Het geheim van België

Slechts drie weken per jaar zijn de Koninklijke Serres van Laken in België open voor het publiek. De rest van het jaar genieten alleen de tuinlieden van de fraai ingerichte kassen. Tenzij er een prinselijke verloving plaatsvindt.

JEANNETTE VAN DITZHUIJZEN

Ooit vertelde een Vlaming dat zijn landgenoten de primeur van de tulp hadden, niet de Nederlanders. Maar omdat Hollanders nu eenmaal betere kooplui zijn, maakten zij de tulp zó populair dat iedereen bij tulpen meteen aan Holland denkt.

Zo gaat het ook met onze grote tuinen. Het Loo? De Keukenhof? Dankzij de Hollandse koopmansgeest genieten ze internationale naam en faam. Kennelijk zijn de Belgen veel bescheidener, want wie heeft er ooit van de Koninklijke Serres van Laken gehoord? Monumentale kassen bij het paleis van Laken (bij Brussel) vol exotische beplanting uit de tropen en subtropen. Heel stilletjes gaan ze elk jaar in april open. Drie weken lang schuifelen duizenden bezoekers langs de fraai opgebouwde plantenkassen. En dan is het feest voorbij en sluiten de serres hun deuren.

Koning Willem I gaf ooit de aanzet tot de Koninklijke Serres. In 1814 werd het huidige België onderdeel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en het kasteel van Laken stond tot Willems beschikking. In 1817 liet hij daar een oranjerie bouwen, destijds een van de grootste van Europa en nog steeds in gebruik. 's Winters staan hier sinaasappelboompjes - sommige nog uit Willems tijd! - camelia's en andere kuipplanten die 's zomers buiten staan.

Hoe fraai de oranjerie met haar Toscaanse zuilen en balustrade ook is, de kassen die de Belgische koningen Leopold I en II later lieten bouwen, zijn nog spectaculairder. Want denk bij 'kassen' vooral niet aan onze Hollandse glazen landbouwtunnels waar wat palmen en tropengoed zijn neergezet. Nee, we hebben het hier over een feest van eind negentiende-eeuwse glas-en-staalarchitectuur met schitterend geslepen glas dat in het zonlicht de kleuren van flonkerende zeepbellen aanneemt.

De Belgische koning Leopold I was gek op tuinen en natuur, en liet bij de oranjerie van Willem een aantal serres bijbouwen, waarvan een voor orchideeën. Na zijn dood in 1865 volgde zoon Leopold II (1835-1909) hem op. In die tijd waren wintertuinen de grote mode en de koning - gek op bloemen en planten, maar ook een liefhebber van architectuur - kon niet achterblijven. Zo gaf hij in 1874 hofarchitect Alphonse Balat opdracht om achter de oranjerie een wintertuin neer te zetten. Geheel in de klassieke stijl van het naastgelegen paleis, maar wel van staal en glas, een opzienbarende nieuwigheid in die tijd. De Engelse tuinarchitect John Wills werd met de inrichting belast en nog steeds staan er palmen die Wills heeft laten planten.

Leopold II had de smaak te pakken en liet in de daaropvolgende jaren diverse grotere en kleinere serres bouwen die met de wintertuin en het paleis in verbinding staan. Daar maakte de latere koning Boudewijn dankbaar gebruik van. Hij hield niet van stilzitten en liep daarom wekelijks met de minister-president door de serres: 700 meter heen en 700 meter terug. Zonder nat of koud te worden bespraken ze daar hun staatszaken.

Om zijn liefde voor het groen met de bevolking te delen besloot Leopold II ruim honderd jaar geleden dat de kassen eens per jaar moesten worden opengesteld voor het publiek. Die traditie bestaat nog en de bezoeker weet soms niet wat hij meer moet bewonderen: de fraaie architectuur van de kassen of de bijzondere beplanting met palmen, ficussen, manshoge geraniums, een fuchsiahaag, maar ook met ordinaire pantoffelplantjes. Vooral adembenemend is de combinatie van het invallende licht met de vele groentinten.

Bijzonder is de wandeling naar de Embarcadère-serre. Terwijl boven je hoofd koninklijke limousines over de koninklijke Parkweg zoeven, loop je door een onderaardse gang met diverse soorten hertshoornvarens. Wanneer je weer bovengronds komt, sta je in de in 1887 voltooide serre. Hier staan kleurrijke megavazen die Leopold II rond 1865 uit het Verre Oosten meenam, met daarin de rozebloemige pracht-medinilla, of trosbloem (de toiletten aan het einde van deze serre zijn overigens ook een kijkje waard).

Via de Congo-serre betreed je het pronkstuk: de ronde, 26 meter hoge wintertuin, met een doorsnede van bijna 60 meter. Een glaspaleis met verschillende hoge palmensoorten. Ze worden afgewisseld met kleurige paradijsvogelbloemen en trompetbloemen. Rondom scheidt een Dorische zuilenrij de wandelgalerij van het centrum. Staande in het midden kun je je goed voorstellen dat de serres aanvankelijk ook bedoeld waren voor ontvangsten. Oude prenten tonen hoe de koninklijke gasten in feestelijke gewaden temidden van tropisch groen met elkaar converseren. Kroonprins Philip gaf hier nog zijn verlovingsfeestje.

Tegenwoordig worden er niet veel ontvangsten meer gehouden. De serres zijn er in feite dus alleen ter meerdere eer en glorie van de tuinlieden - afgezien van de drie bezoekweken. Na een wandeling door het complex en de tuinen begrijp je eigenlijk niet hoe de Belgen dit tuinjuweeltje al jarenlang 'geheim' hebben weten te houden. Het zal het gebrek aan koopmansgeest wel zijn.

De serres: open van 13 april tot en met 6 mei
De Koninklijke Serres: 2,50 euro. Open: 13 april t/m 6 mei, niet op maandag.

Voor openingstijden zie: http://www.monarchie.be/nl/actueel/agenda/archief/openstellen-van-de-koninklijke-serres-van-laken-lente-2012. Toegang langs de erehekken van het Kasteel van Laken, Koninklijke Parklaan te Brussel.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden