Opinie

Het huisje had ons te pakken

(FOTO MARCO HOFSTÿ) Beeld Marco Hofste
(FOTO MARCO HOFSTÿ)Beeld Marco Hofste

Letter & Geest vraagt deze zomer zeven auteurs om hun toevluchtsoord te bezoeken: ver weg of dichtbij, in het heden of uit het verleden, ideaal of noodzakelijk, binnen of buiten, kortom: een locatie die bijzondere associaties oproept. Vandaag als laatste: het verscholen speelhuisje van Nicolaas Matsier.

I DE HEENWEG

Of we nu naar Friesland rijden of naar Noord-Holland, dat maakt niet uit. IJsselmeer rechts of IJsselmeer links, we houden altijd van de Afsluitdijk. Toch is de dijk van de terugkeer een andere dijk dan de dijk van de heenweg. Op weg naar ons huisje in Friesland is de dijk de heenweg. En de heenweg is de weg van het verlangen en de verwachting. We zijn alweer een poos niet in ons huisje geweest. Hoe zal het erbij staan?

De Stevinsluizen, het begin van de dijk aan onze Noord-Hollandse kant, onderscheiden zich niet van de Lorentzsluizen aan de Friese overzijde. Het is sobere, mooie waterstaatsarchitectuur uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Je denkt niet: dat had anders gemoeten.

De dijk is niet saai, in al zijn onnadrukkelijke geledingen. Daar doemt het Monument-met-koffiehuis al op, het betonnen werkstuk van Dudok. Met vlak ervoor het knoestige beeld van Cornelis Lely, die uitziet over de door zijn toedoen getemde Zuiderzee. Daar is het voormalige werkeiland Breezand al. Met zijn verbluffende kleine camping, bevolkt door nog strengere liefhebbers van de abstractie dan wij. Of zouden het Nescio-achtige beschouwers van het water zijn?

Een schilderij van het onverbiddelijke perspectief dat ik al rijdend door de voorruit zie, ja, dat zou ik graag hebben. Een goeie snelwegkunstenaar moet dat kunnen. Een voorruitschilderij, met links de scherpe hoek van de dijk en het fietspad, centraal de stompe hoek van de twee maal twee rijstroken, rechts de scherpe hoek van het glorieuze IJsselmeer.

Praten over kleur heeft iets onmachtigs. Grofweg gaat het om blauw en groen (mooi weer), of om een waaier van grijs-tinten. Het IJsselmeer kan elke kleur aannemen, zoals een goede acteur elke rol kan spelen. Wat het verband precies is tussen de kleur van het water en de kleur van de hemel erboven, ik zal het nooit begrijpen. Maar ik weet dat het palet onder veel meer lood en aluminium en room en turquoise omvat.

Het tweede voormalige werkeiland komt in zicht. Het Kornwerderzand, met erachter de geredde fortificaties, onneembaar, zowel voor de binnenvallende Duitsers in 1940 als vijf jaar later voor de bevrijdende Canadezen. Deze alweer antiek geworden dijk is prachtig.

Langs de vertrouwde route, van ons heuse huis in Amsterdam naar het speelhuisje in de Friese Greidhoek, is in vijftien jaar veel veranderd. In Noord-Holland zijn kilometers kassen verrezen. De windmolens in Friesland, die ik mooi probeer te vinden, zijn hoger en talrijker geworden. Tussen Bolsward en Wommels slingert zich een plompverloren lint van godsgruwelijk lelijke bedrijfsgebouwtjes langs de oude zeil- en trekvaart. Het aantal koeien in de wei is afgenomen. Er staan meer paarden buiten, en meer schapen, niet door de Friezen zelf gegeten. De wol gaat naar China.

We rijden niet alleen langs een werkelijke maar ook langs een denkbeeldige route. Daar rechts, in Makkum, werd mijn grootvader geboren. Halverwege de 19de eeuw. Een eindje verderop, in Exmorra, mijn grootmoeder. Bolsward, waar we van de snelweg afslaan, was de geboorteplaats van mijn vader, bijna een eeuw geleden, één jaar voordat Lely als minister van waterstaat zijn plan voor een afsluitdijk erdoor kreeg.

Mijn vader werd groot in het kruidenierswinkeltje dat zijn moeder dreef aan het Grootzand, waar het beurtschip van zijn vader, als die thuis was, lag afgemeerd. Twee keer per week op en neer naar Amsterdam. Zeil, later stoom. Ik heb mijn grootouders niet gekend, mijn vader was een nakomertje, dit verleden is voor mij eerder mythisch dan historisch.

De wegen die we moeten hebben, worden telkens een slagje kleiner. Honderdtwintig tot Bolsward, honderd erna, tachtig vanaf Winsum, dertig in Oosterlittens. We komen tot stilstand in Skrins, een vlek waarvan we vijftien jaar geleden nog nooit gehoord hadden.

II DE KOOP

Het begon ermee dat we een kleine annonce zagen. Goed gekozen bewoordingen gewaagden van ’ons kleine boerderijtje’, dat door ’persoonlijke omstandigheden’ te koop ’moest’ worden aangeboden. Ergens in Friesland. Aha, dachten wij, misschien iets voor Martin en Katja, vrienden die al langer woonruimte zochten in Friesland. Ze wilden weg uit Amsterdam vanwege de toenemende nachtelijke horeca-overlast.

We gingen een kijkje nemen. Niet voor onszelf dus. Het was voorjaar en we hadden zin er even uit te wezen. Met moeite vonden we het huisje. De auto stond geparkeerd aan een of andere provinciale weg en we tuurden vanaf een weiland naar een betoverend huisje aan de overkant van een vaart. Verscholen tussen hoge bomen. Zonder een afspraak gemaakt te hebben stonden we er zomaar verlangend naar te staren.

Het was niks voor Katja en Martin, hoorden we, dit was meer een tweede huis. En toen moet het gebeurd zijn, door een oversprong van het verlangen, dat we een afspraak maakten met de dominee aan wie het toebehoorde. Hij roeide ons over de vaart. We gingen binnen en zagen de bedstee boven de aardappelkelder. We liepen om het huisje heen. Dit hier waren de twee waterputten. Er was geen waterleiding. Er was geen elektra. Je kon er alleen over het water komen.

Het was mooi weer en alles was groen. We hebben dat huisje uit 1870 gekocht in een sfeer van grote vastbeslotenheid en opwinding, zo niet van totale verstandsverbijstering. Zonder ooit op zo’n huisje uit te zijn geweest. Het huisje had ons te pakken genomen.

III HET GEHEIME WERKVERTREK

Het geheime werkvertrek – hoe lang heeft het geduurd voordat ik daar niet meer in geloofde? Of geloof ik er nog steeds een heel klein beetje in? Hoeveel geheime werkvertrekken heb ik wel niet gehad?

Aan mijn eerste verhaal, ’Oud-Zuid’, begon ik in Wales. Een jaar of vijfendertig geleden. In afwachting van het moment waarop ik in militaire dienst moest. Waar ik per se niet in wilde. Ik was op een S-5 uit. Ik had al zoveel tijd verdaan! Daar moest geen militaire dienst bij komen. Het was dus in een tussentijd dat ik opeens aan het werk ging.

In omstandigheden die ik destijds ideaal achtte, in het hart van het oude Rome, heb ik geprobeerd een roman te schrijven. Dat die roman niks te maken had met welk Rome dan ook leek me geen probleem. Mijn boek ’Gesloten huis’ is op gang gekomen tijdens een verblijf van twee maanden in het Noord-Duitse Worpswede. Ik had ontslag genomen bij uitgeverij De Bezige Bij, als redacteur, om zelf volop te gaan schrijven.

Ik heb tijdelijke werkruimte genoten bij heel wat vrienden. Thuis werken, dat wilde niet. Het moest elders, of onderweg. In de tussentijd. Ik kan goed schrijven in treinen en aan boord van boten. Ik heb wel eens overwogen mij aan te bieden als writer in residence bij de NS.

Het geheime werkvertrek heeft even vaak wel als niet geholpen. Natuurlijk is het een rationalisatie. Ik weet het best: het zijn niet de omstandigheden die ertoe doen. Je moet gewoon gaan zitten, en beginnen.

IV HET REüEL BESTAANDE TWEEDE HUISJE

De niet geringe inkomsten, een tijd lang, van mijn boek ’Gesloten huis’ hebben zeker een rol gespeeld bij de aankoop van het Friese huisje. Het geeft de schrijver een mooi gevoel als hij een keer geld verdient met zijn werk. Het is geld dat hij meteen over de balk smijt – of als kleine zelfstandige opbergt in de oude sok die zo’n huisje, naast al het andere, ook moet zijn.

Je hebt mensen die in de wieg zijn gelegd voor een tweede huis. Ze zijn praktisch en handig. Maar zulke mensen waren wij helemaal niet, ikzelf nog het minst. En het huisje zelf was al helemaal niet praktisch en handig. Het was een relict uit een vorige eeuw, met zijn wc buitenshuis en zijn pomp, met zijn twee waterputten, zonder elektra of gas, alleen bereikbaar over het water.

We hadden, zo hoorden we, ’recht van krui- en overpad’ over de weide aan de vaart tegenover het huisje. We konden ook over de opvaart roeien, van het gehucht Wammert naar de vaart. In beide gevallen was er een bootje vereist. Wij vonden dat allemaal erg leuk. We hoefden helemaal geen elektriciteit. Douchen konden we thuis ook, maar in deze prachtige vaart kon je ’s zomers zwemmen en kanovaren.

We kookten, aten, lazen en converseerden bij gaslicht, kaarslicht en petroleumlicht. We leerden hoe we het kousje van de gaslamp moesten vervangen. We sliepen in de bedstee. We verdiepten ons wandelend en fietsend en autorijdend in de wijdere omgeving. Er groeide een Fries bibliotheekje. We gingen van dûmkes, suikerbrood en gedroogde worst houden. We zaagden en hakten hout. We namen terloops allerlei besluiten. Nee, we gingen het huisje niet meer verhuren (zoals de dominee deed). En die afrasteringen overal, die moesten weg.

Al dat prikkeldraad was aangebracht om de schapen – die het gras kort hadden gehouden – te kunnen verweiden. Wij wilden die afscheidingen niet meer, wij wilden tuin. Er werd geschoffeld en gezaaid en geplant. Geleidelijk werd steeds meer grond, sjiek gezegd, in cultuur gebracht. Door mijn heldhaftige vrouw. Ik zat ergens een boek te lezen.

Maar wij waren minder vaak in het huisje dan we gedacht hadden. Dus moesten we aanzien hoe zevenblad, brandnetel, kleefkruid, al die bekende onwelkome gasten, het begonnen over te nemen van het gras dat de schapen kort hadden gehouden. We aten zevenbladsla en brandnetelsoep en vroegen ons af of de mensen de voedingswaarde van brandnetel en zevenblad wel benut hadden tijdens de oorlog. Dat konden we ons niet herinneren uit gesprekken of lectuur.

Enfin, zo waren we bezig. Ik repareerde hier wat en daar wat, met handgereedschap dat zelf al museaal begon te worden. Een loodgieter uit het dorp construeerde een zinken bak en hing die in de keuken op. Daar stortten wij onze emmers putwater in. Het eerste kraantje sinds 1870 had zijn entree gemaakt in het huisje. Vooruitgang! We schilderden ons een ongeluk. We vonden iemand in de omgeving die paden aan kon leggen en een terrasje.

Soms aarzelden we. De vriendelijke bewoners van de boerderij in wier land wij een kleine enclave vormen vroegen een keer of wij, nu er toch een elektrisch gemaaltje kwam, halverwege de boerderij en ons huisje, niet een aansluiting wilden. Maar het ging om erg veel geld, dus dat is niet gebeurd.

Bijgevolg is het huisje ook een enclave in de tijd gebleven. Een vrouw in het dorp, die haar jeugd in het huisje had doorgebracht, vertelde ons dat zij als ze naar de lagere school ging eerst over de vaart gezet werd, en vervolgens ’over zeven hekken’ moest.

Direct na aankomst vallen wij dus als dollen aan op de overwoekering. Mijn vrouw ’redt’ planten, zoals zij het noemt. Ik ben als een archeoloog in Zuid-Amerika bezig met het blootleggen van de paden en de terrassen die zich onder het oerwoud bevinden. Maar als wij dan ten slotte, uithijgend en met een glas in de hand gezeten op het herwonnen terras, om ons heen kijken, dan zien we de vaart, de weilanden aan alle vier de kanten, de torens van Easterlittens en Eastereind (spreek uit: Jesterlittens en Jesteroin), de torens van Baard en van Wiewerd. We staren omhoog naar onze uit de kluiten gewassen wilgen en esdoorns en abelen en meidoorns en vlierstruiken, we luisteren naar het winterkoninkje en het snorretje en wat er verder maar verblijf houdt op ons geheime landgoed. En dan komt het ons nog steeds ongeloofwaardig voor dat wij het zelf zijn die daar zitten.

Het is zo mooi. Wel eens een haas zien komen aanrennen door een weide, over honderden meters, in rechte lijn, op een vaart aan, een haas die zonder aarzelen het water inspringt en twintig meter naar de overkant zwemt, om aangekomen in het volgende weiland zijn rechte lijn te vervolgen, een haas op een missie die geen uitstel gedoogt en die met militaire precisie volbracht dient te worden?

Wel eens een nest jongvolwassen valken vliegles zien krijgen van hun ouders? Wel eens een veldmuis, opgeschrikt door grondverplaatsingen in verband met de aanleg van een tuinpad, zien weghollen met de nekvellen van twee baby’s tussen de tanden? Wel eens een schaap op de been geholpen met vereende krachten? Want zoals bekend: een eenmaal op haar rug beland schaap komt niet meer op de poten, het zijn verbazend hulpeloze dieren. Wel eens een vlinder, die je met welgevallen volgde boven de daklijn, door een grauwe vliegenvanger uit de lucht zien halen? Zo was die vlinder er nog, en zo was ie weg.

V HET PAALTJE VAN OOSTERLITTENS

Er is een sprookje, ’Het paaltje van Oosterlittens’. Een arme schoenmaker in Oosterlittens droomt van een brug in Amsterdam. Die brug heeft voor hem een schat in petto. Drie maal droomt hij ervan. Hij reist af. Ongetwijfeld niet via de afsluitdijk, misschien reist hij mee met een beurtschipper. Hij vindt de Amsterdamse brug, maar een schat is nergens te bekennen. De aan zijn droom toegewijde schoenmaker blijft er drie dagen. Een schat verwerft men niet door ongeduld. Er houdt zich ook een haveloze stadsman op. De twee maken een praatje. Wat doet de ander daar toch steeds? De Amsterdammer vertelt dat hij gedroomd heeft, drie keer, van een schat onder een paaltje in Oosterlittens. Een droom waar hij hartelijk om moet lachen. Om kort te gaan: de stadsman blijft haveloos, de schoenlapper wordt rijk. De schat bevond zich al in zijn directe omgeving, hij had er alleen twee dromen voor nodig om hem te lokaliseren. De charme van het sprookje zit in zijn kruiselingse opzet.

Ik ben het in de Duitse literatuur ook een keer tegengekomen, bij de 18de-eeuwse Musüus. Met twee Duitse plaatsen van handeling. Sprookjes circuleren altijd in varianten en bewerkingen. De variant die wij omhelsd hebben gaat over een brug in Amsterdam. Dat is dus onze brug – alles valt hier op zijn plaats. Het sprookje moet onze tweede mythische band met Friesland zijn. Het past ons als een schoen. Beurtelings spelen wij immers beide rollen: die van de man in Oosterlittens en die van de scepticus in Amsterdam. Zo worden wij keer op keer rijk bij aankomst.

(FOTO MARCO HOFSTÿ) Beeld Marco Hofste
(FOTO MARCO HOFSTÿ)Beeld Marco Hofste
null Beeld
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden