Het glinsterend labyrint van Mulisch

“Ik ben geen lezer, ik ben een schrijver.” Het is een van Harry Mulisch' gebeitelde uitspraken. Los van het feit of dat ook werkelijk waar is - de boeken van Mulisch wemelen van de verwijzingen naar Goethe en Dostojevski, wat op z'n minst een schuine blik in hun boeken verraadt - werpt de uitspraak een interessant licht op de tentoonstelling in het Stedelijk Museum, die Mulisch nu op verzoek van directeur Rudi Fuchs heeft ingericht. De vraag is of Mulisch, zo niet een lezer, dan wel een kijker is.

In elk geval is Mulisch een andere kijker dan de gemiddelde, gekwalificeerde tentoonstellingsmaker. Mulisch heeft, net als Gerrit Komrij die vorig jaar 'Kijken is bekeken worden' samenstelde, bij uitstek een literaire blik. In 'Zielespiegel', dat 'bij wijze van catalogus' bij de tentoonstelling verscheen, vertelt Mulisch dat Fuchs hem juist vanwege zijn afwijkende kijk op de kunst heeft gevraagd.

Toch is voor wie Mulisch' biografie en oeuvre een beetje kent veel te voorspellen. Na een aantal van de twaalf zalen, of 'kabinetten' zoals hij ze noemt, treedt de schok der herkenning op. De schrijver heeft de bezoeker in zijn magische doolhof gelokt. Het tweede kabinet is voor dat labyintische universum zelf al de ultieme metafoor. Alle zestien Carceri d'Invenzione, de imaginaire desolate kerkers van de beroemde etser Piranesi, hangen hier aan de muur.

“Totaal alleen, maar zonder een gevoel van eenzaamheid, dwaalt hij rond door de grenzeloze vlucht zalen, zuilengangen, trappen, galerijen, nissen, pilaren, loopbruggen, portalen, gewelven, die zich naar alle kanten uitstrekken, langs pompeuze, met beelden en ornamenten overladen gevels die zich ontpoppen als binnenmuren, door kelders die ook zolders zijn, over daken die tegelijk onderbouwingen blijken.” Het is een droom van Quinten, hoofdpersoon van 'De ontdekking van de hemel'. De schok der herkenning, die de bezoeker treft, brengt Mulisch met opzet teweeg. Niet voor niets heeft hij de expositie 'Zielespiegel' genoemd: “De tentoonstelling moest een onverwisselbaar psychisch zelfportret worden. Als iemand mij en mijn werk zou kennen, maar niet zou weten wie de expositie had ingericht, zou hij aan het eind van de rondgang moeten weten dat het niemand anders geweest kon zijn dan ik.”

Mulisch is zonder twijfel de enige die deze keuze had kunnen maken uit de 'Collectie Nederland'. Die hoogst persoonlijke indruk is niet slechts op platte gegevens uit zijn leven gebaseerd. “Een biografisch feit is in de kunst nooit meer dan de zandkorrel, die in een schelp een parel doet ontstaan,” stelt Mulisch terecht. Zo zijn de twee Egyptische beelden in het tiende kabinet niet neergezet omdat de jonge Harry ze in 1941 in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden zag. Nee, dat is slechts de aanleiding. De oppergod Ptah, de 'levenwekker', en Thot, de schrijver van de Goden, zijn daar aanwezig als eeuwenoude symbolen van Mulisch' mythische denkwereld.

De tentoonstelling 'Zielespiegel' is een verhaal, dat Mulisch net zo heeft geschreven als een van zijn romans. Het is het verhaal waarin de werking van mythen iets van het mysterie van het leven onthullen. De schrijver stuurt je blik kriskras - als in de etsen van Piranesi - door de kunstgeschiedenis. Mulisch sleurt je mee in de val van de vermetele Ixion, Tantalus en Phaëton, die door de Goden vanwege hun hoogmoed van de Olympus werden geslingerd, en in hun tuimeling even werden vastgehouden door Hendrick Goltzius. Hij nodigt je uit op Picasso's bacchanaal, waar de Minotaurus vecht, drinkt en vrijt. En via de hemelblauwe zaal met bustes van Homerus en Alexander de Grote laat Mulisch in zijn achtste kabinet zien, waar de klassieke traditie in de laatste anderhalve eeuw toe heeft geleid: het prachtige doek van Laurens Alma Tadema uit 1883, waarop Keizer Hadrianus een pottenbakkerij bezoekt en het schilderij van Giorgio de Chirico, waar zuilen en architrafen zich letterlijk in het binnenste van twee figuren nestelen.

Dit classicistische thema in de tentoonstelling is glashelder. Daarbij is het aardig dat binnen dat afgeronde beeldverhaal nog allerlei detailvondsten zijn te doen. Mulisch geeft er in zijn catalogus één weg: de helm op de hoofd van de ridder in een ets van Dürer in het eerste kabinet, wordt weerspiegeld in de gifgroene Stahlhelm van Markus Lüpertz uit 1970. De helmen zijn op hun beurt weer de weerspiegeling van de Tweede Wereldoorlog, waar Mulisch wel van heeft gezegd dat hij die niet heeft 'meegemaakt', maar is.

Een ander detail legt het verband met Mulisch' fascinatie bloot voor de alchemie en de wichelarij met cijfers en letters. Ook in dit geval wordt het lijntje al bij Dürer gespannen. In Dürers 'Melencolia I' hangt tegen een muurtje een matrix van zestien getallen. Op de voorgrond speelt een treurig peinzende engel niet met een pen, maar met een passer op papier. “Daarachter,” schrijft Mulisch, “overkoepeld door een regenboog, strekt de zee zich uit, verlicht door een bovennatuurlijke lichtbron: niet de zon, eerder een komeet, nog eerder het lumen divinum van de goddelijke inspiratie.”

De matrixen keren vlak voor het einde van de tentoonstelling terug. In kabinet elf zijn de wanden bedekt met de ellenlange 'Gesünge' van Hanne Darboven uit 1970, een onmogelijke poging de muziek en taal met letters & cijfers te ontcijferen. Op dit punt in de tentoonstelling heeft Mulisch het terrein van de kunst verlaten. Voorbij de Egyptische beelden, 'het diepste punt van mijn ziel', betreedt hij de wereld van de natuurwetenschap. De grens wordt gemarkeerd door een verzameling flesjes als cadmium en aurum: de elementen. Een ondubbelzinnige verwijzing naar zijn gelijknamige roman.

Tenslotte nog het licht, het lumen divinum, dat door de tentoonstelling heenflitst. Licht gloort bovenaan de twee laatste Carceri van Piranesi, als een glimpje hoop. Licht werpt schaduwen over de gezichten van de klassieke koppen, glinstert over de geschilderde mozaïekvloer op het schilderij van Tadema en in het aurum, het goud, tussen de elementen. En licht valt in het donkere, laatste kabinetje op twee brieven.

De ene brief is van Vincent van Gogh aan zijn broer Theo. De andere is van Mulisch aan Vincent. “De schemering in dit kabinet ervaar ik als een voorportaal van de eeuwige nacht waarin u verkeert,” schrijft hij. “Het zonnevuur van Arles, dat u zo vaak als een tweede Prometheus van de hemel hebt gestolen met uw penseel, is nu ver weg.”

Mulisch heeft gelijk: het licht is ver weg, en de schilderkunst ook. Die liggen alweer zalen achter ons. Opnieuw dringt de vraag zich op: is Mulisch een kijker? Het antwoord is: nee, uiteindelijk, aan het einde van de tentoonstelling is hij toch weer een schrijver gebleken. Hij heeft de objecten, etsen en schilderijen niet op kleur, toon, gevoel bijeengezet, maar ze naar zich toegeschreven, ze opgesloten in zijn literaire labyrint om ze nooit meer te laten gaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden