Het geweld van de Hoffilosoof

Op 1 december verscheen in Letter & Geest het essay 'Et voilà, de moderniteit' van de jonge filosoof Luuk van Middelaar. Willem Jan Otten noemde dit in Vrij Nederland van 22 december 'ongetwijfeld het ideeënrijkste en swingendste essay van het hele debat' dat sinds de aanslagen van 11 september is gevoerd.

Op de volgende pagina een kritiek van Thijs Berman op dit essay. Op deze pagina een kritiek van de germanist Jerker Spits die eerst ingaat op de renaissance van Carl Schmitts politieke filosofie en daarna op Van Middelaar.

Na 11 september duikt de naam van Carl Schmitt (1888-1985) met enige regelmaat op in de media. De theorieën van deze omstreden Duitse rechtsgeleerde lijken in de laatste vijf maanden actueler dan ooit. Schmitts scherpe kritiek op de linksliberale, gedepolitiseerde maatschappij blijkt de politiek en filosofie in toenemende mate te inspireren.

In zijn hoofdwerk Der Begriff des Politischen (1932) -onlangs in Nederlandse vertaling verschenen onder de titel Het begrip politiek (Amsterdam: Boom)- schrijft Carl Schmitt dat 'de eigenlijke politieke onderscheiding de onderscheiding tussen vriend en vijand is.' De politiek diende volgens Schmitt dan ook rekening te houden met de Ernstfall, waarin het diplomatieke verkeer het laat afweten en twee partijen onwrikbaar tegenover elkaar staan.

Schmitt wordt beschouwd als een van de voornaamste exponenten van een radicaal machtsdenken, dat in de periode 1933-1945 zijn hoogtepunt bereikte. De in 1888 geboren Schmitt stond met zijn opvattingen aan het einde van een lange traditie. Het Duitse politieke denken van de negentiende en vooral de vroege twintigste eeuw keek met minachting neer op het compromis, de nuchtere blik, de aanpassing, het evenwicht, kortom: op het politieke rationalisme van de 'politiek als kunst van het mogelijke'. In plaats daarvan had dit radicale politieke denken bewondering voor de politieke geweldenaar die knopen doorhakte en grootse beslissingen nam, de sterke man die de tegenstelling op scherp zette en liet zien wie de vijand was. Het jaar 1945 wordt door veel historici dan ook als het onvermijdelijke eindpunt gezien van honderdvijftig jaar 'politiek irrationalisme'.

Ook vanwege zijn persoonlijke biografie geldt Schmitt als een omstreden persoon. Zijn promotie tot kroonjurist van het Derde Rijk is door vele biografen uitvoerig gedocumenteerd. Berucht is zijn pamflet 'Der Führer schützt das Recht' (1934), waarin hij een juridisch fundament trachtte te leggen voor de in opdracht van Hitler uitgevoerde moorden op in ongenade gevallen partijgenoten en gevreesde concurrenten. Voor de Amerikaanse bezettingsmacht, die Schmitt in 1945 voor het hof in Neurenberg liet verschijnen, vormde Schmitts engagement en geestelijke verwantschap met het nationaal-socialisme reden hem een publicatieverbod op te leggen en een mogelijke betrekking aan welke Duitse universiteit dan ook te verbieden.

Lange tijd leed Schmitts filosofie een sluimerend bestaan, ook al verschenen er in de jaren zestig en zeventig door de auteur zelf geredigeerde nieuwe uitgaven, ook van zijn hoofdwerk. Na Schmitts dood (1985) verstomde het debat rond zijn persoon en werk echter allerminst. Vanuit Duitsland zette na de val van de Muur en de ineenstorting van het Sovjetrijk een herijking van Schmitts politieke filosofie in. Tot ver buiten zijn vakgebied bleek Schmitt te inspireren: of het nu ging om de toegenomen macht van Duitsland na 1989, de NAVO-bombardementen op Servië, het ingrijpen van VN-vredesmachten of de discussie rond de positie van Amerika als 'enig overgebleven wereldmacht' (in de woorden van Zbigniew Brzezinski). Er verschenen nieuwe biografieën, heruitgaven van zijn werk en briefwisselingen met tal van tijdgenoten.

Na 11 september 2001 bereikte Schmitts renaissance een voorlopig hoogtepunt. De Ernstfall waar de politiek filosoof in zijn werk over sprak, leek op deze dag te zijn ingetreden. De dramatische gebeurtenissen in New York en Washington riepen een uitspraak van Schmitt uit de late jaren twintig in herinnering die sindsdien door velen is geciteerd: 'De hoogtepunten van de grote politiek zijn tegelijk de momenten, waarop de vijand duidelijk en concreet als vijand verschijnt.'

Verschillende uitspraken van Amerikaanse politici bevestigden in de maanden na 11 september Schmitts theorie van de radicale en alles bepalende onderscheiding tussen vriend en vijand. Op de gevoelens van woede en ontsteltenis volgde prompt datgene wat reeds de Duitse rechtsgeleerde als een vorm van massatherapie aanraadde: een roep om wraak in de vorm van een vernietigende tegenaanval. In de woorden van Schmitt: der züsarische Schlag.

Tot voor kort leek het voor ons moeilijk de radicaliteit van Schmitts politieke conceptie na te voelen. De alledaagse politiek is volgens onze ervaring immers uit op verzoening en compromis, op het vermijden van crises in plaats van het oproepen hiervan. De gedachte van een vriend-vijand tegenstelling als uitgangspunt voor politiek handelen wekte bevreemding. Vooral in een land als Nederland dat, op z'n zachtst gezegd, niet uitblinkt in harde confrontatie als het gaat om politieke geschillenbeslechting. Hield men zich in Duitsland en Amerika reeds vanaf de vroege jaren tachtig met zijn gedachten over staat en politiek bezig, aan het Nederlandse filosofische front heerste een opvallend stilzwijgen. Maar de gebeurtenissen van 11 september veranderden ook de Nederlandse filosofie. Het liberale concept van politiek en de mogelijkheid door middel van consensus conflicten te bezweren, wordt meer en meer in twijfel getrokken.

Zo gebruikte Luuk van Middelaar in zijn essay (Letter & Geest, 1 december 2001) de voorwaarde die Schmitt stelde aan de politiek als uitgangspunt voor de gedachte dat de Westerse democratieën militair optreden niet moesten schuwen als zij hun Verlichtingsboodschap wilden uitdragen. Net als Schmitt is Van Middelaar van mening dat de politiek, als de zaak erom spant, zijn tanden dient te laten zien. Dit betekent een breuk met de fundamentele onbeslistheid en het skeptisch relativisme dat de postmoderne filosofie lange tijd beheerste. Macht wordt door Van Middelaar niet langer gezien als een ongemak of een haast unanieme exercitie in bescheidenheid, maar als voorwaarde voor het trefzeker uitoefenen van machtswil met alle mogelijke middelen, ook met geweld.

Uiteraard onstond er de nodige ophef over Van Middelaars stuk, niet alleen door het citeren van de nog altijd omstreden Schmitt, maar ook omdat Van Middelaar in navolging van Schmitt strijd als kern van de politiek leek op te vatten.

In een reactie op Van Middelaars stuk (Letter & Geest, 15 januari 2002) bestreed Pieter Pekelharing, docent wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam, de gedachte dat Schmitt als geen ander duidelijk zou maken waar het wezen van de politiek uit bestaat. Zijn filosofie zou de gedachte verheerlijken dat het in de politiek primair gaat om de glorieuze daad, de grote beslissing, het sublieme moment en de confrontatie met de dood. Bovendien gaat Schmitt volgens Pekelharing voorbij aan het karakter van de gewone, alledaagse politiek: het overtuigen van mensen die vrienden noch vijanden zijn en in principe niet onwelwillend tegenover je staan. In tegenstelling tot Van Middelaar blijft Pekelharing vasthouden aan de mogelijkheid door een voortdurend gesprek tot verzoening en een overbrugging van tegenstellingen te komen. De politieke kunst is volgens hem juist het ontstaan van de vriend-vijand tegenstelling uit alle macht te voorkomen. Pekelharing staat dan ook afwijzend tegenover de intellectuele hype die het gedachtengoed van Schmitt na 11 september lijkt te zijn geworden.

Twee verschillende partijen lijken in dit debat onwrikbaar tegenover elkaar te staan. Het liberale kamp zweert nog altijd bij het oneindige gesprek als de koninklijke weg naar de overeenstemming. Zolang de open en eerlijke discussie maar voortduurt, is de oplossing bereikbaar, meent het liberale denken van de Duitse filosoof Jürgen Habermas tot de Canadese filosoof Charles Taylor. Vanuit hun perspectief is elk politiek conflict niet meer dan een meningsverschil dat met een goed gesprek en veel geduld in principe oplosbaar is. Wie aan de redelijkheid van de consensus twijfelt, zet zichzelf daarmee bij voorbaat buitenspel en geldt als politiek verdacht. Hij plaatst zich buiten het discours waarin waarden per definitie algemeen-menselijk zijn en uit puur humanistische overwegingen dienen te worden verdedigd met zo min mogelijk geweld.

Het andere kamp twijfelt in navolging van Schmitt aan deze gedachte en houdt het liberaal-rationalistische concept van politiek voor een naïef Wunschdenken, waarvan de grenzen op 11 september nog eens op niet mis te verstane wijze werden gemarkeerd. Op sommige vormen van geweld kan alleen geweld volgen, betoogt dit kamp. Dat aan het eind van het beschaafde gesprek strijd en onverzoenbaarheid kunnen liggen, mag een onleefbare waarheid zijn; zij is daarom niet minder waar.

Schmitts theorieën zijn obscuur als je ze vanuit rationalistisch standpunt bekijkt. Voor Schmitts politieke filosofie pleit echter dat ze een beduidende plaats inruimt voor het niet-berekenbare. Als geen ander weet Schmitt duidelijk te maken waar politiek om kan gaan als de koninklijke weg van de consensus en bemiddeling wordt verlaten. Dit leidt tot een zeker voorbehoud ten opzichte van de maakbaarheid van de wereld. Daarnaast roept de bestudering van Carl Schmitts politieke theorie de vraag op in hoeverre met name de Amerikaanse buitenlandse politiek niet reeds lang een meer Schmittiaans karakter heeft dan menig Verlichtingsfilosoof wil toegeven. Achter dit verraad aan eigen principes gaat een diepere onmacht schuil. Meer en meer lijken politiek en filosofie het geloof in de vrije, rationeel kiezende en met voldoende verantwoordelijkheidsbesef uitgeruste mens te verliezen. Te lang heeft de ideologie van het eindeloze gesprek de ogen gesloten voor de onmacht van de rede en haar laten verdwijnen achter de illusie dat alle problemen in principe oplosbaar zijn en het denken uiteindelijk vaste greep heeft op de wereld. Op 11 september werd de liberale vooruitgangsgedachte voor haar hoogmoed gestraft. De werkelijkheid heeft haar vrome gedachten ingehaald.

Van Middelaars aanprijzing van de moderniteit is dan ook symptomatisch voor de crisis waarin het liberale vooruitgangsgeloof zich bevindt. De radicale verbreiding van de Verlichtingsboodschap die Van Middelaar voorstaat, is in haar wezen anti-liberaal en totalitair: een ieder die het eigen Vooruitgangsgeloof niet accepteert, zal zo nodig met geweld bekeerd worden. Van Middelaars voorliefde voor oorlogszuchtige retoriek, zijn compromisloze hang naar het absolute en zijn bereidheid het eigen gelijk zo nodig met geweld te halen: het lijken eigenschappen te zijn die een positief oordeel over de democratie uitsluiten.

Het is dan ook geen toeval dat in Van Middelaars analyse de voetnoten die bij de geschiedenis van de moderniteit te plaatsen zijn, ontbreken. De wonderboy van de Nederlandse filosofie wenst de grenzen van het moderne Verlichtingsdenken niet in te zien. In plaats hiervan sluit hij een duivelspact met Schmitt, een denker die het liberalisme als geen ander verafschuwde, om gemeenschappelijk strijd te leveren tegen een vijand die voor nog gevaarlijker wordt gehouden: een ieder die het Westers vooruitgangsgeloof niet wenst te delen. Manmoedig bevordert hij zich zo tot kapitein van een schip dat tot de ondergang gedoemd is, zolang de bemanning de bouwvalligheid van de eigen constructie niet wenst in te zien.

De projectie van Bush als 'nieuwe Napoleon', het uitspreken van de hoop dat Bush 'zijn werk wèl grondig zal afmaken', de onvoorwaardelijke aanbidding van de moderniteit en het verlangen de eigen positie ten opzichte van het andere kamp af te bakenen maken voor Van Middelaar kennelijk elke nuance overbodig. Net als hooggeplaatste Amerikaanse politici lijkt hij maar weinig moeite te doen, tot een gedifferentieerd vijandbeeld te komen. Op fatale wijze verwisselt hij zo eigen kritische reflectie met de geopolitieke belangen van een wereldmacht. De oproep, in het oval office te worden ontboden om Bush' nieuwe wereldorde ideologisch mede vorm te geven, is daarmee geslaagd; maar de kritische houding die de continentale filosofie ten opzichte van de Amerikaanse politieke praktijk kan innemen, is daarmee prijsgegeven.

Belangrijker dan Van Middelaars vorderingen als hoffilosoof van het Witte Huis is echter de vraag, welke gestalte achter de vijand schuilgaat.

De interpretatie die als gevolg van de campagne van Amerikaanse media, regering, parlement en bevolking lange tijd overheerste, is de volgende: de terroristische aanval op Amerika is een aanval van buiten, tegen de Amerikaanse staat, de Amerikaanse natie en daarmee ook tegen de gehele Westerse wereld. Als gevolg van deze zingeving heerste er lange tijd overeenstemming over Amerika's opdracht de strijd tegen de ongeciviliseerde vijand te leiden en het Kwaad tot in de kiem uit te roeien. Na de succesvol verlopen campagne in Afghanistan en de aanhoudend oorlogszuchtige retoriek van de Amerikanen lijken de spanningen binnen het transatlantisch bondgenootschap te groeien. De oude dame Europa lijkt minder geneigd het Amerikaanse vijandbeeld over te nemen. Zij verwijt de enig overgebleven wereldmacht nu openlijk arrogantie, starheid en militair monopolisme.

De gedachte, dat de vijand ook in onszelf aanwezig is, wordt hierbij nog altijd niet toegelaten. Achter de problemen, die de Amerikaanse en deels ook Europese politiek op de vijand afschuiven, gaan voor een deel ook eigen onmacht, eigen frustratie en eigen gespletenheid schuil. Het terrorisme is als vijand ook een reactie op een gebrek aan zelfreflectie als het gaat om de mondiale expansie van het Westers denken, dat door velen als alleenzaligmakend wordt beschouwd. In onze vijand-projecties schuilt ook een deel van onze eigen identiteit, dat door gebeurtenissen die buiten het beredeneerbare vallen, naar voren wordt geroepen en in de gestalte van een vijand vorm krijgt. Het was uitgerekend Carl Schmitt, de politiek filosoof die het liberalisme als geen ander verafschuwde, die deze gedachte onder woorden bracht toen hij van de vijand als 'unsere eigene Frage in Gestalt' sprak.

Deze kritische reflectie op de duivelse gedaante van een vijand, die ook in onszelf aanwezig is, heeft in het huidige debat nog altijd geen vaste plaats veroverd. Een gemis. Want wie de vijand als spiegelbeeld van zichzelf niet waarneemt, niet als probleem begrijpt en ter sprake brengt, zal haar later in de gestalte van een vijandelijke terrorist ontmoeten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden