Het geloof in de maakbaarheid is verhard

De optimistische idee dat een humane samenleving valt te scheppen, heeft plaatsgemaakt voor de eis dat alles snel beter moet. Een maakbare samenleving, maar niet meer vanuit idealisme, maar vanuit angst en argwaan. De massa heeft het woord genomen en wil veranderingen door te straffen, te dwingen en te verbieden.

J.A.A. van Doorn

Een revolutie is moeilijk te duiden. Pas geruime tijd na afloop valt vast te stellen welke elementen uit de oude orde zich hebben gehandhaafd en welke voornemens tot vernieuwing gerealiseerd zijn. Voor de tijdgenoot is het beeld chaotisch.

Inderdaad geeft een terugblik op het afgelopen jaar vooral chaos te zien, zozeer zelfs dat bij menigeen de verwachting bestaat dat we binnenkort weer tot de goede oude orde van de dag kunnen overgaan. Het politieke bestel is weliswaar flink door elkaar geschud maar van een revolutie kan toch niet worden gesproken.

Natuurlijk zijn er nogal wat uitzonderlijke en zelfs schokkende dingen gebeurd. Er is een politicus vermoord, een nieuwe partij boekte formidabele winst en stootte door naar de regeringsmacht, het kwam tweemaal in één jaar tot een kabinetscrisis en een hele generatie van toppolitici is in korte tijd weggevaagd.

Toch is dit alles onvoldoende om van een historische trendbreuk te kunnen spreken. Hoe eigenaardig het ook klinkt: het gaat in alle gevallen om incidenten, om uiterlijkheden die maar zeer ten dele verraden wat er onder de oppervlakte aan de hand is. Om daarop kijk te krijgen zullen we dieper moeten afsteken en de vraag moeten stellen welke betekenis aan het gebeuren in 2002 moet worden toegekend.

Het begrip 'maakbare samenleving' biedt bij deze speurtocht een bruikbaar instrument. Het was de laatste tijd een vies woord geworden, dat associaties opriep met het kabinet-Den Uyl in de jaren zeventig, de tijd van Vadertje Albedil en het programmatisch streven naar spreiding van kennis, macht en individuele vrijheid, zelfredzaamheid en marktwerking. De burger werd geacht zijn eigen boontjes te doppen en hij geloofde dat inderdaad te kunnen.

Precies op dit punt vertoont het voorbije jaar een omslagbeweging. Ineens klinkt allerwegen een roep om orde, tucht en regelmaat. Het gezag moet worden hersteld en verstevigd, van ouders en opvoeders, politiemensen en rechters; het openbare domein dient tot elke prijs veiliger te worden; de landsgrenzen moeten weer echte grenzen worden en de nieuwe medeburgers dienen hun plaats te weten.

In sommige opzichten lijkt het er zelfs op dat de oude tijden van Uyliaans staatspaternalisme in volle glorie herleven. De sociaal-democratische strijd tegen de standenschool vindt een vervolg in de vraag om 'eerlijke' spreiding van allochtone leerlingen over alle scholen, desnoods met busjes naar het andere einde van de stad vervoerd. De destijds fel afgewezen kritiek van minister Van Kemenade op het verzuilde onderwijs neemt de vorm aan van kritiek op het moslimonderwijs: Zalm wil een stop op de oprichting van nieuwe islamitische scholen en zelfs het CDA kan zich vinden in meer toezicht van de Inspectie op godsdienstlessen.

Onlangs bepleitten onderzoekers een 'opvoedcursus' voor elke ouder in de probleemwijken, een idee die ons terugvoert naar het welzijnsoffensief van de jaren zeventig. Kortom: het oude 'maakbaarheidsideaal' lijkt terug van weggeweest.

Zo lijkt het inderdaad, maar zo is het niet. Het is waar dat het geloof in de weldadigheid van laissez faire op allerlei terreinen een geduchte knauw heeft gekregen en dat de ordenende en sturende rol van de overheid opnieuw wordt erkend, maar het huidige maakbaarheidsconcept verschilt wezenlijk van het oude.

Ik zie drie fundamentele verschillen. In de eerste plaats werd het geloof in maatschappelijke maakbaarheid voorheen gevoed door een uitgesproken positief mensbeeld. De mens is niet slecht, hooguit zwak of dom. Raakt hij van het rechte pad, dan moet hij natuurlijk worden gecorrigeerd maar zijn bestraffing dient primair om hem te 'reclasseren'. Belangrijker is evenwel dat de samenleving zo is ingericht dat de meeste burgers zich vanzelfsprekend oppassend en verstandig zullen gedragen. Daartoe is het nodig dat ze goed onderwijs krijgen, een redelijk betaalde baan, sociale zekerheid en respect als lid van de gemeenschap.

Daaraan moet echter voortdurend worden gewerkt. De maatschappelijke organisaties, de politieke partijen en de kerken hebben de plicht de voorwaarden te scheppen die de grote massa een menswaardig bestaan garanderen. Al leggen de kerken de nadruk op moraal en fatsoen, de liberalen op onderwijs en de sociaal-democraten op welvaart voor iedereen, ze zijn het erover eens dat met voldoende inspanning een humane samenleving valt te scheppen. Voor de overheid blijft de taak deze inspanningen alle ruimte te geven en waar nodig te ondersteunen.

Het huidige maakbaarheidsstreven kent dit optimisme niet. Het is gestoeld op de veronderstelling die ooit door de criminoloog W. Buikhuisen is vertolkt met zijn uitspraak: 'De mens kent geen maat'. Hij moet stevig in het gareel worden gehouden. Hij dient zich te kunnen legitimeren, desnoods preventief te laten fouilleren en te aanvaarden dat ordebewakers hem observeren en camera's hem bespieden. Gaat hij ondanks alles toch over de schreef, dan passen harde straffen, niet om hem een beter mens te maken maar als vergelding.

Niet alleen wordt de vrijheid ingeperkt, ook de sociale gelijkheid staat onder druk. Allochtonen, drugsverslaafden, voetbalsupporters -tal van 'risicogroepen' worden met argwaan bejegend. Scheidslijnen tussen 'wij' en 'de anderen' worden openlijk aangewezen en gemarkeerd. Moslims zijn verdacht en wie een hoofddoekje draagt, staat ter discussie.

Stonden staat en kerk voorheen als pacificerende instanties naast elkaar en bood de overheid een afspiegeling van de diverse ideologische stromingen, de ver voortgeschreden secularisatie en ontideologisering hebben de staat tot een machine gemaakt en het recht tot een instrument in dienst van beleidsdoeleinden. Het geloof in maakbaarheid is niet langer een uiting van vertrouwen maar van angst en argwaan.

Het tweede verschil tussen voorheen en thans hangt hiermee samen. Het oude maakbaarheidsconcept kende een lange-termijnpersprectief. Het uitbannen van armoede, onwetendheid en geweld zou generaties lang moeten worden volgehouden. Het beschavingsoffensief van de liberalen en de maatschappelijke hervormingen waaraan de socialisten werkten waren een zaak van lange adem. Men wist dat Keulen en Aken niet op één dag waren gebouwd.

Om die reden nam men ter bereiking van ambitieuze doeleinden doorgaans een omweg. Door middel van volksopvoeding, volksonderwijs en volkswoningbouw zou men op den duur oppassende burgers kunnen kweken; geleidelijke uitbreiding van het kiesrecht zou die burgers politiek mondig maken; met een actief werkgelegenheidsbeleid kon men volkswelvaart realiseren. Door dit alles zou op termijn asociaal gedrag verdwijnen en de criminaliteit afnemen.

Op dezelfde manier ging men nieuwe uitdagingen te lijf, zoals de integratie van de toegestroomde buitenlanders: met respect voor hun anderszijn, erkenning van hun godsdienst, en met onderwijs in de eigen taal en cultuur als de beste (om)weg naar uiteindelijke assimilatie.

Deze geduldige maakbaarheidsprojecten zijn momenteel impopulair. Deels omdat ze vaak ineffectief zijn gebleken, deels ook omdat de huidige burger weinig geduld pleegt op te brengen en op elk gebied directe bevrediging van de eigen wensen eist en zero tolerance voor wie hem de voet dwars zet. Het publieke discours laat het zien: termen als preventie, voorlichting en overleg zijn roestig geworden en vervangen door straffen, dwingen en verbieden.

Het is de naïeve taal van de straat en ze weerspiegelt de derde trendbreuk in de maakbaarheidsfilosofie. Voorheen werden maakbaarheidsprojecten steeds bedacht en ontwikkeld door politici, ambtenaren en experts, dus door leden van de maatschappelijke elite. Ze werden top-down gerealiseerd en naar de mening van de burgers, inclusief de direct belanghebbenden, werd niet gevraagd.

Inmiddels heeft de massa het woord genomen en de politici opgeroepen te verklaren waarom vele problemen zo omslachtig worden aangepakt, waarom niet harder en sneller wordt opgetreden. Waarom worden asielzoekers niet aan de grens tegengehouden, illegalen uitgezet, jeugdige vandalen opgepakt, criminelen uit de circulatie genomen, sociale fraudeurs van hun uitkering beroofd? Waarom wordt trouwens de ene na de andere affaire onthuld zonder dat men iets lijkt te hebben geleerd? Met een mooi woord omschreven: de roep om de maakbare samenleving is gedemocratiseerd.

Inderdaad is het geloof in maatschappelijke maakbaarheid in de samenleving teruggekeerd maar het is onherkenbaar veranderd. Het vloeit voort uit een antropologisch pessimisme -een wantrouwen in de mens- het wordt gekenmerkt door een driftig ongeduld en het is in handen gevallen van de massa, die zonder ervaren leiders de overheid rechtstreeks aanspreekt en tot harde interventie wil dwingen.

Het is mogelijk dat we met een intermezzo te maken hebben en dat het politieke bestel erin zal slagen, na wat retorische hoogstandjes en veelbelovende schijnbewegingen, in het oude spoor terug te keren. Waarschijnlijker lijkt mij echter dat we momenteel getuige zijn van een omslag in het maatschappelijke klimaat. Het naoorlogse tijdvak van collectieve solidariteit, welzijnsoptimisme en culturele verdraagzaamheid loopt ten einde. Er is guur weer op komst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden