HET GEBOUW De lichte warmte van de madonna

Het nieuwe Bonnefantenmuseum ligt er als een bevallige, maar ook enigszins onbenaderbare madonna bij aan de oever van de Maas. Nu nog moederziel alleen op het Céramique terrein, straks omgeven door hoge wooncomplexen en kantoren. Van buiten oogt het ontwerp van de Italiaanse architect Aldo Rossi als een gesloten blok, een heilige schrijn voor beeldende kunst. Van binnen word je verrast door een spektakel van licht, schaduw, ruimte en, jawel, openheid. Pas als je binnen bent, kom je buiten. Overal in het museum wordt het omringende stedelijk landschap als referentiepunt voor de getoonde kunst aangeboden.

ROBBERT ROOS

Twee plekken strijden met elkaar om de titel 'mooiste ruimte van het Bonnefantenmuseum': de zolder van de Wiebengahal (het reliek uit Maastrichts industriële verleden dat als een voorpost voor de nieuwbouw ligt) en de trap die in het hoofdgebouw leidt naar de tentoonstellingszalen. Bij beide zorgt de combinatie van licht en ragfijne architectuur voor een intrigerende extra dimensie, die de beleving van de ruimtes verhevigt.

De Wiebengahal (heel terughoudend gerestaureerd door Aldo Rossi) functioneert met haar rauwe industriële karakter als een soort antichambre voor wat je in het hoofdgebouw te wachten staat. Over drie verdiepingen verdeeld staan hier permanente installaties van Richard Serra, Sol Lewitt en Luciano Fabro. Prachtig, maar het mooiste moet dan nog komen: de derde verdieping, de zolder, de hersens van de hal.

Een boogvormig dak, het eerste in de Nederlandse architectuurgeshciedenis dat van voorgespannen beton werd gemaakt, is een dwingend, maar betoverend architectonisch element. Op regelmatige afstand van elkaar zijn in dit dak rupsvormige bovenlichten aangebracht. De ruimte is hierdoor zowel een intieme grot als een mysterieus aangelichte weidse expositiezaal. Het is een zaal voor sculpturen, zoals er maar weinig zijn in Nederland.

In de nieuwbouw duurt het bijna tergend lang voordat je voor de slagader van het Bonnefantenmuseum staat: de trap. De entree van het gebouw is groots en uitnodigend, maar vervolgens kom je eerst in een voorzaal met in het midden een ronde torenschacht (met magnifiek hemelsblauw licht), die als een soort overgangsruimte de bezoeker laat acclimatiseren. Pas daarna volgt het glorieuze moment van de trap. Het is precies zoals Rossi het bedoeld heeft: een ervaring. Het Stedelijk Museum in Amsterdam heeft ook zo'n monumentale trap, maar in vergelijking met het Bonnefantenmuseum is het daar niet meer dan een functioneel instrument om van de ene naar de andere verdieping te komen.

“Al in de eerste schetsen hebben we de trap zo getekend”, legt Umberto Barbieri, de co-architect van het Bonnefantenmuseum, uit. “We moesten hem echter ook nog maken. Maat, atmosfeer, materiaal en licht moesten allemaal kloppen en dat was bepaald niet makkelijk. Rossi wilde vanaf het begin dat er een koppeling zou zijn tussen het klassieke mediterrane idee van de 'Plaza España' in Barcelona met al zijn trappen en de noordelijke uitstraling van de scheepsbouw, het grijze licht en de hardheid van het materiaal. Om die noordelijke sfeer te krijgen, wilden we de trap niet van marmer maken, maar van hout. De muren moesten van baksteen worden. Deze bakstenen wanden zijn diep gevoegd, zodat een mooie grafische werking ontstaat in het vlak.”

Om er lyrisch op te laten volgen: “Je moet je de trap en het bovenlicht voorstellen als het winter is, bij een beetje grijze lucht, terwijl de wolken boven je hoofd langsscheren. Schaduwwerking is voor ons een heel belangrijk thema geweest bij het ontwerpen van de trap. Naarmate de zon hoger komt te staan, dringt de schaduw dieper door op de wand. De ervaring van het trapportaal is daardoor steeds aan verandering onderhevig. Ieder jaargetijde, maar ook op verschillende momenten van de dag, is het weer anders. Dat geldt trouwens voor bijna alle ruimtes in het museum. De werking van het licht, de invloed van het weer, het verstrijken van de tijd, het heeft allemaal zijn invloed op hoe je het museum beleeft.”

Vanaf de eerste schetsen was het Rossi en Barbieri duidelijk dat de openbare en de museale functie van het gebouw gescheiden moesten worden. Op de begane grond loopt als het ware één lange straat, beginnend bij de entree, langs de trap naar een zilverkleurige koepelvormige toren aan de achterkant aan de Maas, waar het restaurant is gevestigd. Dit is allemaal openbaar gebied. Aan deze straat ligt ook de boekhandel en een ontvangstruimte met een maquette van Maastricht. Aan weerszijden van de 'straat' ligt een kantoor- en depotvleugel. Het Bonnefantenmuseum heeft hierdoor van bovenaf gezien de vorm van een 'E'.

Wil je het museum bezoeken, dan moet je de trap nemen naar de verdiepingen. De eerste verdieping is voor de collecties oude kunst en archeologie. Hier is alleen zijlicht. En verrassend veel zelfs voor dergelijk werk. Op de bovenverdieping schittert de collectie hedendaagse kunst, uitsluitend van boven aangelicht. Eén van de redenen van directeur Alexander van Grevenstein om Aldo Rossi als architect te vragen was de gedeelde passie voor daglicht. En daarnaast de klassieke architectonische aanpak van de Italiaan.

Overal sijpelt het daglicht naar binnen. Gedempt waar de werken dat vereisen en voluit waar het werk dit kan verdragen, bij de hedendaagse kunst dus. Nu al kan de bovenverdieping van het Bonnefanten concurreren met het zalencircuit van de oudbouw in het Eindhovense Van Abbemuseum.

In de hele opzet van het museum ademt het Bonnefanten de sfeer van een 19de eeuws museum. Barbieri gaat hier ten dele in mee. “Je kunt niet zeggen dat wij op grond van een specifiek voorbeeld hebben gewerkt. Wel klinkt er een soort echo van een museale typologie die zelfs al vanaf de 16de eeuw wordt gehanteerd. Het is een heel basaal concept, waarin je op de benedenverdieping een keuze laat maken tussen museum of openbare ruimtes. Beide richtingen zijn vervolgens volstrekt helder. We willen de bezoeker niet confronteren met dubbelzinnige keuzes.”

De heldere opzet van het Bonnefantenmuseum levert een boeiende opeenvolging van ruimtes op, waarin een breed scala van licht en ruimte wordt bespeeld. Vooral het licht wordt bij Rossi een poëtisch en op sommige momenten zelfs betoverend instrument. Met de trap als ultieme goocheltruc. Aldo Rossi heeft een museum geschapen waarin de kunst op zowel een sacrale als levendige manier kan gedijen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden