Het hele leven als omweg naar de uitvaart

Dagje verpleeghuis. Collega S. wil zijn broodbakmachine kwijt. Hij ontdekte de avond tevoren in de kroeg dat precies hetzelfde model reeds enkele jaren in garage, schuur of kelder toeft bij twee andere vrienden. De een had het kreng gekocht in de valse hoop dat hij elke ochtend bij het afdalen van de trap de geur van versgebakken croissants zou binnenstappen. De ander kocht hem omdat hij dacht dat de geur van versgebakken brood de aspirant-kopers van het huis dat hij maar niet kwijtraakt onhoudbaar zou innemen voor zijn pandje. S. zelf geeft grommend toe dat hij de machine kwijt wil 'omdat ik nu genoeg kloostermoppen heb gebakken om een terras achter mijn huis te maken'. De broodjes vielen kennelijk nogal hard uit. Ik durf niet toe te geven dat ik zelf ongeveer twee jaar geleden ook zo'n machine naar de schuur heb gebracht. Ik weet nog wel dat er een landelijke illusie omheen hing, eerlijk graan, afkomstig uit Arcadië, geoogst door boeddhisten.

Collega S. heeft nog meer om over te grommen. Hij had de coassistent meegenomen bij de moeizame onderhandelingen rond de euthanasie van mevrouw Van B. De vrouw verkeerde in een hopeloze toestand. Hij had de coassistent zo eerlijk mogelijk gezegd dat hij het er zelf ondanks haar ellende, niet echt makkelijk mee had. Waarop de coassistent met een briljante oplossing kwam voor een aan bed gekluisterde negentigjarige kankerpatiënt: 'Waarom doet ze het eigenlijk niet zelf?'

"Daar hebben we dertig jaar voor gestreden", zucht S., "maar voor die generatie is euthanasie een of ander Grieks eiland dat we aan de tachtigjarige kredietoorlog hebben overgehouden, je weet wel, die oorlog waarin de Amerikanen het zo lang volhielden op de Grebbelinie, halverwege de Afsluitdijk, iets ten zuiden van Haarlem onder leiding van Kenau Hasselaar of was het Hannie Schaft?"

In de zusterpost roept broeder Hans "O shit!" en legt de telefoon met een klap op tafel. Hij legt zijn agitatie uit. Dit is pas zijn tweede week bij ons en hij zit niet vaak aan de telefoon, maar die paar keer dat hij hem nu heeft aangepakt, noemt hij steeds zonder de minste aarzeling zijn vorige werkgever, een bekende begrafenisondernemer. "Als ik nou bij een ijzerhandel werkte was het niet zo erg, maar om vanuit een verpleeghuis te roepen dat ze met uitvaartverzorging te maken hebben valt natuurlijk niet goed bij de klant. Al gaat het hier, indirect dan, wel vaak om uitvaartverzorging natuurlijk."

"Zeker", zegt zuster Mieke, "maar dan is het hele leven een omweg naar uitvaartverzorging." Hans legt uit waarom hij het begrafeniswezen vaarwel heeft moeten zeggen. Er heerst grote malaise in die business. Landelijk sterven er jaarlijks 4 procent minder mensen en in Amsterdam is er zelfs sprake van een uitermate zorgwekkende stervensdaling van 10 procent. "Mensen weten gewoon niet meer wat goed voor ze is!", roept hij pathetisch. "Er wordt nog nauwelijks gestorven." De begraafindustrie gaat op de schop, de groten slikten jaren geleden de kleintjes op, maar nu er ontslagen vallen, beginnen de ontslagen werknemers niet zelden voor zichzelf en zo keren de kleintjes weer terug. Hij kijkt mij met een schattende blik aan en probeert mijn sterfelijkheid zo nauwkeurig mogelijk in te schatten. "Volgens mij ben jij al een stukkie over de zestig en ik zal je één ding zeggen: het begrafeniswezen ziet reikhalzend uit naar jouw generatie, want die gaat binnenkort voor de bijl."

"Hoezo binnenkort?" roep ik gestoken, "kijk naar je eige!"

Op de afdeling blijkt meneer M. wel degelijk in de gaten te hebben dat het hoogzomer is. Hij voelt het in de lucht als het ware, vakantie, eropuit! Ik geef hem mijn dagelijkse hand en hij zegt ongevraagd: "Ja, we komen hier elk jaar een week of drie, doen we al jaren."

Meneer M. hoort hier eigenlijk niet. Hij is dementerend en wacht op een plekje elders. Tegenover hem zit de kraakheldere, maar veel oudere, meneer V. Met een medelijdende blik op zijn dwalende medebewoner zegt hij tegen mij: "De tijd is een meedogenloze jager die je je hele leven volgt en op het laatst in het nauw drijft." Hij voegt er snel aan toe dat het een citaat is. Meneer V. is achtentachtig en strijdt vergeefs om na een ingewikkelde botbreuk weer overeind te komen. Hij is woedend op zijn lot. Ik leg hem uit dat hij worstelt met de ouderdom zoals Oscar Wilde die beschreef, maar zelf nooit meemaakte: The trouble with getting old is that one doesn't. "Dat wil zeggen, uw lichaam veroudert, maar uw geest niet. Wat u zou willen is dit vervelende lijf van u afschudden zodat u kunt terugkeren naar het leven dat u eigenlijk behoort te leiden. Maar dat gaat niet."

God, wat weet ik dit allemaal goed. Gaat iemand dit onder mijn neus wrijven straks als ik zelf oud ben en machteloos zit te foeteren in een lichaam dat niet meer kan?

"Ga maar even zitten dan zal ik je in je eigen woorden voorlezen wat je probleem is."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden