Review

Het geniaalste kind van zijn tijd

Sir Isaac Newton was geen koele rationalist. Die kon niet bestaan in de 17de eeuw. Maar hij was ook geen wilde magiër, zoals biografen een tijdje dachten. In een nieuwe levensbeschrijving door James Gleick komt goed uit de verf hoe voor Newton wetenschap en geloof met elkaar te rijmen waren.

Van alle mensen was Newton juist géén newtoniaan, schrijft James Gleick in zijn biografie van de Britse natuurkundige. Compacter kun je het mysterie Newton bijna niet beschrijven. De man die nagenoeg in zijn eentje het fundament van de natuurwetenschap legde, die vermoedelijk het grootste genie aller tijden was, diezelfde man besteedde het merendeel van zijn leven aan theologische vraagstukken en alchemie.

Dat is een combinatie die voor ons bijna niet te vatten is. Honderd jaar geleden bestond die combinatie niet eens. In de Victoriaanse tijd groeide het beeld van Sir Isaac Newton (1643-1727) uit tot het toonbeeld van de moderne wetenschap. Een geduldige, toegewijde en hardwerkende man. Een wetenschapper, zoals de opkomende wetenschap het in die dagen graag zag.

Totdat de econoom John Maynard Keynes in 1936 een deel van Newtons manuscripten wist te bemachtigen. Die geschriften hadden twee eeuwen lang liggen verstoffen bij de Britse adel. Keynes las de werken en ontdekte dat Newton niet de kille rationalist was die met zijn wetten de wereld van zijn mystiek had ontdaan en had veranderd in een autonoom uurwerk. Hij bleek een veel vreemder en uitzonderlijker genie te zijn geweest. ,,Newton was niet de eerste van het tijdperk van de rede'', hield Keynes zijn gehoor voor. ,,Hij was de laatste der magiërs.''

Kijk, daar houden biografen van. Een natuurkundige die de wiskunde invoert als de taal van de natuur, maar ook de plattegrond van de tempel van Salomo probeert te achterhalen, omdat hij in de verhoudingen van de maten een geheime boodschap ziet. Iemand die wars is van filosofische bespiegelingen en eist dat fysische wetten op experimenten zijn gebaseerd, maar tegelijk prutst met alchemistische brouwsels.

Maar sinds de ontdekking van Keynes hebben biografen hun tanden stukgebeten op deze paradoxale persoon en is ons beeld van Newton naar zijn duistere kant doorgeslagen. Ook zijn grote wetenschappelijke biograaf, Richard Westfall kwam er, met zijn in 1980 verschenen 'Never at Rest', niet helemaal uit: ,,Hoe meer ik hem bestudeerde, des te verder raakte Newton van mij verwijderd. (...) Alleen een tweede Newton zou het wezen van de eerste volledig kunnen begrijpen, maar zo'n tweede Newton zou wel wat beters te doen hebben dan een biografie van de eerste schrijven.''

En dan komt James Gleick met zijn ultrakorte biografie. In amper tweehonderd pagina's denkt hij het fenomeen Newton wel te kunnen vatten.

Nu is Gleick zelf ook een fenomeen. Deze voormalige wetenschapsjournalist van de New York Times verwierf in de jaren tachtig wereldfaam met zijn boek over de chaostheorie. Ook zijn biografie van Richard Feynman ('Genius') kreeg een warm onthaal. Maar Sir Isaac in tweehonderd bladzijdes? En dan ook nog die gespleten persoonlijkheid naar behoren behandelen?

Het is Gleick wonderwel gelukt. Natuurlijk, de lezer moet weten wie Newton is, en wat zijn wiskunde en mechanica ongeveer behelzen. En enig denkwerk is ook wel gewenst. Maar dan verrijst een Newton die helemaal niet gespleten was. Voor wie theologie en fysica helemaal niet elkaars tegenpolen vormden.

Naar zijn eigen idee verdreef Newton met zijn gravitatiewetten God niet uit de hemelse sferen. Zijn wetten openbaarden slechts de regels waarmee God het heelal had laten werken. Andersom vond hij dat ook theologische kwesties met feiten beslecht moesten worden. Zo volhardde hij in zijn overtuiging dat het dogma van de Heilige Drie-eenheid een verzinsel was; hij had er in de Bijbel geen enkele aanwijzing voor gevonden.

Gleick laat nog een derde kant van Newton zien. De contactgestoorde, rancuneuze wetenschapper. Beroemd is zijn strijd met Robert Hooke, met het fameuze citaat: ,,Als ik verder heb gezien, komt dat doordat ik op de schouders van reuzen sta.'' Jammer genoeg laat Gleick onvermeld dat Hooke klein en gebocheld was.

Vileiner was het gevecht met Gottfried Wilhelm von Leibniz, over de auteursrechten op de differentiaalrekening. Newton had zijn methode uitgewerkt, toen de pest hem in 1665 uit Cambridge verdreef en naar de afzondering van zijn ouderlijk huis verjoeg. Maar toen Leibniz zijn gedachtegoed in 1684 publiceerde, had Newton, geheimzinnig en teruggetrokken als hij was, nog niets van het zijne geopenbaard.

Vermoedelijk was Newton de eerste, en vermoedelijk ook kwam Leibniz onafhankelijk van hem tot hetzelfde resultaat, maar destijds kwamen de heren, en de wetenschappelijke wereld met hen, er niet uit.

Het dispuut liep hoog op en Newtons rol in deze was niet erg kies. De eerbiedwaardige Royal Society, waar Newton voorzitter van was, gaf een rapport uit (dat anoniem door Newton was geschreven) waarin Leibniz van plagiaat werd beschuldigd, waarna de Philosophical Transactions het rapport besprak -maar ook deze bespreking was van de anonieme hand van Newton.

Met deze kwestie besluit Gleick zijn biografie, al heeft Newton in de vijftien jaar die hij daarna nog leefde, zeker niet stilgezeten.

Gleick toont zich hier meer de wetenschapsjournalist dan de biograaf. Hij beschrijft geen leven van geboorte tot dood, maar een persoon en gebruikt daarvoor de feiten die hij nodig heeft. Juist die journalistieke aanpak maakt het boek zo leesbaar. Je zou bijna willen dat het wat dikker was. Dat is echter geen verwijt maar een compliment.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden