistorische benadering. Een profeet en een openbaring kunnen niet ingepast worden in de 'gewone' geschiedenis, want dan ontdoe je ze van hun primaire betekenis. Een voorbeeld van zo'n benadering is de Mohammed-biografie van Martin Lings, 'Muhammad, his life based on the earliest sources'. Deze biografie begint niet bij de geboorte van Mohammed in het zesde-eeuwse Arabië, maar bij het Genesisverhaal over Abraham.

Volgens het welbekende verhaal stuurde Abraham zijn slavin Hagar met zoon Ismaël de woestijn in nadat Isa & ldquor;k, zoon van Sara, was geboren. De Bijbel vermeldt nog wel dat God ook Ismaël 'zou stellen voor een groot volk', maar plaatst de camera dan weer terug naar het huishouden van Abraham, waar we verder de lotgevallen van Isa & ldquor;k zullen gaan volgen. De islamitische geschiedenis pikt aan bij Hagar en Ismaël in de woestijn. Abraham bezoekt hen daar en richt samen met Ismaël de Ka & ldquor;ba op, het heiligdom in Mekka. Ismaël wordt de stamvader van de Arabieren en de profetie van Mohammed is het bewijs dat God het verbond met Ismaël niet is vergeten. In dit teken ontspint zich vervolgens Mohammeds leven. Lings' biografie is geen geschiedschrijving, maar een zo getrouw mogelijke weergave van de vroegste islamitische bronnen met een minimum aan interpretatie. Lings is een bekeerling; zijn boek zou je kunnen beschouwen als een vrome oefening.

Bij alle pogingen een historische Mohammed-biografie te schrijven, schuren geschiedenis en heilsgeschiedenis ongemakkelijk tegen elkaar aan. Openbaring is geen historische gebeurtenis, maar zonder openbaring geen Mohammed en dus ook geen biografie. Men heeft het probleem wel eens willen ondervangen door onderscheid te maken tussen chronologische en cultische tijd. Laylat al'Qadr draagt weliswaar een datum uit de geschiedenis, maar volgens de andere tijdrekening geldt dat in deze nacht de hele natuur haar adem inhoudt om het Woord te ontvangen, elk jaar opnieuw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden