Het gesloten boek

'Het is me pas laat een beetje gaan bevreemden dat je op een heel goed gymnasium gezeten kunt hebben, zonder ook maar enig benul te hebben gekregen van de christelijke cultuur. Zeus, Athena, Artemis, Apollo, jawel. Maar enig idee van waar Kerstmis en Pasen voor staan, ho maar; om van de aartsvaders en de profeten te zwijgen.'

De schrijver Nicolaas Matsier zwalkt heen en weer tussen enerzijds: 'kom op, gun de islam zijn eigen zuil, en: ben je nou helemaal gek, laten we nu eindelijk eens echt goed openbaar onderwijs voor iedereen invoeren - maar dan wel met een stevig verplicht vak cultuur van het christendom in het pakket'.

Maar op de volgende pagina's pleit de filosoof Paul Cliteur juist tegen het christendom en voor de Griekse erfenis: 'Socrates, niet Jezus'.

De Ark des Verbonds, was dat niet - eens even nadenken - het vaartuig waarin Noach al die dieren bijeenbracht? En Golgotha - stond dat misschien in verband met de Groot-Mogol in Brits Voor-Indië? En Salomo, was dat niet - eh, die Griekse filosoof?

Waar haal ik deze kleine bloemlezing van moderne bijbelse onwetendheid vandaan? De lezer zal het niet kunnen raden. Bovenstaande tentatieve antwoorden zijn afkomstig uit een schotschrift geschreven door een rector van het Stedelijk Gymnasium in Utrecht, dat getiteld is: 'Gebrekkige Bijbelkennis, een leemte in de ontwikkeling der beschaafde kringen'.

Het werd gepubliceerd in 1909, alweer bijna een eeuw geleden dus. Deze vragen dienden ertoe om vast te stellen wat de ondervraagden afwisten van bijbelse geschiedenis. De geciteerde antwoorden werden gegeven door (onder anderen) kandidaten voor het onderwijzersexamen. De rector van het gymnasium noemt een en ander 'om te rillen en te beven'. En hij zou wensen dat dergelijke kandidaten 'alleen reeds om hunne onwetendheid op dit punt [...] voor hun examen zakten'.

Bovenstaande citaten trof ik aan in een boek dat vroeger bij mijn ouders in de kast stond en nu bij mij onderdak heeft gevonden. Het heet 'De bijbel als boek van schoonheid'. De auteur is dr. B. Wielinga. Het werd in 1925 uitgegeven door J.H. Kok te Kampen. Geen twijfel aan: mijn ouders zullen mét die rector van het stedelijk gymnasium te Utrecht gegruwd hebben. Het was als collega-onderwijzers aan een School met den Bijbel dat zij, die mijn ouders zijn geworden, elkaar hebben leren kennen; in de jaren dertig van de vorige eeuw.

Het valt te begrijpen dat ik - opgevoed door zulke ouders die allebei afkomstig waren uit een milieu van kleine luyden - nog wat je noemt de volle mep heb gehad. Een protestantse opvoeding midden vorige eeuw vond zowel thuis plaats, als in de kerk, als op school. Er was eenvoudig geen ontsnappen aan. Thuis werd er drie maal daags bij de maaltijden gebeden en uit de bijbel gelezen. Op zondag ging men gezinsgewijs naar de kerk, twee keer, ook de kleine kinderen. De bijbel die ik tot mijn zesde levensjaar heb horen voorlezen, was enerzijds de Statenvertaling, anderzijds de kinderbijbel van W.G. van de Hulst. Voor degenen die deze naam niets meer zegt: de onderwijzer en kinderboekenschrijver W.G. van de Hulst is in beroemdheid en bereik een soort van Annie M.G. Schmidt geweest voor de kinderen en de kleinkinderen van de kleine luyden.

De zogenaamde Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap verscheen in 1951, het jaar dat ik naar de eerste klas ging van wat toen het lager onderwijs heette. Bij het verlaten van de lagere school kreeg elk kind van die bijbel een klein, zwart, gebonden exemplaar in de hand gedrukt door het Hoofd der School. Voorin zat een papiertje geplakt met daarop jouw naam gecalligrafeerd, in rode en zwarte letters, vergezeld van de opwekking: 'Lees dit boek dagelijks' (Johannes zoveel vers zoveel).

Op die lagere school had je op een ongeteld aantal maandagmorgens je opwachting gemaakt met een nieuw psalmversje in het hoofd. Kind voor kind werd uit de bank geroepen, ging naar voren, en zei het nieuw geleerde psalmvers zachtjes op tegenover de meester of de juf. Je kreeg een tien en ging weer terug naar je plaats.

In de gymzaal werd het Kerstfeest gevierd. Misschien wel honderdvijftig kinderen scandeerden daar dan de volgende verzen:

En er zal een rijsje voortkomen

uit de tronk van Isai.

En zijn naam zal zijn:

wonderbare raadsman,

sterke god,

eeuwige vader, vredevorst.

Dat wil zeggen, zo tref ik de dreun aan in mijn herinnering. Maar het geheugen, zoals bekend, is een toverachtige en bedriegelijke instantie. Toen ik nasloeg waar ik die verzen dan wel vandaan had en of het klopte, dat citaat, moest ik vaststellen dat mijn geheugen twee verschillende passages uit het boek van de profeet Jesaja aaneengesmeed had. Waardoor ik dus eigenlijk niet meer kan zeggen wat ik nu juist wilde gaan zeggen, namelijk dit. Zulke dingen konden kinderen toen! Geen idee overigens, destijds, van wat dat voor een rijsje was dat daar uit die tronk zou voortkomen. Je kunt er vergif op innemen dat dat rijsje en die tronk niet meer te vinden zullen zijn in de Nieuwe Bijbelvertaling die eind dit jaar gepubliceerd zal worden.

Ik herinner me dat ik al heel vroeg heb gedacht: die kinderen daar in Israël hebben in elk geval één schoolvak minder dan wij hier. Daarginds, dat leek mij zonneklaar, moest vaderlandse geschiedenis wel hetzelfde zijn als bijbelse geschiedenis. - Dat de moderne staat Israël ongeveer net zo oud was als wijzelf, daarvan wisten wij in 1951 nog helemaal niks.

Ik heb dus christelijk lager, christelijk middelbaar en christelijk universitair onderwijs genoten. Het zal duidelijk zijn dat het, met zo'n opvoeding, een hele toer wordt om niet te weten wie Salomo was, dat Golgotha niet in India gezocht dient te worden, en wat de ark des verbonds voor een ding was.

II

Aan mijn jeugd is heel wat van die typisch protestantse bijbellezerij te pas gekomen, maar naarmate ik ouder werd tot mijn toenemende afkeer. Eigenlijk al op mijn vijftiende had ik er mijn bekomst van. In een schoolpauze - ik zat in de derde klas van een christelijk gymnasium in het westen des lands - ben ik, ten overstaan van een vriend met wie ik al wandelend mijn boterhammen opat, afvallig geworden.

In mijn boek 'Gesloten huis' heb ik de gang van zaken summier beschreven. Al bevalt de aanduiding 'afvallig' me maar matig. Niemand wordt immers geboren als gelovige. Geloof is iets dat je moet worden bijgebracht. Daar moet je eerst een tijd lang voor in opleiding zijn geweest. En eerder heb ik het idee dat ik mijn opleiding niet af heb gemaakt dan dat ik, met dat vreselijke woord, afvallig zou zijn geworden.

Destijds, dat kan ik verzekeren, was het trouwens nog een hele inspanning om afvallig te worden. Het is me niet in de koude kleren gaan zitten, en het heeft ook nog behoorlijk lang geduurd voor het tot een fatsoenlijke modus vivendi kwam - wat dit betreft - tussen mij en mijn ouders. In 1960, het kan geen kwaad dat te benadrukken, in 1960 had nog helemaal niemand in Nederland in de gaten dat het heel hard zou gaan met de ontkerkelijking, met de secularisatie, en met wat inmiddels de individualisering is gaan heten.

Onlangs trof ik op een nieuwjaarsborrel van een uitgeverij een Nederlandse dichter van Marokkaanse komaf. Ik kende hem alleen van zijn werk, niet persoonlijk. Hij schrijft lichte, geestige, mooie poëzie. In het enorme lawaai van die borrel - hij sprak bijna rechtstreeks in mijn oor - vertelde hij me tot mijn grote verrassing hoe nauwkeurig van toepassing die geschiedenis van mijn afval zoals beschreven in 'Gesloten huis' ook voor hem en naar hij dacht heel wat hoofddoekjes was. Mijn sleutelwoorden van toen - verraad, lafheid, ongemak, stilzwijgen, loyaliteit - bleken nu de zijne te kunnen wezen.

III

Welnu - toen onze kinderen naar school moesten, hebben wij er geen seconde over hoeven nadenken naar wat voor voort van onderwijs onze voorkeur uitging. Voor ons allebei was dat heel simpel: ze moesten naar het openbaar onderwijs. Mijn kinderen hebben dus achtereenvolgens openbaar basisonderwijs, openbaar middelbaar onderwijs, en openbaar hoger onderwijs gevolgd.

Waarbij het me eigenlijk pas laat een beetje is gaan bevreemden dat je op een heel goed gymnasium gezeten kunt hebben (waar je dan, laten we hopen, een en ander op hebt gestoken over bijvoorbeeld de Griekse goden), zonder ook maar enig benul te hebben gekregen van de christelijke cultuur. Zeus, Athena, Artemis, Apollo, jawel. Maar enig idee van waar Kerstmis en Pasen voor staan, ho maar; om van de aartsvaders en de profeten te zwijgen.

Nu waren mijn vrouw en ik, net zoals heel wat van onze beste vrienden, cultuurhistorisch gesproken nog christenen. In die zin dat we altijd een misschien wat meer dan gemiddelde belangstelling hebben gehad en gehouden voor wat mijn jongste dochter tijdens een vakantie - misprijzend - wel eens 'kerken, kloosters en musea' heeft genoemd.

Het probleem van de kinderbijbel heb ik als jonge vader kloekmoedig onder ogen trachten te zien. Ik heb me naar een grote boekhandel begeven en een halve meter kinderbijbels aangeschaft. In het cultureel supplement van een liberale krant heb ik een paginagroot stuk over mijn bevindingen geschreven. Waarbij ik me niet ontzien heb ook nog even uit te halen naar juist de kinderbijbel die eigenlijk het meest leek te passen bij onze ex- of postchristelijke gezindte - die van Karel Eykman. Want ik ergerde me - destijds, het is alweer twintig jaar geleden - nogal aan deze rose, sociaaldemocratische kinderbijbel.

Deze kinderbijbel wist niet goed raad met engelen en wonderen, en evenmin met heel wat voor de kinderziel blijkbaar onverdraaglijke wreedheid. Bovennatuur en wreedheid waren weggewerkt uit de verhalen. Terwijl kinderen die tegen de sprookjes van Grimm bestand zijn heus ook wel tegen bijbelse wreedheden en wonderen zullen kunnen. De kinderziel hoeft niet op die manier beschermd te worden.

IV

Intussen zijn de kinderen de deur uit. Na mijn vijftiende was de bijbel een min of meer gesloten boek voor mij geweest, dat ik hooguit opsloeg om er een citaat in te kunnen thuisbrengen. Pas in de afgelopen jaren kreeg ik de behoefte om het door mij zo lang vermaledijde boek nu eens echt goed te lezen. Ik wilde de bijbel, en dan allereerst het Oude Testament, lezen als de grote literatuur die de bijbel op heel veel plaatsen is.

Die onderneming is uitgemond in het boek 'De bijbel volgens'. Daarbij heb ik geen religieuze oogmerken gehad. Ik zou niet weten hoe dat zou moeten, geloven, in een andere zin dan het geloof dat elke toegewijde lezer van literatuur altijd weer voor elkaar pleegt te krijgen, namelijk de bereidheid om mee te gaan in een voorgestelde werkelijkheid, welke dan ook. Het is alleen bij de gratie van die bereidheid dat lezen überhaupt mogelijk is.

Een paar duizend jaar is de bijbel bestudeerd door gelovige lezers: joodse rabbijnen, christelijke theologen, en in hun spoor de ongestudeerde gewone gelovigen. Al deze gelovige lezers lijken over het algemeen weinig oog te hebben gehad voor de bijbel als literatuur. Tussen geloven en lezen lijkt soms zelfs een complete wereld te liggen.

Het lezen van de bijbel met een allereerst literaire blik is dan ook een betrekkelijk modern verschijnsel, dat ongetwijfeld deel uitmaakt van een heel geleidelijke geschiedenis van secularisatie en individualisering die al veel langer aan de gang is (en waarvan de Reformatie ook zelf weer een etappe is geweest). De Reformatie is, preciezer gezegd, de vorm geweest waarin de Renaissance zich binnen het kerkelijk christendom heeft voltrokken. En het is natuurlijk vooral de vertaling van de bijbel in de volkstaal geweest - ik heb het nu over de Statenvertaling van 1637 - die zowel Nederland als het Nederlands in hoge mate bepaald heeft.

Ik ben mij er tijdens het schrijven van dat boek pas goed van bewust geworden dat ik cultuurhistorisch gesproken een christen ben en mij dat ook voel. Sterker, ik ben ervan overtuigd dat iedereen in dit land die geen min of meer recente nieuwkomer is, deel uitmaakt van een door allerlei vormen van christendom gekleurde cultuur. Dat het besef daarvan sterk afgenomen is, stemt tot nadenken. En misschien ook wel tot enige zorg. Namelijk in zoverre als zich daarmee ook een culturele breuk van allure aftekent.

Bij dat alles is het heel curieus dat deze situatie zich uitgerekend voordoet aan het begin van een eeuw waarin een steeds grotere groep van nieuwe Nederlanders zich in de een of andere mate identificeert met de laatste van de drie godsdiensten van het boek, de islam. Maar ook los daarvan is het naar mijn idee zaak om met de voor een goed begrip van onze cultuur vereiste bagage niet langer zo nonchalant om te springen.

Er is de laatste tijd veel te doen geweest over de vrijheid van onderwijs in dit land. Zelf zwalk ik heen en weer tussen enerzijds: kom op, gun de islam zijn eigen zuil, en: ben je nou helemaal gek, laten we nu eindelijk eens echt goed openbaar onderwijs voor iedereen invoeren - maar dan wel met een stevig verplicht vak cultuur van het christendom in het pakket.

'Lees dit boek dagelijks.' Dat is voor een toenemend aantal mensen een beetje veel van het goede, zo niet een heel vreemde oproep. Maar degene voor wie de bijbel een definitief gesloten boek is, heeft geen toegang meer tot een Europese geschiedenis die zich uitstrekt tot ideeën en gebouwen, tot schilderijen en muziek, tot beeldhouwkunst en literatuur. Dat die Europese geschiedenis daarmee ook zelf veel weg krijgt van een gesloten boek, stemt uiterst onbehaaglijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden