Het heerszuchtige molecuul

DNA is het meest heerszuchtige molecuul uit de natuur. Vanaf het moment dat het drieënhalf miljard jaar geleden voor het eerst zijn gezicht liet zien, heeft het zijn biologische wetten opgelegd aan al wat leeft. Destijds maakte de erfelijkheidsdrager weliswaar een nederige entree; hij omringde zich met slechts een handjevol zelfgemaakte eencelligen. Maar gaandeweg heeft hij een compleet planten- en dierenrijk om zich heen geboetseerd, met als hoogtepunt de mens.

Sander Becker

In 1869 is het molecuul voor het eerst waargenomen door de Zwitserse bioloog Johann Meischer - overigens zonder dat deze het besefte. In de kern van lichaamscellen ontdekte de Zwitser een witte substantie die hij nucleïne noemde. Omdat deze stof in grote hoeveelheden aanwezig bleek in het sperma van vissen, werd hij later spermine gedoopt. Meischer, die op zoek was naar een molecuul dat erfelijke eigenschappen kon dragen, hield er vreemd genoeg totaal geen rekening mee dat dit spermine wel eens de heilige graal kon zijn. Daarvoor leek het stofje hem te bescheiden en eenvoudig.

Een lelijke vergissing, want in 1944 werd ontdekt dat het suffe goedje wel degelijk eigenschappen kon overbrengen van de ene bacterie op de andere. Daarmee was het DNA ontmaskerd als drager van de erfelijke informatie. Het kon niet lang meer duren voor het molecuul zijn machtige positie moest opgeven. Miljarden jaren had het ongestoord kunnen regeren over alle erfelijke eigenschappen uit de natuur, maar nu zou het een knieval moeten maken voor de dominante mens. Het kreeg een afschuwelijke naam toegewezen (desoxyribonucleïnezuur) en zou een speelbal worden van genetici en biotechnologen - die hij nota bene zelf had gekneed!

Voor het zover was, moest het erfelijk materiaal echter nog één geheim prijsgeven: zijn structuur. Het waren de Britten James Watson en Francis Crick die hem hiertoe overhaalden. Zo kregen ze in 1953 te zien dat het molecuul de vorm heeft van een wenteltrap, bestaande uit twee lange ketens van suiker- en fosforgroepen, met daartussen -als traptreden- de baseparen adenine-thymine en guanine-cytosine. Dit model rekende af met alle raadsels rond het molecuul en effende gelijk het pad waarover de genetica en de biotechnologie hun opmars konden maken.

De nieuwste sector waaraan het gekraakte DNA wordt onderworpen, is de rechtspraak. Het oplossen van misdrijven kan immers een stuk eenvoudiger worden als het DNA alvast iets over de dader zou verraden. Minister Korthals van justitie heeft dat uitstekend in de gaten. Op 30 mei maakte hij bekend dat hij ruimte wil creëren voor een nieuwe manier om daders op te sporen. Met behulp van DNA dat op de plek van het misdrijf is achtergebleven, zouden deskundigen uit het Nederlands Forensisch Instituut (voorheen Gerechtelijk Laboratorium) in Rijswijk erin moeten slagen om een profiel van de dader op te stellen: een keurig lijstje met geslacht, oog- en haarkleur, etnische afkomst, leeftijd en lengte.

Hoe voortvarend de minister zich ook in de strijd werpt, voorlopig is het ondoenlijk om via de genetica iemands uiterlijk te reconstrueren. Het DNA zelf is er deels wel toe in staat, maar de mens heeft nog niet voldoende kennis verzameld. De analyse van het DNA heeft zich vooral gericht op ziektegenen; normale uiterlijke eigenschappen zijn nog nauwelijks bestudeerd.

Iets eenvoudigs als het genetische verschil tussen een man en een vrouw is wél snel te zien. Zelfs de etnische afkomst blijkt soms te achterhalen; op het Y-chomosoom, dat alleen bij mannen voorkomt, liggen namelijk variaties die specifiek zijn voor bepaalde bevolkingsgroepen. Van het blanke, Kaukasische ras zijn die goed in kaart gebracht, dus een blanke verkrachter haal je er zo uit. Van de overige etnische groepen is slechts mondjesmaat iets bekend, maar het duurt hooguit vijf jaar voor deze informatie beschikbaar komt.

Ook de oog-, haar- en huidskleur leveren naar verwachting weinig problemen op als de genen hiervoor eenmaal zijn opgespoord. Daarentegen is het zeer de vraag of leeftijd en lengte ooit uit het DNA zijn af te lezen. De eerste eigenschap is hooguit indirect te bepalen aan de hand van slijtage in het DNA, de tweede hangt sterk af van iemands voedingspatroon.

Het is voor het DNA-molecuul wellicht eervol dat voor een daderreconstructie gebruik moet worden gemaakt van genen. Tot nu toe werkte het forensisch instituut alleen met het materiaal dat tússen de genen ligt: het zogeheten junk-DNA. Dit materiaal, dat zo'n 97 procent van het DNA uitmaakt, bevat geen serieuze erfelijke informatie; het lijkt puur dienst te doen als opvulsel. Justitie kan er echter handig gebruik van maken, omdat er veel variatie in zit.

Van de meeste variërende plekken -vele miljoenen- bestaan ongeveer tien uitvoeringen. Eenzelfde versie komt dus voor bij grofweg één op de tien personen. Volgens een internationale regel moeten er standaard tien van dit soort variaties worden getest om te controleren of een verdachte overeenkomt met een dader; er bestaat dan slechts een kans van één op de tien miljard (tien tot de macht tien) dat twee verschillende personen exact dezelfde codes hebben. Een verwaarloosbaar risico.

Het wordt een ander verhaal als er slechts een gedeeltelijk DNA-profiel van een dader is gevonden. De zekerheid van het onderzoek daalt dan met ongeveer een factor tien bij elke variant die ontbreekt. Zijn er nog maar twee varianten over, dan komt een vergelijkbaar daderprofiel dus al voor bij één op de honderd personen (tien keer tien). Helemaal precair wordt het als er ook familieleden van een dader onder verdenking staan. Het forensisch instituut moet daar dan terdege rekening mee houden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden