'Het groote smartendonker dat menig lot overhuifde'

Zaterdag wordt in Amsterdam het 50-jarig bestaan van de Wereldraad van kerken gevierd. Maar hoe ging het er in 1948 in de hoofdstad aan toe? Een terugblik, waarin duidelijk wordt hoe de raad bij zijn oprichting worstelde met Israël en het jodendom.

In beschrijvingen van de eerste assemblee (algemene vergadering) van de Wereldraad van kerken, augustusseptember 1948 in Amsterdam, trilt na hoe indrukwekkend deze bijeenkomst moet zijn geweest. Daar kwam bij dat de hoofdstad zich voorbereidde op de inhuldiging van de nieuwe koningin Juliana. En voor het eerst na de oorlog waren de grachten weer verlicht.

Nederland was in 1938 getuige geweest van een oecumenisch congres in Utrecht waar men besloot om tijdens de volgende vergadering over te gaan tot oprichting van een wereldraad van kerken. Er kwam alvast een 'Wereldraad-in-oprichting' met zetel in Genève en de Nederlander dr. W. Visser 't Hooft als algemeen secretaris. Maar pas na de Tweede Wereldoorlog kon men beginnen met het realiseren van het oorspronkelijke plan.

Als plaats voor de oprichtingsvergadering werd Amsterdam gekozen omdat men de confrontatie met de harde naoorlogse werkelijkheid niet uit de weg wilde gaan en men tevens respect wilde betuigen aan de Nederlandse kerken die in de oorlog verzet hadden geboden tegen de bezetter.

Vóór de openingsdienst in de Nieuwe Kerk aan de Dam (zondagmiddag 22 augustus) begon, luidden in heel Nederland de kerkklokken, trouwens ook in Amerika, om het gewicht van de samenkomst te onderstrepen. Al wierp de afwezigheid van zowel de rooms-katholieken als de Russisch-orthodoxen een schaduw op de bijeenkomst. De drieduizend aanwezigen zagen hoe een stoet van enkele honderden gedelegeerden de kerk binnenschreed. Samen vertegenwoordigden ze bijna 150 kerken uit tientallen landen. Er waren grote delegaties uit Groot-Britannië en de Verenigde Staten. Maar ook de Franse protestanten en de lutheranen uit Scandinavië gaven acte de présence. En er was zelfs een Duitse afvaardiging, met in haar midden de anti-nazipredikant Martin Niemöller.

Al met al een kleurrijk geheel. Dat ervoer ook dr. H. J. Heering, nu emeritus-hoogleraar in Leiden, toen hij “als jong domineetje (35) met mijn zwarte toogje kwam te lopen naast een indrukwekkend geklede man uit een Indische kerk met een groot emaille kruis op zijn borst”. Beiden hadden het gevoel dat ze afstand tot elkaar moesten bewaren.

Aan een andere jonge predikant de eer om de preek te houden. Daniel Thambyrajah Niles van de Methodist Church in Ceylon nam daarvoor de tekst 'Wie ben ik dat ik naar de Farao zou gaan?' (Exodus 3:11). Overigens kon men later een echo van deze bijbeltekst horen in de woorden van Juliana voor haar beëdiging tot koningin. Op nagenoeg dezelfde plaats, voor het koorhek, sprak ze de woorden: “Wie ben ik, dat ik dit doen mag?” Niles betrok bij zijn overdenking de actuele situatie van de wereld, waar “de chaos blijft, zelfs nadat het geluid van de kanonnen is opgehouden” Hij doelde op China, India, Palestina en Griekenland.

Een ander hoogtepunt was de eigenlijke oprichting van de Wereldraad tijdens de eerste plenaire vergadering in het Concertgebouw, maandagochtend 23 augustus. “Wie stemmen voor?” vroeg de anglicaanse aartsbisschop Fisher van Canterbury, die die dag de voorzittershamer hanteerde. De handen van de officiëe afgevaardigden gingen omhoog. “Wie tegen?” Het bleef doodstil. Waarna luid applaus losbarstte en de voorzitter voorging in gebed.

'De wanorde van de mens en Gods plan', dat was het thema van deze eerste assemblee. In de plenaire vergaderingen in het Concertgebouw hielden prominente protestantse theologen daarover voordrachten, coryfeeën als Karl Barth, Richard Niebuhr, Emil Brunner, Paul Tillich, Reinhold Niebuhr en J. L. Hromadka. Maar ook de Nederlanders Hendrik Kraemer en C. L. Patijn voerden het woord. De laatste (nu 88) haalde onlangs herinneringen op aan Amsterdam '48, in het SoW-blad Horizon (zie Trouw van 7 september).

Bij enkele lezingen waren prinses Juliana en prins Bernhard aanwezig. Organist Piet van Egmond had voor die gelegenheid de instructie gekregen: “Deze bijeenkomst moet volkomen het karakter van een congresvergadering behouden. (...) Er mag geen Wilhelmus of ander nationaal lied worden aangeheven.”

In de buurt van het Concertgebouw werden in school- en gymnastieklokalen sectie-vergaderingen gehouden waarop, naast de door Genève aangedragen zaken, ook onderwerpen die uit de kerken waren aangebracht nader aan de orde kwamen: de plaats van de vrouwen in de kerk, de christelijke benadering van de joden, de betekenis van 'de leken' en de rol van de kerken bij de herbouw en oecumenische hulp.

Ons gaat het om het tweede: The Christian Approach to the Jews. Samen met adviseurs boog een groep van 21 gedelegeerden uit alle werelddelen - namens Nederland was er de hervormde professor Haitjema - zich in vier sessies over vier thema's: de theologische benadering van het joodse volk, christelijke zending en evangelisatie onder de joden, sociale kwesties, en politieke vraagstukken (met name over Israël als een staat).

Uiteindelijk stelde een commissie een tekst op die aan de plenaire in het Concertgebouw werd voorgelegd. Er kwamen enkele opvallende, ook tegenstrijdige passages in voor:

- 'Geen volk in Gods ene wereld heeft bitterder geleden door de wanorde van de mens dan het joodse volk. Wij kunnen niet vergeten dat wij bijeenkomen in een land waarvandaan 110 000 joden werden weggevoerd om vermoord te worden. Noch kunnen wij vergeten dat wij bijeenkomen slechts vijf jaar na de uitroeiing van zes miljoen joden. Aan de joden heeft onze God ons in een speciale solidariteit gebonden door onze bestemmingen in zijn plan te verbinden.'

- 'Al onze kerken staan onder de opdracht van onze gezamenlijke Heer: 'Ga de hele wereld in en verkondig het Evangelie aan alle schepselen'. Het vervullen van deze opdracht vereist dat wij in onze zendingstaak ook het joodse volk opnemen. (...) Wij moeten daarom in nederige overtuiging aan de joden verkondigen: 'De Messias die u verwacht is gekomen.'

- 'Wij roepen alle kerken die wij vertegenwoordigen op om antisemitisme van welke oorsprong ook, aan de kaak te stellen als absoluut onverenigbaar met belijdenis en praktijk van het christelijk geloof. Antisemitisme is zonde tegenover God en mens.'

- 'Wij erkennen dat de stichting van de staat 'Israël' een politieke dimensie toevoegt aan de christelijke benadering van de joden en dat het dreigt antisemitisme te verergeren met politieke angstgevoelens en vijandschap. Over de politieke aspecten van het Palestijnse probleem en het complexe conflict van 'rechten' die in het geding zijn, verbinden wij ons niet een oordeel te uiten.'

- 'Wat voor positie ook ingenomen wordt tegenover de stichting van een joodse staat en tegenover het 'gelijk' en het 'ongelijk' van joden en arabieren, van Hebreeuwse christenen en Arabische christenen die daarbij betrokken zijn - de kerken zijn ten zeerste verplicht te bidden en te werken voor een zo rechtvaardig mogelijke orde in Palestina temidden van de menselijke wanorde, en om binnen hun vermogen te zorgen voor hulp aan de slachtoffers van deze oorlog.''

Op de plenaire zitting van 3 september in het Concertgebouw namen acht sprekers het woord. Voor de een waren de punten niet wezenlijk genoeg uitgewerkt. Voor een ander ging de formulering 'Wij erkennen dat de stichting van de Staat Israël etc.' te ver. Want hiermee werd de schijn gewekt dat dit erkenning door de Wereldraad van de staat Israël inhield! Daarom zou 'Wij zien dat de stichting van de Staat Israël etc.' beter zijn. (Uiteindelijk werden de twee woorden weggelaten!)

Ook twee Nederlanders namen aan de discussie deel. Ze kwamen niet uit de hervormde of lutherse hoek, maar waren respectievelijk doopsgezind en remonstrant. W. F. Golterman, gedelegeerde van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit, stelde dat de resolutie een preciezer formulering moest vinden voor het recht van de joden om te wonen in hun eigen land, dat God aan Abraham en zijn kinderen had gegeven. Als dit niet duidelijker werd verwoord was de tekst voor hem onaanvaardbaar.

Hier lag een verband met de aandacht die de doopsgezinde predikant Frits Kuiper in eigen kring en daarbuiten voor Israël gevraagd had. Zo had hij stellingen geformuleerd “ter overweging door de Wereldraad van kerken”. Die hielden ondermeer een pleidooi in voor “het recht van de Joden op een zelfstandig nationaal leven in Palestina” en de steun die dat van kerkelijke zijde verdiende.

Als laatste spreker kreeg de eerder genoemde remonstrantse predikant H. J. Heering, het woord. Omdat de geluidsbanden bewaard zijn gebleven weten we precies wat hij zei:

'Meneer de voorzitter,

Ik zou willen zeggen dat voor mij en mijn kerk deze verklaring over de christelijke benadering van de joden geheel en al onaanvaardbaar is. Niet omdat er geen erg goede beweringen in staan, en zeer goede opmerkingen, maar over het geheel komt het ons als huichelachtig voor - en ik denk voor iedereen die het lijden van de joden gezien heeft.

Men kan niet tot iemand preken die wij hebben achtervolgd, ten dode toe achtervolgd, men kan niet het Evangelie preken aan al deze mensen, die door de diepste kwellingen zijn gegaan. En wanneer u zegt: Ja, maar wij hebben toch de taak om het Evangelie aan deze mensen te brengen, dan moeten we zeggen: 'Wacht een moment, wacht een moment, want wij hebben dit gedaan'. En de vrienden van Job zwegen toen zij zijn diepe smart zagen. Wij moeten de joden allereerst de gelegenheid geven überhaupt te leven, gewoon te leven, zo mogelijk in hun eigen land, in het land waarheen ze willen.

Als we niet eensgezind tot een verklaring kunnen komen, laten we het dan alsjeblieft laten vallen. Want het is huichelachtig in al z'n evenwichtigheid. Zeggen 'Ja wij kennen uw diepe smart, en nu gaan we tot u preken!' - het is huichelachtig. En daarom zou ik de vergadering willen vragen deze gehele verklaring te laten vallen.

En als ik nog iets zou toevoegen aan de groet aan de joodse gemeenschap in Amsterdam - een spreker had dit als gebaar voorgesteld, H. - het zou geheel hetzelfde zijn. Een groot deel van ons volk heeft dit volk achtervolgd en je kan dan niet direct daarna groeten sturen. Ik dank u.'

Op Heerings woorden volgde een bescheiden applaus, maar het presidium nam zijn voorstel niet over. De plenaire vergadering evenmin.

Heerings eigen oorlogservaringen lagen voornamelijk in het Gooi, waar hij samenwerkte met de lutherse predikant Manger en met zijn moedige vriend en collega Kok van de Gereformeerden in Hersteld Verband.

Heerings eigen geschiedenis valt niet los te zien van wat de remonstranten vóór en in de oorlog als Broederschap hebben gedaan. In 1933 was dit het enige kerkgenootschap in Nederland dat op synodaal niveau aandacht had voor de machtsovername door Hitler. In de jaren '40-'45 waren er voor zover bekend in de Broederschap geen bestuurders of predikanten die politiek onbetrouwbaar waren. Direct of indirect leverde men zijn aandeel in de strijd tegen de Duitse bezetter.

Bij het herverschijnen van Het Remonstrantsche weekblad na de oorlog was - in dezelfde geest als Heerings toespraak - geschreven over het leed, de ontzetting en de schuld die de vreugde over de bevrijding verduisterden. “Het leed was en is nog zoo diep en is te heilig om er met woorden aan te raken.” En verwijzend naar het voorbeeld van de zwijgende vrienden van Job: “Wij willen stil zijn tegenover het groote smartendonker dat menig lot overhuifde.”

Onder de kop: 'Ten halve gekeerd. De Christelijke Kerken en de Joden' schreef redacteur Jaap Soetendorp, vader van rabbijn Awraham Soetendorp, op de voorpagina van het Nieuw Israelietisch Weekblad van 10 september 1948 over de bijeenkomst van de Wereldraad. Hij constateerde daar erkenning van de schuld der kerken ten opzichte van de joden, maar hij moest tot zijn teleurstelling ook waarnemen dat men niet verder kwam dan te verklaren dat de stichting van de staat Israël 'slechts tot complicaties kan leiden'.

Soetendorp: “De Nederlandse groep heeft hierbij van een grote mate van begrip blijk gegeven. De uitlating van dr. Hering (sic) in het debat over de resolutie, 'dat men het Evangelie niet zonder meer kan prediken tot een volk dat men heeft laten vermoorden', spreekt boekdelen.”

Dat de opmerkingen van Golterman en Heering geen of amper gehoor hadden gevonden was voor hem minder belangrijk. Wat hem in hun woorden trof was 'een grote mate van begrip'.

Soetendorps conclusie: “Er is in de verhouding van de kerken tot Israël iets veranderd. Meer dan in de resolutie tot uiting kwam”.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden