Het honingvloeiende blaffen van Bernard

Wat heeft de sint-bernardshond met Bernardus van Clairvaux (1090-1153) te maken? De reislustige monnik trok vast meer dan eens over de naar hem genoemde alpenpas, maar er is meer. Bernards moeder droomde dat zij in haar schoot 'een keffertje tegen de ketters' droeg slachtoffers van Bernards woede hekelden zijn 'geblaf'. Op 20 augustus feest van de blaffende, bijtende en 'honingvloeiende leraar'

Samuel de Lange

De sint-bernardshond is lang geen vuilnisbakkenras en ook Bernard was van goede komaf. Hij werd met open armen ontvangen toen hij in 1112 bij de cisterciënzers intrad, de kloosterorde die de regel van Benedictus met hernieuwde ijver in de praktijk bracht.

Voor alles beschouwde Bernard zich als een monnik, toegedaan aan een contemplatief én arbeidzaam bestaan. Monniken vormden de geestelijke elite die de maatschappelijke piramide bekroonde. Met hun goedvinden verdedigden de ridders de christelijke waarden en ploegden de boeren het land. Des te makkelijker was het als een monnik, zoals Bernard, van adel was. Zo één wist niet alleen van liturgie, maar van ook van beleid en beheer.

Keffertje of waakhond, Bernard blafte naar de voorbijgangers en huilde naar de hemel langs 's Heren wegen. De regel mocht hem dan aan zijn klooster binden en zijn voorkeur mocht dan naar gebed en beschouwing uitgaan, zijn leven speelde zich af in de openbaarheid van bisschoppelijke paleizen en grafelijke hoven, in de aanwezigheid van koningen en pausen. In honderden brieven, en in verschillende gelegenheidsgeschriften getuigt hij van zijn bezorgdheid over de zaken van de kerk. Benoemingen van abten, rivaliteit tussen paus en tegenpaus, de architectuur en decoratie van kerken en kloosters, de kruistochten tegen de ongelovigen en de kathaarse ketterijen in de Languedoc - het moest allemaal verdedigd of bestreden worden.

Ter plekke of onderweg vermaande, bepleitte, dreigde en smeekte hij. Vijf pausen maar liefst, diende hij gevraagd en ongevraagd van advies. Clairvaux, honderd kilometer ten noorden van Dijon, waar hij abt was, noemde hij dan wel liefdevol zijn 'Jeruzalem', maar zijn werkterrein lag in de boze wereld. In de Franse, Italiaanse en Duitse landen kende hij de weg. Kerk en wereld moesten eendrachtig optreden. ,,Thans is het de hoogste tijd beide zwaarden te trekken ter verdediging van de kerk in het oosten', schreef hij de paus in 1148, en hij bedoelde dat het geestelijk en het ridderlijk zwaard de koppen van de mohammedanen moesten klieven. Geen twijfel welk van die twee de ander 'aanstuurde', in hedendaags jargon.

In de machtsstrijd met de keizer kreeg de paus stevige aanmoediging van de cisterciënzer, en de ijver om de geloofsgeheimen te ontraadselen moest wijken voor de goddelijke openbaring. Pierre Abélard, die het vrije onderzoek propageerde wist zich maar net in veiligheid te brengen voor de woede van Bernard. Dat deed hij in het benedictijnerklooster van Cluny, honderd kilometer ten zuiden van Dijon. Met die communiteit hadden de cisterciënzers, Bernard voorop, het vaak aan de stok; over de heffing van tienden, over monniken die van het ene naar het andere klooster overliepen, en over hervormingen.

Cluny, dat al een eeuw aan het hoofd van het westelijke kloosterleven stond, was het vertrekpunt van de cisterciënzers geweest. Cluny had zich geschikt in de feodale wereld en was zo medeplichtig geworden waar het moest besturen. Ze leverden gebedsvoorspraak, aflaten en dodenmissen voor de baronnen. Dat had hun geen windeieren gelegd, en ze waren rijk bedacht met erfenissen. Cluny en zijn filialen voerden een dienovereenkomstige staat, en hun liturgie en bouwkunst hadden weelderige vormen aangenomen.

Dat was niet zoals Bernard de verhouding tussen kerk en wereld zag en hij ging flink tekeer tegen de verluchting van handschriften zoals die in Cluny werd beoefend: ,,Wat betekent die belachelijke monsterlijkheid, die afzichtelijke mooiheid en mooie afzichtelijkheid in de kloosters, in de tegenwoordigheid van de lezende broeders? Wat doen die ontuchtige apen daar, die woeste leeuwen, die gruwelijke centauren, die halfmensen, die gevlekte tijgers, die vechtende soldaten en hoornblazende jagers?'

Maar de dienstbaarheid aan het eeuwige die hij van de hoofse cultuur verlangde liep altijd weer uit op grensoverschrijdingen, waarbij kalligrafisch, liturgisch en ander ceremonieel de overhand kreeg op de prediking en getuigenis. Hetzelfde gebeurde met de sluipende invloed van het verstand, dat niet buiten de geloofsverkondiging mocht worden gehouden, maar steeds, zoals bij Abélard, de neiging had voor zijn beurt te spreken. ,,Schandalige nieuwsgierigheid', noemde Bernard dat.

Ondertussen draagt hij ook de eretitel mellifluus, de honingvloeiende. Want zelfs zijn processen-verbaal, zoals hierboven over de miniaturen in de kantlijnen, zijn in pakkende taal gesteld. Met weer een sneer naar de betweters schrijft hij in een brief: ,,Geloof me, en ik kan het weten, in de bossen leer je veel meer dan uit de boeken. Stenen en bomen zijn veel betere leermeesters dan jouw onderwijzers.'

De mystiek waar zijn eigen lering in uitmondde zit vol met de bergen en beesten die hij de illustratoren misgunde, en is ook overigens een staalkaart van vergelijkingen, woordspelingen, citaten, alliteraties en symboliek. Over de jaren schreef hij een lange reeks preken over het Hooglied, die als zijn chef d'oeuvre worden beschouwd. Daarmee behoort hij tot de eerste westerse exegeten die de religieuze verhoudingen vanuit een erotisch perspectief beschouwden. ,,Een grote zaak is de liefde', verklaart hij in zijn laatste en drieëntachtigste preek in 1153, ,,als ze maar weerkeert naar haar beginsel, als ze maar opklimt naar haar oorsprong, als ze maar terugstroomt naar haar bron en daar altijd de kracht zoekt om te blijven vloeien.'

En met die oorsprong wordt niet het hijgerig verlangen van de bruid bedoeld, in de eerste regel van Salomons Hooglied: ,,Hij kusse mij met de kus van zijn mond'. Al meteen in de eerste preek maakt Bernard duidelijk dat Gods kussen zich alleen instorten in wie eerst door de woeste bergen en dalen van de boeken Prediker en Spreuken is getrokken en zich van zinnelijke bijgedachten bevrijd heeft. Dan houd je een schone jongeling of lieve man over, Christus, die de liefkozing van de Vader op menselijke schaal toesnijdt. De Heilige Geest speelt in deze romance beurtelings de rol van huwelijksmakelaar of postillon d'amour.

Dat weerkeren en terugstromen, dat tegennatuurlijke, die perversie zo men wil, is het waarmerk van de mystiek. Wat er gebeurt als die sublimatie niet lukken wil, kun je nu elke dag in de berichten over betrapte priesters lezen. Van duizend-en-één-nacht -en dat is de strekking van het Hooglied- Gods lieve dag maken is een heidens karwei. Bernard wist ook wel beter. In een ander traktaat 'Over de liefde tot God', schrijft hij: ,,Toch zijn wij vleselijk, en worden we uit de begeerte des vlezes geboren, en dus moet onze begeerte wel vanaf het vlees beginnen.'

In 1949 opperde de Duitse cultuurfilosoof Friedrich Heer in 'De opkomst van Europa' dat in Bernard van Clairvaux de romaanse stijl en de gotiek om de voorrang streden. Christus als maat van zijn gevoel bezorgde hem zijn afkeer van de oude monsters die de kapitelen van de romaanse kerken en de marges van de handschriften versierden.

Zijn verleidelijke beeldspraak loopt vooruit op de menselijke figuur die zich in zijn dagen los begon te maken uit de stenen nissen van de kathedraal. Maar het al te menselijke dat uit de nieuwe wetenschap en redekunst sprak, boezemde hem maar weinig vertrouwen in. Scholen en steden dreigden van de kloosters, en daarmee van God, los te komen. Onder die druk spaarde Bernard zijn liefde voor zijn baas, en blafte hij naar de mensen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden