HET HEK IS VAN DE DAM

Op 4 april schreef de oud-historicus H. S. Versnel in het artikel 'Heil uit de heidenen' dat "ideeen die leefden in de heidense wereld van de eerste eeuw na Christus hebben peet gestaan bij een van de meest fundamentele geloofsartikelen van het christendom: de interpretatie van Jezus' kruisdood als heilbrengend en plaatsvervangend zoenoffer" . Er kwam een stroom van reacties: instemming, kritiek, misnoegen. Vandaag sluit Versnel de discussie, zoals ooit Gerard Reve de dagsluiting verzorgde: "als ik de dag sluit, gaat ie nooit meer open" .

In 1881 werd professor William Robertson Smith ontslagen van de leerstoel Oude Testament van Free Church College te Aberdeen. Hij had betoogd dat de eerste vijf boeken van het Oude Testament onmogelijk alle van de hand van Mozes konden zijn. Dat werd, zoals men begrijpt, echt een beetje te gek en omdat hij zijn werkgevers niet hun zin gaf, kreeg hij de zak. Hij verhuisde naar Cambridge, besteeg daar de leerstoel Semitistiek en werd wereldberoemd met een studie over het kameeloffer bij de Arabieren. Heil uit de heidenen, zal ik maar zeggen.

Meer dan honderd jaar later, om precies te zijn op 25 april 1992, lees ik in Trouw dat de redactie van een Nederlands reformatorisch dagblad gekapitteld wordt omdat ze aandacht besteedde aan een doctoraalscriptie waarvan de inhoud afwijkt van de kanonieke visie op een onderdeel uit de reformatorische geschiedenis. En Kuitert barst bijkans uit de kerk, maar zijn eigenlijke naam blijkt Satan.

Van dit allooi zijn nogal wat reacties op mijn stuk. Bij voorbeeld die van de Urker visser Kramer. Een schok van herkenning, het is of K. Norel hem geschreven heeft: zwarte kousen op een wit leren bankstel. Maar hij heeft wel het grootste gelijk van de vismarkt. Wie eenmaal heeft afgesproken dat de Bijbel van kaft tot kaft een samenhangende, complete en ongedifferentieerde waarheid biedt, kan zich daar beter aan houden. Wie daarin historische nuances wil aanbrengen krijgt de zak. Dus word ik bedolven onder een regen van citaten van Genesis tot en met Openbaring, met 2 Timotheus 4:3-4 als topper. Kijk dan, het staat er toch? Wat wil je nou? En vooral: wat bezielt je nou?

Ik neem dit fundamentalisme serieus en ik heb me gehaast een bijdrage te storten. Een tientje, want het moet ook weer niet te gek worden. Ik draag ook bij aan het behoud van de laatste vierkante meter Nederland waar het zinkviooltje zijn bestaan rekt, aan ondersteuning van instortende historische monumenten en als er een fonds was voor het behoud van de Internationale, deed ik ook mee. Al was het maar om die Rottenberg te pesten. Relicten uit een onherroepelijk voorbij verleden. Die toch moeten blijven, vind ik, als levende herinnering, als studieobject en misschien toch ook als luis in mijn pels.

Ik propageer ook al jaren dat men een groot hek zet rondom het gebied van de Yanomano, die Indianen die elkaar bij wijze van ontspanning keihard met een boomstam op de kop slaan. Afblijven en laten modderen. Net als de steltkluut.

Nee, lichtzinnige lezer, ik vergelijk niet zware broeders met Indianen of Indianen met bedreigde diersoorten, ik beschrijf vergelijkbare uitzichtloze situaties die bij mij onweerstaanbaar de notie 'tragiek' oproepen.

Hoofdredacteur Jan Greven heeft eerlijk en moedig de twee alternatieven voor de hedendaagse gelovige geschetst. Of je houdt ramen en luiken dicht, maar dan ook potdicht. Het gaat wel een beetje muf ruiken, maar het blijft lekker warm. De rust wordt, volgens de brief van een lezer, door niets bedreigd: 'Wat wilt U hiermee winnen: de geloofsafval bevorderen, door onzekerheid te scheppen onder de dekmantel van wetenschap?' Requiescant in pace. Of men zet de ramen open. Op een kier of wijd. Lekker fris wel. En je hebt tenminste de tijd om een stel oorwarmers aan te schaffen voor als de wind aanwakkert. Kijk maar naar de Gereformeerde Kerken. Daar worden thans zeer veel oorwarmers gedragen want het is daar stormkracht geblazen. Ik vind deze frisse gelovigen veel herkenbaarder, maar minder tragisch vind ik ze niet.

Recentelijk heeft ds. A. M. Lindeboom betoogd dat de Gereformeerde Kerken vooral door hun dominees in het ongelovige slop zijn terechtgekomen. Ik geloof het niet echt, maar er zijn natuurlijk belhamels en hekkesluiters, zoals - om in gereformeerd milieu te blijven - respectievelijk Kuitert (die overigens allang bij nog snellere lopers heeft moeten afhaken) en Ridderbos.

De laatste neem ik even apart, omdat hij uitvoerig gereageerd heeft met een regen van teksten en met een schier goddelijke donder en bliksem. Hij vertegenwoordigt de stereotiepe reacties van de rechtervleugel en hij vindt het allemaal erg.

Als iedereen nu even grondig het betoog van Ridderbos leest als onze Urker visser zijn drie preken beluistert ('het meeste valt je mis'), vrees ik dat menig lezer na afloop denkt: 'Alles kits, niks aan de hand, ik kan weer rustig onder zeil. Die Versnel is dus gek. Die kent zijn Bijbel niet'. Ik zou deze conclusie betreuren, en dat ik dat doe heeft iets met mijn bezieling te maken. Maar daarover straks.

Ik schreef: "De voor ons meest relevante en ondubbelzinnige, in de evangelien opgetekende uitspraken van Jezus zijn de welbekende eucharistiewoorden (Markus 14:22-25; Mattheus 26: 26-29; Lukas 22: 15-20)" .

Dat tal van nietsvermoedende lezers, tot in advertenties toe, mij triomfantelijk of honend met de overbekende centrale teksten van het Johannesevangelie om de oren slaan neem ik hun niet kwalijk. Dat de gereformeerde hoogleraar Ridderbos dit met paukgeroffel en bazuingeschal doet, wel.

Ik zit hier met een niet onaanzienlijk probleem: weet hij niet dat het Johannesevangelie, als het gaat om de historische situering van dergelijke centrale thema's, eenvoudig pas mag meedoen als het ergens parallel loopt met de drie andere (zogenaamde synoptische) evangelien? Dat al die geciteerde Johannesche teksten evident uit de schoot van de 'Johannesgemeente' (en dat was een beetje vreemde gemeente; je moest eens weten wat er al niet met die veel geciteerde slang is gebeurd) komen en hoogstwaarschijnlijk eerst tegen of zelfs na 100 na Christus in het verhaal beland zijn en dat deze theologische pronkstukken als historische bewijsplaatsen ten aanzien van onze vraagstelling praktisch onbruikbaar zijn?

Weet hij niet dat een van de weinige wel in alle vier de evangelien parallelle verhalen nu juist het lijdensverhaal is en dat het nu dus wel van groot belang is dat het Johannesevangelie met zijn veelal onafhankelijke traditie de bekende Jezuswoorden juist hier (daarop doelde natuurlijk mijn opmerking over het ontbreken van de uitspraak bij Johannes) niet heeft? Of wil (of erger: mag) hij het niet weten?

De gemiddelde lezer vermoedt niets. Hij denkt: 'Kijk die Ridderbos eens lekker scoren, met al die teksten'. Mooi niet dus. Er is niet een tekst in dit gedeelte werkelijk relevant voor de huidige discussie. En ik vind dat behoorlijk erg. Maar nog niet zo erg als wat volgt. Zijn betoog verglijdt in een soort belijdenis: de evangelische verhalen maken geleidelijk aan steeds meer duidelijk 'hoe Jezus de weg naar het kruis moest gaan, als door de Vader gewezen'.

Ja dat wist ik. Maar waar gaat het nu eigenlijk om in de huidige discussie: een theologisch-exegetische analyse van hoe de evangelien dit verloop schetsen en hoe de gelovige dit in 'voluit bijbelse prediking' het liefst opgediend krijgt, of een analyse (hoe gebrekkig ook) van de historische setting van de verschillende elementen?

Markus 10: 45: 'zijn leven te geven als een losprijs voor velen', door Ridderbos als kroongetuigenis aangevoerd, is aantoonbaar van late datum en kan niet zo door Jezus of Zijn naaste omgeving zijn uitgesproken. En zoals Ridderbos' beroemde professor Jeremias heeft aangetoond dat de avondmaalswoorden op het Paasofferlam waren gebaseerd, zo heeft mijn niet minder beroemde professor Deissmann aangetoond dat 'losprijs voor velen' een alleen vanuit de Griekse cultuur begrijpelijke uitspraak is. En zelfs als Jeremias gelijk zou hebben (maar ik kan 783 recente geleerden opnoemen die vinden van niet), is daarmee nog absoluut niets gezegd over de door Ridderbos weer met een gigantische cirkel omslopen vraag op welk moment dit element dan in het verhaal is terechtgekomen.

Dat doet hij steeds: hij neemt met even grote vanzelfsprekendheid aan dat woorden in de evangelien gewoon uit de tijd en context stammen waarin ze in het verhaal geplaatst zijn, als behoudende bijbelgeleerden van voor Robertson Smith meenden dat de vijf eerste boeken van de bijbel door Mozes zijn geschreven. Nou, dat kan dus echt niet.

Hoe vreselijk erg dit allemaal kan worden, illustreer ik met een voorbeeld, dat iedereen, Bijbel in de hand, kan volgen. Daartoe citeer ik Ridderbos letterlijk: "Als Jezus, aan het laatste avondmaal, te kennen geeft dat hij moet sterven, wil Petrus daarvan niet horen en zegt hij: 'Ik zal mijn leven voor U geven!' ('voor' U, Grieks huper = ten behoeve van, in de plaats van), Johannes 13: 38. En 'desgelijks spraken ook al de discipelen', Mattheus 26: 35." Einde citaat.

Kijk eens aan, zo concludeert de nietsvermoedende lezer, daar staat het toch maar en niet alleen in Johannes, maar bij Mattheus zeggen de discipelen het zelfs mee. Opzoeken jongens, en wat zien we? In de drie synoptische evangelien komt drie maal vrijwel dezelfde uitspraak van Petrus voor, die luidt: 'Zelfs al moest ik met (Grieks sun of meta, samen met!) U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen'.

Dat zei Petrus en dat zeiden de door Ridderbos zo demagogisch opgeroepen 'Galilese vissers' mee. Ze hadden geen idee van 'sterven voor' of 'in plaats van'; huper in deze context komt alleen bij Johannes voor, die deze huperchristologie zelf later mee tot ontwikkeling heeft gebracht en alom in zijn evangelie heeft rondgestrooid. Kijk, van zo'n tekstmanipulatie, daar word ik nou eens 'onbezadigd' van. Het is een gratis advertentie voor de in de Hervormde Kerk zo omstreden duplex ordo.

Beste rechtzinnige lezer, bent u daar nog? Wilt u nog even niet rustig onder zeil gaan, maar alstublieft nog een beetje zenuwachtig blijven? "Met Pasen wordt iedereen een beetje zenuwachtig" , zei een veilingmeester in eieren in Trouw van 18 april. Een van diens afnemers waarschuwde hem 'je geeft me geen bruine voor witte'. En u hebt zelf kunnen waarnemen dat u door Ridderbos tot dusver bruine voor witte, knollen voor citroenen, zijn verkocht. Blijf dus nog even aan de lijn.

Geheel andere koek zijn die oud- en nieuwtestamentici, 'de dwaalleraars', die zich allereerst tekstkritisch, historisch, godsdiensthistorisch bewegen en dan wel zien wat er theologisch nog te kluiven valt (of die hun kerkelijke collega's met de brokken opschepen). Daarvan heb ik ook verschillende reacties gehad, een iets ruimere in enkele punten van Vos en twee die meer toegespitst zijn op mijn laatste hoofdstelling, van De Jonge in Hervormd Nederland en van Van Henten in deze krant. De laatsten betogen vrijwel hetzelfde en dat kon ik voorspellen, want we zijn goede kameraden, hebben op het genoemde onderdeel samengewerkt, onder andere in een door Van Henten geredigeerde bundel over het martelaarschap, Die Entstehung der judischen Martyrologie (Leiden 1989) en in een door mij geredigeerd deel van het tijdschrift Lampas (22, 1989) over de joden in de antieke wereld. Zij behoren typisch tot Grevens alternatief: ramen wijd open, frisse wind. Het praat een stuk makkelijker, maar eens hoef je het niet te zijn.

Over mijn stellingen dat de heilsinterpretatie van Jezus' dood pas na Zijn dood is ontstaan, dat daarin vooral Paulus de hand had, dat het model voor deze interpretatie niet in de kanonieke boeken van het Oude Testament (dus ook niet in Jesaja 53) gezocht kunnen worden, dat er wel een bijdrage van motieven uit de de klassiek-Griekse literatuur was, zijn in ieder geval De Jonge en Van Henten het con amore met mij eens. Dat betreft tweederde deel van mijn betoog.

Oneens zijn zij het met mijn verklaring van de onafhankelijke en massieve exploitatie van deze gedachte door de joodse schrijver van 4 Makkabeeen en de joods-christelijke Paulus (inclusief andere apostolische brieven, met name die aan Hebreeen) in de eerste eeuw na Christus vanuit de contemporaine hellenistischRomeinse mentaliteit. Zij zien hier eerder een intern-joodse ontwikkeling waarvoor ze twee (Van Henten) of drie (De Jonge) teksten in de tweede eeuw voor Christus menen te kunnen aanwijzen.

Nu is het buitengewoon leerzaam om even de verschillen te signaleren in de reacties van deze drie moderne nieuwtestamentici ten aanzien van Jesaja in het Nieuwe Testament. "Volkomen correct" , oordeelt De Jonge over mijn stellingname: "In de vroegste christelijke uitspraken over Jezus' dood is van invloed van Jesaja 52: 3 inderdaad niets te merken. Die invloed duikt pas achteraf, o.a. in Romeinen (57 na Chr.) 4. 25 op" . Dat is klare wijn.

Wat schrijft nu Van Henten? "Dat neemt niet weg dat in het NT gebruik is gemaakt van Jesaja juist in passages waar de schulddelgende betekenis van het sterven van Jezus uitgedrukt wordt." Slechts schoorvoetend geeft hij vervolgens toe: "Voor de oudste passages in het NT kan het teruggrijpen op Jesaja nauwelijks (mijn cursivering, H.S.V.) aangetoond worden" .

Hier doemt al een lichte grauwsluier op, die bij Vos tot een ondoorzichtig gordijn wordt omgeweven: "In welke mate Jesaja 53 in het vroege christendom tot steen der wijzen is geworden, is in het NT onderzoek omstreden, maar dat dit het geval is geweest staat buiten twijfel" .

Beste vrijzinnige lezer, bent U daar nog? Ziet U hoe bij een vergelijking van drie toch redelijk geestverwante geleerden geleidelijk het kernmoment van de datering wordt verdonkeremaand om plaats te maken voor het in onze discussie niet relevante gegeven dat Jesaja (ergens, ooit?) van invloed is geweest? Ziet U hoe moeilijk het allemaal blijkbaar is of hoe moeilijk men het hiermee kan hebben? En hoe zelfs in deze verlichte kringen interpretatie kennelijk afhankelijk is van invalshoek en achtergrond (ook bij mij natuurlijk)? Interessant toch?

Beste rechtzinnige lezer, haakt U nog even niet af? Ik hoor u denken: "Als de geleerden het zo oneens zijn, houd ik me maar liever aan de letter" . Maar er is geen letter. Het enige wat er is, is interpretatie, of dat nu in drie paaspreken op Urk is of in een hoogstwetenschappelijke discussie, of in je eigen binnenkamer. Er is geen komma in de Bijbel waarover niet een boekenkast van commentaren is geschreven en waarover niet iedereen het oneens is met iedereen. Wie zelfs dat niet wil zien moet en de luiken dichthouden en oorwarmers opzetten. Maar dan wordt het wel heel warm.

VERVOLG OP PAGINA 18

Mijn heidens materiaal wordt met name door Van Henten afgekeurd omdat het vrijwel geheel uit de tweede eeuw na Christus zou stammen. Dat argument gaat dunkt me niet op. Er is voldoende uit de vroege keizertijd om mijn these te onderbouwen. De verbreding van deze stroom in onze bronnen in de tweede eeuw onderstreept de continuteit en massiviteit van het verschijnsel, neemt echter de aanwezigheid in de vroege eerste eeuw niet weg en kan met name niet door een opponent in het veld gebracht worden die zich zelf op niet meer dan 2 (twee) disparate (mijns inziens niet echt bewijskrachtige) plaatsen uit de tweede eeuw voor Christus kan beroepen. Van de drie bewijsplaatsen uit de tweede eeuw voor Christus die De Jonge aanvoert houdt Van Henten er terecht twee over. Vos wijst erop dat ik mij in de twee bovengenoemde uitvoerigere artikelen veel genuanceerder en terughoudender heb uitgelaten. Dat is zo en het kan vreemd gaan met deze dingen. In mijn stuk schreef ik dat een plaatsvervangend en verzoenend lijden in de vroeg-joodse traditie niet met enige zekerheid kan worden aangetoond voor het vierde boek der Makkabeeen (1e eeuw na Christus). In de oorspronkelijk aan Trouw ge

zonden versie tekst stond daar een kleine uitwijding bij met vermelding van twee (apocriefe) plaatsen waarin het anders leek, maar mijns inziens niet anders was, uiteraard precies de twee door Van Henten aangevoerde passages uit Daniel en 2 Makkabeeen.

Zoiets moet je echter niet doen in een dagbladartikel. Je had het gezicht van redacteur Vink moeten zien: 'Gaan we geleerderig doen? 't Is een krant, hoor: weg ermee!'. Ik vond dat na enig beraad ook wel en vind het nog. De reden is dat ik nog maar eens de vele pagina's heb herlezen uit de meest uitvoerige van de door mij genoemde studies over deze problematiek (Williams), die ik in de boven genoemde artikelen uitvoerig aan het woord heb gelaten. Want wat ik als niet-vakman vind is onbelangrijk, maar hoe kan nou een specialist zoals deze Williams (en hij is een van velen) deze teksten kennen en behandelen, en nochtans tot de door mij geciteerde conclusie komen: "Het idee van plaatsvervangend, verzoenend lijden was blijkbaar niet algemeen bekend onder joden van de eerste eeuw na Christus. In feite kan het met zekerheid slechts in een joods geschrift van 70 na Christus worden aangetoond. En dat is 4 Makkabeeen."

De reden is dat hij, net als ik, weliswaar zekere formele overeenkomsten niet ontkent, maar dat de twee door Van Henten (en De Jonge en anderen) geciteerde plaatsen naar ons eerlijk inzicht niet uitdrukken wat de volledig ontplooide theologische uitdrukkingen bij Paulus en vooral 4 Makkabeeen er van maken. Er is - en ik geloof dat dat grote nadruk verdient - een grens aan de relevantie van puur terminologische gelijkenis. Het spijt me buitengewoon dat ik dit hier niet in den brede kan uitleggen. Van Henten mag zich in een bladzijde concentreren op dit thema, ik heb helaas vogels van diverse pluimage te woord te staan.

In hoofdzaak komt het hierop neer: In Makkabeeen 2 (tweede eeuw voor Christus) komen termen als 'sterven voor de wet' voor. Deze komen zowel volgens Van Henten als volgens mij regelrecht uit Griekse voorbeelden. Maar ze betekenen zonder uitzondering zoiets als 'tot hoger eer van', 'in naam van', 'om niet te verloochenen'. In dit verband wordt een keer door een martelaar de hoop uitgesproken dat "in mij en mijn broers de toorn van de Albestuurder, die terecht ontbrand is over heel ons volk, tot een einde komt" (2 Makkabeeen 7: 38).

Nergens, ook niet op deze plaats, staat dat de dood van de martelaren gevergd wordt om als plaatsvervanging voor het heil van anderen of het hele volk te dienen. Nee, de martelaren kunnen door hun dood een grotere pressie op God uitoefenen en als schuldeloos (ook dat was nog een hele kluif voor de joodse voorstelling) lijdenden Hem smeken om genade te tonen.

Dit is de ook voor Daniel 3: 23 wel voorgestelde interpretatie van de 'voorbede'. Ten aanzien van deze plaats geeft De Jonge dan ook toe: "Het gaat hier wel om lijden van rechtvaardigen, maar niet om het plaatsvervangend en verzoenend sterven van martelaren" . En nu juist in deze twee kernpassages komt de Griekse uitdrukking huper niet voor.

Dat is wel het geval in de twee plaatsen bij Paulus (1 Korinthe 11: 23-24 en 1 Korinthe 15: 3) die door verscheidene reagenten worden aangevoerd om aan te tonen dat hij de notie 'sterven voor' in verband met de dood van Jezus reeds in de joodse gemeente voor hem aantrof. Helaas, zijn ze, zoals iedere specialist ook toegeeft, in hoge mate ondoorzichtig en discutabel. In de eerste tekst staat alleen van het brood 'dit is mijn lichaam, dat (hetgeen) voor jullie' (en dat zegt op zich nog niets); het bloed wordt slechts als gedachtenis genoemd. In het tweede staat dat Jezus 'gestorven is voor onze zonden' waarin in ieder geval huper een andere betekenis moet hebben: 'om te betalen voor'.

Er is dus sprake van een zeer vage en ongefixeerde betekenis van het beide keren gebruikte huper. En ik ben niet de eerste die zich afvraagt of dit nu wel echt een vertaling vanuit het Aramees kan zijn, en zo ja, van wat, en wat dat dan mag hebben betekend. Mijn opponent De Jonge vraagt zich zelfs eerlijk af "of in het Aramees voor 30 na Christus uitdrukkingen als 'sterven voor' of 'zich overgeven voor' voorkwamen" . Als er dus na Pasen geexperimenteerd werd met deze gedachte (en dat ontken ik niet), dan is dit waarschijnlijk binnen een Griekstalige gemeente en dat brengt ons dus voor onze discussie weer terug bij af.

Samenvattend constateer ik dat enerzijds de aangevoerde twee testimonia vanuit de joodse traditie - voor zover al relevant - volstrekt gesoleerde en onnadrukkelijke, ja argeloze brokstukken zijn. Er is geen doorlopende traditie bespeurbaar: de drie synoptische evangelien die toch aanleiding genoeg hadden om in de centrale aankondigingen van het lijden deze uitspraken te exploiteren weten van niets. Waarom niet? Omdat de gedachte niet echt leefde in de joodse cultuur en in feite ook werd afgewezen.

Maximaal kan men met Hengel (1981, 60), over de offerinterpretaties van de dood der martelaren in 2 Makkabeeen zeggen: These are only hinted at (Het is niet meer dan een toespeling).

Overigens heb ik in de bovengeciteerde artikelen voorgesteld dat we deze 'hints' wel voorzichtig laten meeklinken; in mijn Trouwstuk doelde ik met 'rudimenten geleverd door de joodse traditie' en met 'het joodse hart' onder andere op deze gevallen. Maar zelfs als je dat doet, verandert mijn hoofdthese nog niet wezenlijk, zoals we nu zullen zien.

Zelfs als we de twee passages zonder voorbehoud zouden accepteren als een verre voorafschaduwing van de uitspraken over Jezus' dood, dan nog kun je zo niet verklaren waarom in 4 Makkabeeen en het Paulinische corpus een volledig uitgewerkte en centrale 'theologie' van plaatsvervangende offerdood in de eerste eeuw opduikt. In mijn reactie aan De Jonge in Hervormd Nederland heb ik dit vergeleken met het ontstaan van Darwins Origin of Species. Stel je vindt daarvan in eerdere literatuur enkele voorafschaduwingen (die zijn er). Is daarmee verklaard a) het ontstaan van dit werk b) de immense invloed die het had in de rest van de 19e eeuw (en nog)?

Nee natuurlijk; dat laatste kan slechts worden verklaard - beter: genterpreteerd - tegen de achtergrond van een algemeen vooruitgangsgeloof dat zich juist in deze periode en soms vanuit heel andere context breed maakt.

Wanneer we in de jaren zestig en vooral zeventig van deze eeuw de bevrijdingstheologie zien doorbreken, 'verklaren' we dat dan uitsluitend vanuit eerdere signalen, bij voorbeeld Bonhoeffer, of moeten we dat zien in het licht van een algemene, ook buiten-theologische mentaliteit van opstand tegen gezag, vrijheidsideologie, altrustische stromingen e.d.?

Uiteraard zijn beide benaderingen gewenst en ik heb geen enkele moeite om de rudimenten in de joodse voorgeschiedenis te laten meeklinken, zoals ik expliciet (elders explicieter dan hier) heb geschreven.

Jammer, maar we kunnen dit hier niet uitvoeriger bespreken. Maar ik heb een idee: De Jonge, Van Henten en ik gaan er een mooi boek over schrijven. We zoeken de zaak tot op de bodem uit en ik wed dat we het wel eens worden. Van het vele daarmee verdiende geld gaat een (klein) deel naar Urk. Maar het is niet het enige boek dat nodig is. Want we zaten nog met een heel ander probleem.

Wie eens op verzoek van een redacteur een rede aan een krant heeft afgestaan die nogal wat pennen in beweging bracht, is nog niet jarig. Zo'n redacteur wil nog een stuk en blijft zeuren. Voor mij hoeft het echt niet zo nodig. Ik had het me ook veel makkelijker kunnen maken: hemel en hemelvaart, hel en hellevaart, maagdelijke geboorte, Godszoonschap, het zijn allemaal thema's waarover meer eensgezindheid heerst. Althans in sommige kringen.

Dat het thema 'sterven voor' in het jodendom van de tweede eeuw voor Christus regelrecht aan Griekenland is ontleend, wordt door mijn belangrijkste opponenten geen moment betwijfeld: had ik het daarbij gelaten, ik had zelfs de titel van mijn stuk niet hoeven wijzigen. En hoe Grieks Paulus wel was laat zich op vele interessante manieren aantonen: de hemelse stem die hem voor Damascus toesprak, citeerde vlekkeloos Euripides en werd door Paulus donders goed begrepen.

Ik vraag me af hoe het met deze alternatieve onderwerpen zou zijn gelopen. Niet veel anders, denk ik. Want toen ik boven schreef dat je over God wel, maar over Jezus niet alles mag zeggen bedoelde ik dit: God is zo groot dat Hij een beetje vaag wordt. Die kan wel tegen een stootje. In de formulieren des geloofs is Hij bovendien sterk ondervertegenwoordigd.

Van Jezus wisten we, dachten we, vrij veel en ook vrij veel zeker. Hij is tastbaarder, want historisch en menselijk. Hij is ook het unieke punt van onderscheid tussen ons en andere godsdiensten. Dat wat je onderscheidt van anderen verdedig je altijd feller dan wat je gemeen hebt. Het gaat uiteindelijk om je identiteit.

En, inderdaad, Jezus is uniek. Maar misschien bovenal: we (en ik bedoel nu: gelovigen en ongelovigen) houden meer van Jezus dan van God. 'Zie de mens' en 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten', zijn voor iedereen herkenbaar en diep ontroerend, dat ben ik helemaal met Schulte Nordholt eens.

Maar waarom dan hierover? Nou, het liep tegen Pasen. Dat in de eerste plaats. En ik dacht, misschien vinden ze het wel interessant. In het algemeen echter wordt mijn keuze voor dit soort onderwerpen, behalve door het blad dat om een stuk vraagt, vooral bepaald door mijn overtuiging dat geloof (en ongeloof) getoetst moet worden. Op houdbaarheid. Bij te langdurig te warm bewaren dreigt broei en bederf en volgt er een waarschuwing van de keuringsdienst van waren. Dan is de volksgezondheid in gevaar. Daarom kan een regelmatige privetest in de binnenkamer geen kwaad.

Want een van de dingen die de mens tot mens maakt, is het aanvaarden van zijn eigen (bescheiden) verantwoordelijkheid. Dat gaat alleen met ogen en oren open, want de mens moet verder of hij het leuk vindt of niet en vaak is het niet leuk.

Een geloof dat een dergelijke test afwijst degradeert de mens tot onvolwassenheid. Dat kan Gods bedoeling niet zijn geweest. En Jezus zou het vast ook niet willen, denk ik. Want ramen noch luiken, oorwarmers noch oogkleppen, noch banvloeken kunnen uiteindelijk de orkaan tegenhouden die aan het opsteken is. Want het hek is van de dam. Men kan zich maar beter voorbereiden.

Als volgens vele moderne theologen Jezus niet uit een maagd geboren is, niet is opgestaan uit het graf, niet in den vleze ten hemel gevaren is, als hij tijdens zijn leven noch als Godszoon werd gezien noch zelf wist dat hij met zijn dood anderen zou redden. Als dit allemaal na zijn dood bedacht is. Als de Lubavitcher chassidische joden thans zeker weten dat rebbe Menachem Mendel Schneerson de Messias is en vrezen dat alleen een tweede beroerte het Godsrijk nog kan tegenhouden (Trouw 17 april 1992). Als...., als ... Dan is het toch niet zo gek als we ons zo'n enkele keer in ons leven afvragen wat ons nog rest? Bij voorbeeld tegen Pasen?

Ik ga dus nog een boek maken. Daarin nodig ik de belangrijkste Nederlandse bijbelgeleerden uit om a) te vertellen wat ze nu precies vinden van de zojuist genoemde aloude geloofsformules b) hoe ze het met de brokken in hun persoonlijk geloof redden.

Maar verder houd ik ermee op. Als jullie het niet waarderen, basta. Jammer, helemaal klaar was ik nog niet, maar ik wil uiteindelijk ook de nieuwe (en weinig benijdenswaardige) VU-hoogleraar in de Heilige Geest niet voor de voeten lopen. Wel zal ik nog een artikel voor Trouw schrijven. Hoe de plaatjes eruit zullen zien weet ik niet, want daar ga ik niet over. Maar de titel weet ik al: 'Heil uit de joden'.

Trouw bundelt het artikel 'Heil uit de heidenen' van H. S. Versnel, de brieven en de reacties op dit artikel, en bovenstaand antwoord van Versnel, 'Het hek is van de dam', in een binnenkort te verschijnen boek. Lezers van Trouw kunnen de bundel bestellen door 9,50 over te maken op girorekening 91133 t.n.v. Trouw Amsterdam onder vermelding van 'Versnel 92'. De bundel wordt uiterlijk 15 juni toegestuurd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden