Het geheime feest van de dingen

Volgens filosoof Coen Simon moeten we hoop niet te letterlijk nemen. In ieder geval niet als voornemen, wensdroom, of utopie. „Hoop is het enige verlangen dat haar doel al bereikt in het verlangen zelf. En daarom sterft hoop altijd als laatste. Niet uit naïviteit, maar om dat hoop doet leven.”

In Utrecht woonde ik als student lange tijd vlak naast een stalen spoorwegviaduct. Alleen ’s nachts hoorde je niet het zware geluid van ijzer op ijzer bij het binnenrollen van een trein. Vlak achter het viaduct lag een grote kruising, waarvan ik de verkeerslichten nog net kon zien door het raam aan de straatkant. Iedere nacht voor ik ging slapen bleef ik een ogenblik turen naar de knipperende oranje lampen van de verlaten kruising.

Soms lijkt het alsof ’s nachts de levenloze dingen een ziel krijgen. Zo had ik dikwijls het gevoel dat ik de verkeerslichten betrapte op een vrolijkheid die ze overdag verborgen hielden in hun strenge schema waarmee ze het chaotische verkeer tot opschieten maanden of dwongen tot stilstand. In de afwezigheid van het lawaai en de drukke bewegingen van de dag werd er ’s nachts, zo constateerde ik vanachter mijn gordijnen, een heimelijk feest gevierd.

Wat zouden de dingen vieren, als ze daadwerkelijk een ziel hadden? Waarschijnlijk hetzelfde als wij. Maar wat hebben wij dan te vieren? Wij vieren herhalingen: het begin van de lente, het einde van een jaar, de geboorte van een kind en ten slotte altijd weer onze doden. Hoe feestelijk kun je het krijgen in een bestaan waarin alles wat opkomt ook telkens weer ondergaat? Het kan zo zinloos lijken, alle moeite die we getroosten om groot te worden in de wereld die we zodra we het zijn – of meestal eerder – weer verlaten. Niet voor niets laten velen van ons liever hun verjaardag in stilte voorbijgaan, zeker naarmate we wat ouder worden – niet alleen omdat we dichter bij de dood komen, maar vooral omdat we in het licht hiervan steeds beter zien hoe weinig we zelf in te brengen hebben. Het gaat allemaal nergens heen. We staan op met hoop en vallen vervolgens in voortdurende herhaling. Maar de mens lijkt toch een keuze te hebben. Barack Obama zou zeggen: „Do we participate in a politics of cynicism, or do we participate in a politics of hope?”

Iedereen die wel eens wakker ligt, weet dat de nacht twee gezichten heeft. Een lichte en een donkere kant, net als de aarde zelf eigenlijk, die altijd maar aan één kant in duisternis is gehuld. De donkere zorgelijke kant van de nacht heeft zijn oorsprong in de beperkte blik die het donker nu eenmaal aan ons oplegt, de zorgeloze kant dankt zijn lichtheid aan de ogenschijnlijke tijdloosheid van de nacht. Want dat is misschien wel het grote verschil met de dag. Niet het verschil in licht, maar het verschil in tijd. De nacht, met haar stille straten vol geparkeerde auto’s, pauzerende verkeerslichten en gevels met donkere ramen, heeft alle tijd. Ze is niet als de dag in drieën gedeeld. Ze is voortdurend alleen maar nacht totdat de dag haar wekt en de tijd weer begint te tikken.

Hoewel we met het feest en de roes vaak genoeg pogingen doen de eindeloosheid nog wat langer te rekken ontgaat ons vrijwel altijd de ware aard van de eeuwigheid die in de stilte van de nacht doorklinkt. We denken dat de nacht stil is door de afwezigheid van geluid en we denken dat ze donker is door de afwezigheid van licht. Dat het eigenlijk andersom is kwam ik door een toevalligheid op het spoor.

Op een van de eerste nachten dat ik in Utrecht na een feest terugfietste raakte ik zonder het te weten van de route. Ik meende de Oude Gracht te zijn opgedraaid, een drukbezochte gracht met kroegjes en werfkelders, maar trof een verlaten gracht met donkere werven waar geen enkel teken van vertier hing en waar de stilte alleen werd verbroken door de slinger in mijn achterwiel.

Ik weet niet hoelang het heeft geduurd voor het gevoel verdween dat ik in een parallelle wereld was terechtgekomen, ééntje waar het toevallige ontstaan van de mens aan voorbij was gegaan, maar die wel helemaal klaar was gemaakt voor zijn komst. Door een verkeerde afslag ergens in het universum was ik op mijn fiets van vijftien gulden een onbezielde wereld in gefietst. Toen ik ten slotte de knipperende verkeerslichten voor het Centraal Museum voorbij fietste wist ik dat ik weer terug was in het Utrecht van 1991.

Doordat ik pas thuis op mijn kamer met de kaart in de hand ontdekte dat er ook een Nieuwe Gracht was, parallel aan de Oude, en vast ook doordat ik gedronken had, verkeerde ik zo’n lange tijd in het beeld van een mensloze wereld dat het zich vastzette in mijn verbeelding. Je zou het cynisch kunnen afdoen als de blijvende schade van een psychose, maar zonder de gebeurtenis had ik deze eigenaardigheid van de nacht nooit ervaren. Ik had een glimp opgevangen van de schepping.

Ik beschouwde mijn gewaarwording van een mensloze wereld als een van de mooiste, maar tegelijk ook minst betekenisvolle ervaringen. Het gevoel dat ik erbij had leek op het gevoel dat je kunt hebben bij een schilderij of een muziekstuk. Heel indringend, maar afgezien van het plezierige gevoel: volkomen nutteloos. Het kwam overeen met wat ik van de filosoof Immanuel Kant had gelezen over de esthetische ervaring: belangeloos, en zonder doel. Want wat heb je eraan de wereld te zien als een schepping waar geen mensenhand aan te pas is gekomen? Niets vond ik, want we leven als mens nu eenmaal nooit in een mensloze wereld. Dus hechtte ik er alleen als beeld waarde aan. En vanwege de eigenaardige schoonheid van de gedachte moest ik er nog vaak aan denken. Het verbaasde me niet dat de herinnering meestal in gang werd gezet bij het horen van een muziekstuk of het zien van een schilderij. Het domein van de kunst, daar hoorde deze gedachte thuis.

Maar onlangs was het juist de kunst die mijn gedachte op een ander spoor bracht. Al enige tijd volgde ik het werk van de hedendaagse schilder Isabella Werkhoven (1969) – afgelopen jaar genomineerd voor de verkiezing van de kunstenaar van het jaar. Zoals je dat bij schilderijen kunt hebben, had ik dat aanvankelijk ook bij die van Werkhoven: ze intrigeerden zonder dat ik kon zeggen waarom ze mijn blik vasthielden. Met een realistische en soms hyperrealistische aanpak schildert ze doorgaans heel gewone oorden. Een zwembad, een tennisbaan, een plein, een plantsoen, een bos, een bushalte. Maar door de opvallende en bijna volkomen afwezigheid van menselijke activiteit op deze vaak juist al te menselijke locaties toonde Werkhoven mij dat niet alleen in de nacht, maar ook overdag een mensloze wereld te ontwaren is. Haar werk bleek in staat mijn vreemde nachtervaring van jaren geleden aan de duisternis te onttrekken en sindsdien zie ik het ook zonder de kunsten.

Werkhoven toont iets van de wereld waar we normaal gesproken geen oog voor hebben, omdat het zo verschrikkelijk lastig is de wereld te zien zonder een al te menselijke blik erop. We zien een wereld die ontmenselijkt is, maar niet onmenselijk is. Integendeel, haar schilderijen bloeien van hoop.

Steeds sterker heeft daardoor bij mij het idee postgevat dat het, hoe gek het ook mag klinken tot een bijzondere menselijke gave behoort om voor een moment van onze antropomorfe blik af te zien. En dan bedoel ik niet zoals de biologie dat doet, door ons als een dier onder de dieren te zien, of door de mens als een evolutionaire toevalligheid te beschouwen. Dat is allemaal theorie, het gaat mij om de gave het bestaan daadwerkelijk als mensloos te beleven. Niet als een kil bestaan, maar als een bestaan waar mensenhanden geen rol spelen. Een gave die veel minder vrijblijvend is dan het mij op het eerste gezicht scheen. Geen belangeloos intellectueel of esthetisch spel, maar een capaciteit waarover alleen morele wezens beschikken. Ik vermoed dat in die vreemde ontmenselijkte blik de oorsprong ligt van die evenzo vreemde menselijke neiging van de hoop.

Want als er een menselijke neiging is die veelvuldig misbruikt wordt dan is het deze wel. Er bestaat, zogezegd, een hoop onzin over hoop. Het is natuurlijk eenvoudig om hoop als een leugenachtige gemoedstoestand voor te stellen. Want beschouwen we hoop voor enig moment in het licht van de eindigheid of in het licht van de eeuwigheid (het is maar net hoe je het bekijkt) dan is hoop altijd valse hoop. Wat stelt mijn hoop nog voor als ik dood ben en wat zou hoop voor kunnen stellen in een bestaan dat geen einde kent? Hopen is in de ogen van deze cynische voorstelling hooguit een elegante vorm van wanhopen.

Maar toch is er hoop, zoveel is zeker. Daartoe hoef je alleen onze verhouding tot de seizoenswisselingen maar te bekijken. Het zijn niet de vogeltjes, het is niet hun gekwetter dat ons vrolijk maakt, het is het terugkeren ervan. Want hetzelfde voelen we als de eerste kou weer in de lucht zit en we twijfelen of kachel alweer aan moet. Het opmerkelijke aan de seizoenen is wat opvalt aan al onze vieringen: het zijn herhalingen die we niet als saai of monotoon ervaren, maar juist als hoopvol.

De vergelijking die mogelijk wordt gemaakt door de herkenning van een zich herhalende situatie toont ons niet alleen gelijkenissen maar ook de onafwendbare verschillen – de variaties op hetzelfde thema. Alleen al het feit dat we weer een jaar ouder zijn, geeft aan elk verjaardagsfeest een andere waarde. Daarom keren de zomer, herfst, winter en lente niet ieder jaar terug als dodelijk saaie herhaling. Ze verdiepen onze ervaring van het er alleen maar zijn. Op het moment dat je proeft, ruikt en ziet wat je al vele malen hebt ervaren rond dezelfde tijd van het jaar, weet je dat je ervaring toch niet precies dezelfde is als de vorige keer.

Dit is de zeef van de tijd: juist in de herhaling wordt het onzichtbaar onveranderlijke zichtbaar. De herhaling toont dat er iets is en niet niets.

Hoop moeten we niet te letterlijk nemen. Niet als voornemen, wensdroom, of utopie. Dat doen we natuurlijk nu wel bij de hoop die Obama heeft uitgesproken. Dat is het paradoxale aan toekomstdromen, die zijn met het uitspreken ervan meteen voltooid verleden tijd. De hoop die Obama bij zijn inauguratie uitsprak is een meetlat geworden waar hij en de hele wereldvrede telkens aan worden afgemeten. Hoop op deze cynische manier opgevat biedt een perspectief dat elke voorspoed in een desillusie verandert. Maar de hoop die Obama uitsprak was niet voor ooit bedoeld, maar voor het ogenblik. Niet een hoop op een beter bestaan, maar de hoop op het bestaan zelf. Een hoop zonder sacrale verlossing, en zonder profane utopie. Een hoop die dus niet nog wordt verwacht of nog gerealiseerd moet worden, want voor die hoop vechten we elkaar toch alleen maar de tent uit. De enige hoop die er is, is er altijd al. Net als de wereld zelf. Hoop is het enige verlangen dat haar doel al bereikt in het verlangen zelf. En daarom sterft hoop altijd als laatste. Niet uit naïviteit, maar om dat hoop doet leven.

De echo van deze hoop is hoorbaar in Bachs ’Goldbergvariaties’ die de Canadese pianist Glenn Gould in 1981 vastlegde tijdens nachtelijke opnames in de Columbia-studio aan de 30th Street in New York. Zijn eerdere vertolking van deze variaties uit 1955 is ook al wonderschoon, maar hierin gloort, dat valt te horen zodra je die van 1981 eenmaal kent, nog een al te menselijke hoop door. Teveel wensen nog, die allemaal zijn verdwenen in 1981. Wat over blijft is geen desillusie maar een liefdevolle omarming van het bestaan zoals we het in de schoot geworpen kregen.

Na Goulds vroege dood ruim een jaar na de opnames blijft een lege stoel over, de stoel waar hij zijn carrière lang op speelde en aan prutste voor de juiste houding achter zijn vleugel. Het is een stoel die je niet gauw zou meenemen als je ’m ’s nachts aan de straat zag staan. De vulling komt uit het het leer en de zitting vertoont, geconcentreerd op het puntje waar de pianist zat, een gapend gat. Maar in deze gehavende zetel is een ziel neergedaald, even groot als het bestaan en even vluchtig als het ogenblik; verwant aan ’Het ogenblik’ zoals Jorge Luis Borges het ooit dichtte:

Waar zijn de eeuwen heen, waar is de droom

Gebleven die Tartaarse zwaarden droomden

En waar de zware muren die zij sloopten,

Waar is het Hout en waar is Adams boom?

Het heden is alleen. De heugenis

Bewerkt de tijd. Opeenvolging, bedrog

Is de routine van de klok. Zo hol

Het jaar, zo hol is de geschiedenis.

Tussen ochtend en avond ligt een spanne

Van zieltogen, van lichten en van angsten;

Het gezicht dat zich ziet in de versleten

Spiegels van de nacht is niet meer hetzelfde.

Het vluchtig nu is even ijl als eeuwig;

Verwacht geen andere Hel, geen andere Hemel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden