Het geluk van de stadse straat

De Dappermarkt in de Amsterdamse Dapperstraat. Dichter J.C. Bloem werd er, jaren geleden, domweg gelukkig van. (FOTO PATRICK POST)Beeld Patrick Post

In boeken, films, opera’s en op schilderijen komen vaak reëel bestaande plekken voor. Trouw zocht een paar van die Hollandse locaties uit en kijkt hoe de werkelijkheid zich tot de fantasie van de kunstenaar verhoudt. Aflevering 2: De Amsterdamse Dapperstraat uit het gedicht van J.C. Bloem.

Het is even na negenen in de ochtend. De kat begeeft zich naar de kippenkraam, gaat daar zitten, blijft wachten totdat hij z’n stukje kip krijgt. Eenmaal tevreden vertrekt het dier weer huiswaarts. Het is een dagelijks terugkerend tafereel in de Dapperstraat, de straat in Amsterdam Oost die beroemd is om zijn markt, en misschien nog beroemder door het gedicht dat J.C. Bloem (1887-1966) in oktober 1945 schreef met de bekende regels: ’Domweg gelukkig, in de Dapperstraat’ (zie rechts).

De kat is de laatste tijd niet meer te zien, de verkoper van de kippenkraam begrijpt er zelf eigenlijk ook maar niets van. „Waarschijnlijk is hij dood”, zegt hij, „anders zou ik het ook niet weten.” Hij haalt een foto van het beestje achter de toonbank vandaan; het zit daar inderdaad likkebaardend, bedelend op zijn vaste plek. „Deze foto is het enige wat we nog hebben.”

De Dapperstraat (vernoemd naar de Nederlandse historicus Olfert Dapper, 1636 -1689) is wellicht op z’n mooist zo aan het begin van de ochtend, als de marktkooplui hun kraampjes opbouwen, hun verse waar uitstallen of nog bij de marktbaas in de rij staan voor de verdeling van de plekken. Een enkele reiger loopt parmantig rond of vestigt zich zonder enige angst bovenop een van de viskramen halverwege de markt. Iedere dag keren de reigers, de meeuwen, de duiven terug om iets mee te pikken van deze kleurrijke bedoening. Op zondag, als de straat leeg is, lopen ze wat verweesd rond. De verplichte rust is voor deze dieren geen pretje, niets valt er te halen in die dan zo slome, saaie en doodse Dapperstraat, een gewone straat in Oost waar alle oude huizen zijn gesloopt en hebben plaatsgemaakt voor nieuwere strakke exemplaren.

Dagelijks lopend over deze markt, vanaf het Muiderpoortstation richting werk, dringt zich vaak de gedachte aan dat zo bekende gedicht van J.C. Bloem op: ’De Dapperstraat’. Komend uit het weelderige groen van de eigen woonplaats is het de eerste confrontatie met de stad, die zo smerig genoemde en vaak beschimpte stad. Maar toch, die dagelijkse gewoontes, die sfeer, die taal, die geur, die omgang van al die verschillende mensen met elkaar, het brengt iets wat je mist in dat zo rustige en bezadigde groen. De man die vijgen verkoopt zegt met lichte hoon tegen zijn buurman die schoenen aan de man probeert te brengen: „Je kan beter de daklozenkrant verkopen”. „Door jou stem ik op Wilders”, sneert de man terug. „En stem ik op je schoonmoeder”, antwoordt de ander op zijn beurt gevat. Even verder zegt een marktkoopman tegen een collega: „Ik heb een sprookjeshuwelijk. De heks zit thuis.” Het zijn korte dialogen, elke dag te beluisteren, vaak met humor uitgesproken. De markt is een kleine samenleving op zich, waar vele nationaliteiten wonderwel vrij soepel met elkaar om kunnen gaan. De wederzijdse spot en pesterijtjes gaan net niet over de schreef, zo lijkt het, het hoort bij het stadse leven hier op de Dappermarkt. Daar kan het bezadigde groen, hoe heerlijk ruikend, hoe mooi ook, niet tegen op, zo dacht J.C. Bloem. Op die ochtendwandelingen richting werk kan je hem alleen maar gelijk geven. De keuze tussen stad en platteland, dat is onder andere waar het gedicht om gaat.

De Dapperstraat dweept nog met de dichter en zijn ’domweg gelukkige’ dichtregels van Bloem. Op een van de muren staan ze in vele talen geschreven: simplemente feliz; sondro prakseri koloku fiiri; nedense biv serinç; heureux, tout bonnement; ganz einfach glücklig; perfectly happy. Maar het zijn allemaal woorden die het niet halen bij ’domweg gelukkig’ dat zo mooi allitereert met het woord Dapperstraat. En om deze reden heeft J.C. Bloem destijds waarschijnlijk ook de Dapperstraat gekozen als verbeelding van de stadse straat die de mens op sommige momenten zo gelukkig kan maken. Domweg gelukkig word je niet in de Albert Cuypstraat of de Bloemstraat.

J.C. Bloem heeft daar destijds met zijn vriend en dichter Bertus Aafjes een heftige discussie over gehad in een café in Amsterdam-Oost, zo gaat de anekdote. De twee sloegen menig glaasje jenever achterover. En Aafjes zat Bloem voortdurend te sarren. ’Stomweg gelukkig in de Dapperstraat’ is veel mooier, zei hij steeds weer. Nee, het is ’domweg gelukkig’, antwoordde de in zijn ziel geraakte Bloem. Aafjes zei later: „Het is mij altijd een volstrekt raadsel geweest waarom ik die hele middag van stomweg sprak, daar die twee letters de dichtregel zonder meer vermoorden. Was het aankomende dronkenschap, was het behoefte om grappig te zijn...?

Niemand is ’stomweg’ gelukkig in de Dapperstraat, hooguit in de Sarphatistraat.

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.

En dan: wat is natuur nog in dit land?

Een stukje bos, ter grootte van een krant,

Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,

De in kaden vastgeklonken waterkant,

De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand

Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.

Het leven houdt zijn wonderen verborgen

Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mij zelve overdacht,

Verregend, op een miezerige morgen,

Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden