Het gymnasium hoeft niet wit te zijn

Zelfstandige gymnasia hebben weinig allochtone leerlingen in huis en kampen met het imago dat ze alleen de witte elite bedienen. Op het Haagse gymnasium Haganum lopen allochtone leerlingen uit achterstandswijken rond. „Ik wilde laten zien dat ik het hoogst haalbare diploma kan halen.”

Zijn Cito-score was eigenlijk te laag om op het Haganum toegelaten te worden. Maar Raza Zaidi (17) wilde koste wat het kost naar het zelfstandige gymnasium Haganum in Den Haag.

Als zoon van een Pakistaanse vader en een Surinaamse moeder, was het gymnasium niet vanzelfsprekend. Al zijn vrienden gingen namelijk naar het vmbo. Raza groeide op in achterstandswijken waaronder de Haagse Spoorwijk en even kort in de Schilderswijk. Zijn vader verdient de kost met het opzetten van marktkramen en is ook postsorteerder. Zijn moeder is administratief medewerkster. Samen hebben ze vier kinderen, van wie Raza de eerste is die op het gymnasium zit.

Raza, bovengemiddeld serieus en welbespraakt voor zijn leeftijd, vertelt: „Ik wilde zo graag laten zien dat ik, ondanks mijn achtergrond, het hoogst haalbare diploma kan halen. Dat is het grootste verschil met mijn vrienden, die denken dat zoiets niet voor hen is weggelegd.” Net als de leerkrachten op de basisschool, vertelt hij. „Daar werd het beeld geschetst dat we niet naar het havo of vwo konden gaan.”

Maar zijn moeder bleef in hem geloven. „Ze wist dat ik het kon.” En nu zit hij al in de vijfde klas, vertelt hij na schooltijd in het statige schoolgebouw waarin hij elke dag uren vertoeft.

„Mijn neef heeft ook op het Haganum gezeten. Je moet echt heel gemotiveerd zijn om dat te kunnen. De docenten gaven me een kans, ondanks mijn Cito-score.”

Die docenten zijn heel belangrijk voor de tiener, die momenteel thuis problemen heeft waar hij liever niet over wil praten. „Daardoor liep ik achter met toetsen en huiswerk. Maar die mag ik inhalen. En ze ondersteunen me ook mentaal, zodat ik het met iemand over mijn problemen kan hebben.”

Na schooltijd duikt Raza altijd eerst de bibliotheek in om huiswerk te maken. Daarna zoekt hij zijn vrienden op in zijn eigen buurt. Er is inmiddels een duidelijk verschil tussen hen en Raza, die registeraccountant wil worden. „De manier waarop ik praat is veranderd. Ik praat minder met een accent, gebruik andere woorden”, vertelt hij. Zijn vrienden hebben er wel eens grapjes over gemaakt. ’Hollander’, zeiden ze dan, of ’Bounty’: zwart van buiten, wit van binnen. Raza: „Maar het is echt als een grap bedoeld. Het feit dat ik op het gymnasium zit, is niet tussen ons in komen te staan.”

Even later komt de Iraaks-Koerdische Yara al Salman uit haar geschiedenisles. Haar ouders zijn naar Nederland gekomen toen ze een jaar oud was, vertelt Yara (17). Haar vader deed hier opnieuw een studie tandheelkunde en runt samen met zijn vrouw een eigen tandartsenpraktijk.

Samen met Raza haalt ze herinneringen op aan hun eerste muziekles. „Bijna iedereen hier speelt een muziekinstrument”, zegt Yara. Ze praat zachtjes, met nauwkeurig gekozen woorden. „Ik voelde me niet op mijn gemak tijdens de muziekles. Al die mensen konden noten lezen maar ik niet”, zegt ze met een glimlach. „Dan moest ik een stukje op een keyboard spelen en dat ging altijd fout.”

Raza knikt instemmend. Buitengesloten voelden ze zich niet. Raza: „Ik vond het juist leuk om in een omgeving te zitten die niet bekend voor me was. Ik wilde ook leren om muziek te spelen, op een ander niveau te denken en te praten.”

Raza en Yara misten niet alleen een muzikale opvoeding, ze waren ook niet gewend musea te bezoeken of moeilijke boeken te lezen. Raza: „Ik speelde voornamelijk buiten. Zelfs naar de bioscoop ging ik niet.”

Hun achterstand in vergelijking met de Nederlandse klasgenoten heeft hen nooit gehinderd, vertellen de leerlingen. Ze hebben er juist meer doorzettingsvermogen door gekregen. „Toen ik in groep vijf zat”, zegt Yara, „wist ik niet wat het woord ’zool’ betekende. Ik kon dat niet aan mijn ouders vragen, want we leerden tegelijkertijd Nederlands. Dat is juist goed voor me geweest, ik heb geleerd om zelf na te denken over betekenissen en dingen in context te plaatsen.”

Raza: „We hebben een bredere blik. We hebben geleerd dat je niet op één manier hoeft te denken. Iedereen denkt anders, iedereen verschilt.”

Yara heeft niet het gevoel tot een minderheid te horen op het gymnasium. „Mijn vader is moslim, mijn moeder atheïst en ik ging naar een christelijke basisschool. Ik zie mezelf als een individu, heb nooit ergens bij gehoord. Soms word ik geconfronteerd met mensen die in ’wij’ versus ’zij’ denken. Niet op school, maar bijvoorbeeld in de tram. Die mensen zullen er altijd zijn, daar zet ik me maar overheen.”

Raza Zaidi dacht dat er alleen maar ’blanke leerlingen’ op het zelfstandige gymnasium zouden zitten. In de laatste klas van de basisschool had hij slechts twee Nederlandse klasgenoten, zegt hij. De eerst klas van het gymnasium leek op het eerste gezicht inderdaad heel ’wit’. „Maar in de pauze zag ik dat er ook allochtonen op school rondliepen, mensen uit wijken waar ook ik vandaan kom.”

De meeste zelfstandige gymnasia hebben nauwelijks allochtone leerlingen, maar op het Haganum is dat anders. „Velen denken dat gymnasia rijke scholen zijn die de maatschappelijke bovenlaag bedienen en bewust of onbewust een drempel opwerpen voor nieuwkomers”, zegt rector Goof Kloeg. „Wij zijn beslist geen zwarte school, maar dit beeld klopt niet.”

Kloeg zetelt in zijn ruime, klassieke werkkamer. In de hoek staat een antieke klavecimbel, die regelmatig wordt gestemd door een leerling, vertelt hij tussendoor. Zijn leerlingen komen uit alle delen van Den Haag. De meesten hebben hoogopgeleide ouders; die zijn muzikant, literatuurhistoricus, arts of staatssecretaris. Maar er zitten ook kinderen van vluchtelingen en laagopgeleide migranten op het Haganum.

Kloeg heeft geen idee van Raza’s achtergrond, of die van Yara. Hij weet niet precies waar zijn leerlingen en hun ouders geboren zijn. Zolang het voor het onderwijs niet uitmaakt, registreert de school niet nauwkeurig de afkomst van de leerlingen.

Volgens cijfers van de gemeente telt het Haganum slechts drie Marokkaanse leerlingen. Maar dat kan Kloeg bijna niet geloven. „Dat moeten er meer zijn, maar precies weten doe ik het niet.” Hij laat een leerlingenlijst zien met 140 niet-Nederlandse namen. „We hebben 650 leerlingen. Op deze lijst is niet te zien dat u met een Nederlandse school te maken heeft.”

Nieuwkomers krijgen geen voorrang bij het Haganum. Maar, zegt Kloeg, als ze eenmaal binnen zijn, heeft de school wel de taak om juist deze leerlingen zo goed mogelijk op te leiden. Hij geeft een voorbeeld: „We hebben gemerkt dat kinderen met een niet-westerse achtergrond in de bovenbouw meer problemen hebben met het begrijpen van literatuur. Het zijn slimme kinderen met een goede taalbeheersing. Maar ze hebben een ander cultureel referentiekader waardoor ze andere associaties hebben. We zijn ervan overtuigd dat ze verborgen betekenissen in literatuur daarom niet begrijpen.”

In de hal van de school hangt een serene rust. Indrukwekkende standbeelden van figuren uit de klassieke oudheid bewaken de ingang. Leerlingen met deftige kleren of in sportkleding schuifelen langs, sommigen sjouwen een muziekinstrument mee. Een meisje met een grote bos donker kroeshaar voert een uitbundig telefoongesprek. Anderen pauzeren of zitten met hun neus in de boeken.

Veertien jaar geleden stapte Kloeg voor het eerst als rector deze hal binnen. „Ik herinner me dat we toen al diploma’s uitreikten aan Turkse leerlingen. Deze school heeft een traditie van een tamelijk gevarieerd leerlingenbestand”, zegt hij.

En toch, zegt conrector Ingrid Paardekooper die net is aangeschoven, is de leerlingenpopulatie de laatste jaren diverser geworden. „Zo hebben we veel Joegoslaven gehad en kinderen uit Afghanistan, Irak en Iran.” Nu zitten er relatief veel Hindoestaanse leerlingen, en een groep Chinezen.

Diversiteit is een belangrijke thema geworden binnen de school. Het nieuwe vak ’cultuurbeschouwing’ gaat daar over. Kloeg: „De leerlingen lopen hier niet te koop met hun achtergrond. Je ziet hier niemand met een hoofddoekje. Maar we vertellen onze leerlingen dat hun achtergrond wel van belang is, dat ze het opgroeien in twee culturen als een verrijking moet beschouwen. Het is belangrijk dat je in je schooltijd ervaart dat mensen met heel verschillende achtergronden in harmonie met elkaar kunnen samenleven en met elkaar bevriend kunnen zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden