Het Grote Gebaar krijgt zachte gloed van Watou

Nadat Watou vorig jaar geheel in het teken had gestaan van de kunstenaar Panamarenko, de Vlaamse Icarus die het ene na het andere schitterend mislukte vliegtuig bouwt, had Mandelinck deze keer gekozen voor een andere opzet. Hij vroeg niet één kunstenaar maar Jan Hoet als gastconservator omdat diens voorkeur voor talloze verschillende en exuberante moderne kunstenaars in Chambres d'Amis en Documenta IX - ook al niet binnen de vier witte muren van een museum - grote indruk op Mandelinck had gemaakt.

De betovering bleek wederzijds. “In Watou is altijd het vermoeden mogelijk tussen een eenheid van denken en zijn, tussen geest en lichaam”, schrijft Jan Hoet in zijn inleiding bij de catalogus. Het onmiddellijke enthousiasme heeft er niet voor gezorgd dat beide heren over een nacht ijs zijn gegaan. De titel van dit jaar luidt niet voor niets - naar een regel van Rutger Kopland - 'Voor het verdwijnt en daarna'. Maanden zijn ze bezig geweest om voor de juiste kunstenaars en dichters de juiste plek in het dorp te vinden.

“Dagen en weken van praten en dialogeren hadden we nodig”, zegt Mandelinck in de oude pastorie van Watou, die hij al weer achttien jaar met zijn vrouw bewoont. “Er zijn foto's gemaakt van allerlei mogelijke locaties in de omgeving. Ik heb Hoet duizenden gedichten voorgelezen. Pas daarna kwamen de zeven camions.”

Uiteindelijk besloten zij tot vijf locaties, waar poëzie van 42 dichters werd samengebracht met 34 werken van beeldend kunstenaars uit 18 landen. Even was het alsof de wereld was samengestroomd in het kleine plaatsje in het uiterste puntje van het Nederlands taalgebied, aan het eind van de doodlopende weg van Vlaanderen. Mandelinck was aanvankelijk bang dat hij zich niet teweer zou kunnen stellen tegen Het Grote Gebaar van Hoet: “Jan Hoet is aimabele springstof. Daar heb ik mijn eigen verbale vuurwerk tegenover moeten plaatsen. Hij denkt in beelden. Ik moest advocaat van de dichters spelen. Hoe moest ik voorkomen dat het breekbare broze woord verdrukt werd?”

Mandelinck verzon twee listen. Om te beginnen liet hij strofes en zinnen uit gedichten in enorme letters opblazen en over de dakpannen spannen van huizen, stallen en de kroeg op de hoek. “Poëzie is dak geworden. Je kunt eronder schuilen.” Vervolgens liet hij op elke locatie de dichters met hun eigen stemmen horen. Uit onzichtbare hoeken en gaten bromt Ter Balkt en waaien de woorden van de lang gestorven Belgische meester Pernath uit een eenzame treurwilg: “Ik treur niet, geen tederheid trekt mij aan.”

Zo is een bezoek aan elke kamer, aan elk pad of weiland één grote sensitieve ervaring. Stemmen spreken hun kakofonie bij alle visuele indrukken. Zelfs geuren dringen zich op. Rotte vis en natte hond doen van zich ruiken in het wuivend riet van de beeldend kunstenaar Peter de Cupere. Groninger Gerrit Krol - zijn noordelijke accent zo ver naar het zuiden afgedreven - weet er de woorden bij:

Niet te beschrijven wat een geur doet in je neus en in het weke van je hersenen, een bloem, strandlucht.

'Leve Jan en Gwy' heeft iemand met een rode viltstift op de muur van het vervallen huis gekalkt, waar de route begint. De kleine kamertjes van het Douviehuis zijn intiem, naar binnen gekeerd. Hoets kunstenaars geven hier hun betoverende dromen prijs. De dingen zijn hier niet wat ze zijn. De stapels rozen in rieten manden blijken bij nadere bestudering van lood, en in een zwarte muur zit een glanzend afvoerputje. Alsof Robert Gober, de maker, duidelijk wil maken: iedereen loopt niet rechtop, over stevige houten vloeren, maar langs de muur opzij. De wereld van Watou is gekanteld.

Bijna aan het eind van de rondgang door het Douviehuis duikt een donker gat op. In een nis, waar slechts een streepje licht naar binnenvalt doordat een pan van het dak is gevallen, hangt een enorme zware zwarte vogel zonder vleugels. Hoe kan die door dat kleine gaatje in het dak naar binnen zijn gekomen? Hugo Claus' doet in zijn gedicht 'Albatros' een suggestie:

Zijn gevederde kont zakte over zijn nest, de Heuvel van de Verschrikking. Zo zak jij soms op mij als op een troon.

Het is kenmerkend voor het voortdurende samenspel tussen beeldend kunstenaar en dichter dat woord en beeld nergens samenvallen of zich plat in elkaar spiegelen. Een zwarte vogel zonder vleugels is geen witte albatros met een enorme spanwijdte. Die spanwijdte moet in het hoofd van de bezoeker ontstaan. Suggestie is de kracht van de combinaties: ze tarten de verbeelding, maar zeggen niets letterlijk voor.

In het schip van de kerk, de volgende locatie op de route, bestaat dezelfde prikkelende onzekerheid. Een vuistdik peillood blijft, na een afdaling aan een lang strak koord vanaf het hoge plafond, vlak boven de marmeren vloer hangen. Hoe diep het hier is, zal niemand ooit weten. Van de kansel galmt de stem van Arjen Duinker:

Aan de ene kant staat het ding. Aan de andere kant het mysterie. Meer van het ding en het mysterie weet ik niet.

Buiten de kerk, op het paadje langs het kerkhof lijkt het even of het mysterie wordt ontmaskerd. In de bomen gaan vogelkastjes gekleed in leren SM-tuigjes met glimmende spijkers - dat geeft de opening van de vogelkast, en nu het woord er zo staat ook 'vogelkast' een wel zeer dubbelzinnige betekenis. Uit de boom ernaast roept Herman Leenders:

Het is een klap waar je van opkijkt. Onder het raam ligt een vogellijkje

Nog geen tien meter verder, om de hoek van het pad, wijst Mandelinck op het geplette lijkje van een piepjong kraaitje. Precies onder het kerkraam. We kijken omhoog. De voorzienigheid? Of heeft Mandelinck het verfrommelde hoopje zwarte veren vanochtend speciaal voor de gelegenheid neergelegd? Hij kijkt een tikje verontwaardigd en schudt heftig met het hoofd: “Nee, nee, nee.”

Dan loopt Mandelinck van het kerkhof naar zijn huis. Met een brede armzwaai introduceert hij het dagelijks uitzicht uit zijn raam. Eindeloze velden met een aantal schuren aan de rand. Op het dak van een van de schuren staat geschreven:

Het hek waartegen ik mij schuur wordt oud en glad en vettig op den duur

Het zijn de beroemde regels van Achterberg uit 'De dichter is een koe', waarin een koe naar zijn eigen spiegelbeeld kijkt en denkt: hoe komt die koe ondersteboven? Alsof die verdubbeling nog niet genoeg is, maakt ook Hoet op deze locatie een tournure. In een echte stal staat geen rood- of zwartbont beest te loeien, maar de van gips gefabriceerde koe van de Russische kunstenaar Oleg Kulik.

“Ge moet onder de staart kijken, in het landschap van de koe”, lacht Mandelinck. Van achteren biedt het roodomrande geslacht van de koe een uitzicht zoals geen veearts ooit mocht aanschouwen. In de opengesperde baarmoeder flitsen bizarre zwart-wit beelden. Harde muziek stampt in haar vier magen, haar uiers trillen. 'Deep into Russia' heet het kunstwerk.

Van de herrie van de stal gaat het naar de sacrale stilte van een ruime donkere hal buiten het dorp. Onder een enorm geknakt houten kruis staat het verlaten laatste avondmaal. De twaalf stoelen zijn onbezet, en zo te zien is iedereen met ruzie opgestapt. Er ligt althans een zwaard op tafel. De borden zijn schots en scheef over het tafellaken gesmeten, glazen liggen versplinterd te glinsteren. Alweer een drama met een enorme kracht en agressieve symboliek. Maar wat het draaglijk maakt naar dit werk van Mariusz Kruk te kijken is de schuur: heel ruimtelijk, onopgesmukt. Het ruikt er een beetje muf en de diepe bandensporen staan nog om de tafel en het kruis heen. Alsof de twaalf apostelen gisteravond per tractor zijn vertrokken.

Zo vergaat het de kunstwerken hier allemaal. De theatrale installaties en objecten die Jan Hoet binnen heeft laten rijden, worden gemoedelijk. Het Grote Gebaar krijgt zachte gloed van Watou. Het dorp en het landschap, waarin de zon danspassen maakt op de heuvels, hebben zich meer in de kunst geïntegreerd dan andersom.

Op het eindpunt van de route, bij het prachtige Blauwhuys, wordt dit voor de laatste maal duidelijk. Als meerstemmig slotakkoord gaat Rutger Koplands gedicht 'Stilleven met goudplevier' - dat oorspronkelijk bij een schilderij met diezelfde titel werd geschreven - vergezeld van een rij tafels, die zich uit een donkere schuur als een slang naar buiten kronkelt. De verschillende geledingen van de slang zijn van steeds wisselend materiaal. Er is een tafel van glas en van steen, en nog een, en nog een. Daarop ligt het groente en fruit uit de streek uitgespreid.

Ik ben vergeten wat ik zie, ik moet het in gedachten hebben neergelegd, en niet zijn teruggekeerd, het zo hebben gelaten.

Dat schrijft Kopland erbij. Mandelinck verstoort een moment de bezonken overpeinzingen. Hij begint het zaakje te herschikken, gooit met een bos wortelen en rolt de bloemkool om. “Zó moet dat!” Zijn ongeduld is illustratief. Juist vanwege de simpele, maar doeltreffende opzet blijft er ruimte van de indrukken een eigen beeld te maken. Als vanzelf dwaalt de blik af van de constructies naar de stapels gebarsten dakpannen, karrenwielen en de hop voor het hommelbier dat boven de horizon uitkruipt.

'Voor het verdwijnt en daarna' is een terechte titel voor deze zomer in Watou. De opstellingen verdwijnen na september, maar ook als het dorp is leeggeruimd, de zeven camions zijn vertrokken dan blijft nog altijd het mooiste: het dorp zelf. Toch is er iets veranderd. In het toekomstig geheugen van de bewoners van Watou galmt soms de stem van Duinker in de kerk en dampt af en toe een vleugje Gerrit Krol uit de stal. Op een dag zal een boer een van zijn koeien aanzien voor het gipsen exemplaar van Oleg Kulik.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden