Het Grote Verhaal is terug

Ik ben protestants opgevoed, zeer protestants. Bij protestanten, vooral die van het gereformeerde soort, werd de Bijbel driemaal daags opgediend.

Jan Schinkelshoek

Bijbelverhalen waren echt, uit het leven gegrepen. Wie goed om zich heen keek, herkende er zijn omgeving in. Adam en Eva – hoe hadden die het zo kunnen verprutsen? De aartsvaders bewonderde je om hun moed om het onmogelijke te ondernemen. Het murmurerende volk was, ontdekte je al spoedig, van alle tijden. David leek nog het meest op de ideale minister-president. De profeten las je geboeid om hun onverschrokken directheid. En Jezus was een kindervriend, iemand die zich om mensen bekommerde.

Het ging er in die verhalen af en toe ruig aan toe, net als in het gewone leven. God had iets onnaspeurlijks. En de mens was „onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad”, zoals de Heidelbergse Catechismus het puntig formuleert. Maar het was niet hopeloos. Er was uitzicht, er was verlossing. En nog wel onverdiend.

Net als veel van mijn generatiegenoten heb ik een ontwikkeling doorgemaakt. Het kinderlijk geloof van de jaren vijftig heb ik niet meer. Maar van die orthodox-gereformeerde opvoeding ben ik niet losgekomen. Die is nog steeds een dankbare steun in de rug.

Het protestantisme van calvinistische snit kijkt pessimistischer tegen het leven aan dan het rooms-katholicisme waarin Nelleke Noordervliet is opgegroeid.

Dat calvinisme heeft beslist z’n bezwaarlijke kanten – nadelen die ik gaandeweg binnen een partij als het CDA scherper ben gaan zien. Maar het heeft ten minste één pluspunt: het is een nuchtere barrière tegen al te goede bedoelingen, grootse vergezichten en andere naïeve dagdromerijen. Op elke stap voorwaarts kan een terugslag volgen. De mens heeft de onhebbelijkheid steeds weer te ontsporen. Wie dat van jongs af aan is ingeprent, is gewapend tegen een overdosis aan zelfoverschatting.

Wie calvinistisch is opgevoed, is aldus voorzien van een aansporing om, zoals het in de Bijbel steeds heet, niet te veel op eigen kracht te vertrouwen.

Zo lees ik het verhaal van Kaïn en Abel, als een verhaal van iemand die, teruggeworpen op zichzelf, z’n eigen gang gaat. Inderdaad zijn eigen moraal verovert, zich niks aantrekt van God en gebod en – het kan bijna niet uitblijven – zich vergrijpt aan een ander, een medemens, zijn broer.

Maar het verhaal van het christendom blijft niet steken in pessimisme, argwaan en zwartgalligheid. Het vervalt niet, al somberend over menselijke puinhopen, tot verzuurde scepsis. Het laat zien dat er goddank meer is tussen hemel en aarde. Dat maakt het voor mij, vijftig jaar na de School met den Bijbel, zo bijzonder. Het vertelt van verlossing, van redding, het verhaalt van doorbraak en uitweg.

Op het scherp van de snede wordt dat onder woorden gebracht in een ander, minstens zo aangrijpend bijbelverhaal als dat van Kaïn en Abel: het verhaal van Abrahams bereidheid om zijn lievelingszoon Isaak te offeren. Met dat verhaal heb ik van jongs af aan veel moeite gehad. Nog steeds kan ik het nauwelijks vatten. Hoe kan iemand bereid zijn z’n zoon op te offeren? Desondanks is er een happy ending. Ondanks die menselijkheid beperktheid. Ondanks – of misschien wel dankzij – die goddelijke ondoorgrondelijkheid.

Dat is inderdaad een Leap of Faith.

Natuurlijk hebben godsdiensten ook onaangename trekken.

Wie het licht heeft gezien, wil het anderen niet onthouden. Die zendingsdrang is niet altijd even zachtzinnig uitgepakt.

Maar zijn daarmee religies per definitie veroordeeld? Geldt dat niet overal waar de mens, buiten God en gebod om, het recht in eigen handen neemt? Moet je afgestudeerd historicus zijn om te weten hoe die oefeningen in hoogmoed en zelfoverschatting zijn afgelopen?

In de naam van God is veel misgegaan. Te veel. Maar ook goddeloosheid is niet iets om trots op te zijn, zoals een simpele blik in de geschiedenisboekjes leert. Alleen al na die gruwelijke twintigste eeuw – na Verdun, na Auschwitz, na Hiroshima, na Stalin, Mao en Pol Pot – kan niemand volhouden dat godsdienst en geloof exclusief tekenen voor dood en ellende.

Religie – laat ik me beperken tot het christendom – heeft ook een andere kant. Ze biedt een visioen, verschaft uitzicht op een betere wereld, geeft zin en betekenis aan ogenschijnlijk onbegrijpelijke dingen. Ze vertelt een Groot Verhaal, het verhaal over het Koninkrijk van God, over hoop en verwachting, een verhaal dat mensen trekt uit moedeloosheid, somberte en cynisme.

En alsjeblieft geen dagdromen over een Vredesrijk op aarde. Alsof wij God een handje moeten helpen. Wie een hemel op aarde wil bouwen, komt geheid in de hel terecht. Maar geldt die waarschuwing niet voor alle heilsleren?

Daarom is het voor christenen verstandig om zich steeds bewust te zijn van de afstand tussen Binnenhof en Evangelie. Om te weten van hemelse perspectieven en aardse beperkingen. Om de balans te bewaken tussen wat moet en wat kan.

Zo’n christelijke politiek heeft idealen, hoge idealen zelfs. Maar ze is niet hemelbestormend. Zo’n politiek weet de balans tussen cynisme en hoogdravendheid te bewaren.

Dat is het ’christelijk realisme’, zoals Reinhold Niebuhr, de te veel verwaarloosde Amerikaanse theoloog uit het midden van de vorige eeuw, het treffend noemde: een christendom dat een matigende, beschavende invloed heeft.

Inderdaad, een politieke moraal die zijn basis vindt in religie.

Dat Grote Verhaal is terug, terug van weggeweest.

Als religie, als godsdienst was het nooit weg. Dat hebben ze uitsluitend binnen de grachtengordel een tijdlang gedacht. Het heeft zich alleen te veel en te lang laten opsluiten in de binnenkamer, zich laten wegdrukken naar het privédomein.

Opmerkelijk genoeg maakt religie nu een comeback als publieke, politieke factor van betekenis – ook in het geseculariseerde Nederland. Ik ben in genoeg zaaltjes en bijeenkomsten geweest om die herontdekking te kunnen bevestigen. Er is een groot verschil met, zeg, twintig jaar geleden.

Dat is niet alleen reden om de vlag uit te steken.

De terugkeer van religie gaat ook gepaard met veel heftigheid en veel ingehouden woede. Godsdienst vertoont de neiging het alleenvertoningsrecht op te eisen. Dat heeft benauwende kanten.

En het lijkt me een extra aansporing voor de gevestigde godsdiensten, het christendom voorop, om hun matigende, redelijke, beschavende invloeden te laten gelden. Om twee keer na te denken alvorens de eigen morele aanspraken te verzilveren. Om niet te vervallen in oude stelligheden en nieuwe dogma’s.

Maar niet alles is fundamentalistisch.

Sinds enige tijd wordt ook een authentiek, klassiek beroep op de religieuze waarden, christelijke traditie en gelovige ethiek verdacht gemaakt. Of ronduit verketterd.

Mag je met een beroep op de Bijbel niet meer pleiten voor de beschermwaardigheid van het leven, vanaf het prilste begin? Mogen er vanuit christelijke achtergrond geen vraagtekens meer worden gezet bij medische techniek? Mag je als christen niet zeggen dat niet alles wat kan, ook mag?

Al ver voor het huidige embryodebat kon het niemand ontgaan hoe in hoog tempo de discussie versmalt en verschraalt. Maar na een weekje misbaar aan het Binnenhof ben ik ronduit onthutst over de veelgeprezen liberale verdraagzaamheid.

Nog geen week nadat alles wat zich liberaal noemt de cartoonist Gregorius Nekschot zo’n beetje heilig had verklaard, kreeg christelijk Nederland de wind van voren. Kennelijk mag je in de politiek alles vinden, alles zeggen, alles bepleiten – als het maar niet religieus, christelijk gemotiveerd of geïnspireerd is. Ook wie het niet met André Rouvoet eens is, kan toch wel iets meer ruimte en redelijkheid opbrengen? Niet onmiddellijk suggereren dat een minderheid de meerderheid de wil oplegt?

Er spreekt uit die zelfverzekerde vrijdenkerij een hoge pretentie. Een pretentie die doet denken aan de arrogantie waarmee het negentiende-eeuwse liberalisme zich verhief tot het denkend deel van de natie, terwijl het gelovigen uitschold voor ’dompers en bekrompelingen’. Voor „de vlieg die de ganse zalf bederft”, zoals de liberale staatsman Kappeyne van de Coppello in 1874 hardop in de Tweede Kamer zei. Wat Abraham Kuyper, de klokkenist der kleine luyden, in woede deed opstuiven.

Mij valt steeds weer op dat verklaarde tegenstanders van religie zo ongeneeslijk religieus zijn. Ze bedienen zichzelf van dezelfde argumentatie, ze houden er dezelfde soort redenering op na, ze komen op een soortgelijk Groot Verhaal uit.

Dat is niet zo gek als misschien op het eerste gezicht lijkt. Je hebt immers een totaalvisie nodig om te kunnen beoordelen wat goed is en wat fout. Alleen heeft deze levensovertuiging een compleet ander uitgangspunt – eerder gebaseerd op menselijke overmoed dan op menselijke bescheidenheid.

De confrontatie gaat over niets meer en niets minder dan het eigen gelijk. Je hoge pretentie zal maar worden aangevochten. Dat steekt kennelijk zozeer dat mensen alleen maar misprijzend over die andere, die christelijke visie kunnen spreken.

De terugkeer van het Grote Verhaal in politiek, moraal en ethiek is natuurlijk pijnlijk – pijnlijk voor al diegenen die jarenlang dachten dat religie op sterven na dood was.

Het Westen, ook Nederland, is sinds de eeuwwisseling van slag. Na 11 september, na Paars, na een politieke moord, na een religieuze moord, na het multiculturele drama is het land gedesoriënteerd. Tastend en zoekend grijpt het terug op oude zekerheden.

Zekerheid – dát heeft religie te bieden.

Ze verschaft houvast, is een kompas. Als inspiratiebron biedt ze steun en toeverlaat. Religie moedigt aan tot inzet voor mens en wereld. Zou het toevallig zijn dat kerkmensen zo veel extra vrijwilligerswerk doen?

Religie kan ook fungeren als bron voor sociale samenhang. Job Cohen – niet toevallig burgemeester van Amsterdam – was een van de eersten (buiten het CDA, natuurlijk) die ontdekte dat religie nuttig is om ’de boel bij elkaar te houden’. Dat is een nut waarover ik een tikkeltje sceptisch ben. Het doet me denken aan Napoleon die tweehonderd jaar eerder al beweerde dat „een pastoor meer waard is dan tien gendarmes”. Zodra dat nut verdampt en religie zich niet langer als politieke stut en steun laat gebruiken, wordt ze snel aan de kant geschoven.

De betekenis zit dieper.

Wezenlijke zaken als de rechtsstaat en de democratie zijn gebaseerd op waarden die ze uit zichzelf niet genereren, niet kúnnen genereren. Die staan of vallen met de inzet voor mens en wereld. Daartoe zijn spirituele, levensbeschouwelijke, en godsdienstige impulsen onmisbaar. Hoe onderhoud je anders vitale waarden als menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid, naastenliefde en betrokkenheid? Anders dan via religie? Via het christendom, bijvoorbeeld?

„Democratie is samenleven met verschil”, las ik in ’Ethiek onderweg’, een prachtig nieuw boekje van prof. dr. G.G. de Kruijf, hoogleraar te Leiden. Die uitspraak geeft voor mij de kern van waar het om gaat in de politiek en in de samenleving. Niemand heeft het alleenvertoningsrecht. Niemand kan aanspraak maken op morele superioriteit. Gelovigen niet, ongelovigen niet, andersgelovigen niet, halfgelovigen niet. Ondanks alle verschillen zullen we er gezamenlijk iets van moeten maken.

Dat vergt natuurlijk over en weer tolerantie en respect. Maar De Kruijf maakt aannemelijk er méér nodig is: aanvaarding, zoals hij het noemt. „Respect heeft iets keurigs, het is wellevend, beschaafd en koel. Aanvaarding reikt de hand, ze wil samen door één deur. Aanvaarding vraagt niet om relativering van de eigen overtuiging, maar wel om interesse voor de overtuiging van de ander. Dat hebben we hard nodig voor de cohesie van de samenleving.”

Inderdaad, dat hebben we hard nodig.

En ik meen dat de christelijke traditie daar een belangrijke bijdrage aan kan leveren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden