Review

Het feest van de taal

In Nederland kwam de belangstelling voor de Engelse dichter Dylan Thomas (1914-1953) pas na de oorlog op gang en wel bij de dichters rond het tijdschrift Het Woord. Zij waardeerden de beeldende woordkunstenaar, die alle registers van de taal opentrok en een klank produceerde zonder weerga. Of het allemaal nog te volgen was, wat hij uitbracht, deed minder ter zake, hier leek de taal zelf, en om zichzelfs wille, aan het woord.

In de jaren vijftig, na zijn vroege dood, en de jaren zestig werd Thomas een heuse legende, niet alleen vanwege zijn poëzie, maar vooral vanwege zijn levenswijze. Hij was een ongelooflijke zuipschuit, een rokkenjager, een leugenaar en de wilde verhalen die er over hem de ronde deden, bezorgden hem het imago van de zelfdestructieve romantische dichter, die de burgerlijke code tart. Voor jonge mensen, pubers vaak nog, was Thomas in die jaren het artistieke ideaal.

Daar kwam nog bij dat hij een glorious voice had, een stem die zijn gedichten tot een klinken bracht, waartoe geen andere stem in staat was. Er zijn grammofoonplaten gemaakt waarop hij voorleest en de dichter Seamus Heaney (1939) herinnert zich deze 'platen die op de planken lagen in studentenkamers over de hele wereld' als 'belangrijke culturele gebeurtenissen'. ,,Dylan Thomas zal altijd deel blijven uitmaken van de inwijding van die jonge generatie in de literaire cultuur. Hij was onze Swinburne, een dichter met een directe hypnotiserende macht.'

Ook in Nederland heeft Thomas zijn werking gehad, al is daar bij mijn weten weinig onderzoek naar gedaan. Hij moet invloed hebben uitgeoefend op sommige Vijftigers en misschien ook wel op de poëzieperformers, zoals Vinkenoog, een decennium later, al waren er toen ook de Amerikaanse beat-poets. In 1957 vertaalde niemand minder dan Hugo Claus het stemmenspel 'Onder het melkwoud', dat ook in de opvoering door De Nederlandse Comedie' een verpletterende indruk maakte. Het jaar daarop vertaalde Claus de verhalenbundel 'Portrait of the Artist as a Young Dog' onder de titel 'Als een jonge hond'.

In de jaren zeventig raakte Thomas hier uit het zicht. Het is daarom verrassend dat er nu een vertaling is verschenen van 'The Collected Stories' uit 1983, 'Alle verhalen', zoveel jaar na dato. Daarin staan inderdaad alle verhalen, zelfs een viertal uit de schoolkrant en ook de drie hoofdstukken van een onvoltooide roman 'Adventures in the Skin Trade', hier 'Onder pelsjagers' genoemd. Een aanzienlijk deel van deze teksten is niet eerder vertaald. De verspreide verhalen, geschreven voor de BBC tussen 1944 en 1953, heeft Thomas zelf voor de radio voorgelezen: hij was in die jaren een geregelde gast en heeft meer dan dertig radio-uitzendingen verzorgd (soms op het nippertje, als er te veel drank in de man was en dat was dikwijls het geval).

Het verhaal 'Terugreis' is in feite een voorstadium van 'Onder het melkwoud', want ook een hoorspel waarin verschillende stemmen optreden. Als verteller heeft Thomas gefungeerd, hij vertelt dat hij terugkeert naar zijn geboortestad Swansea en daar op zoek gaat naar mensen die de jonge Thomas nog gekend hebben. Hij geeft een beschrijving van de knaap:

,,Eén meter achtenzestig en een half. Met dikke speklippen, stompe wipneus, rossige krullen; een gebroken voortand door een spelletje kat en muis in de Meermin, in Mumbles, praat nogal bekakt, is driftig, gewiekst; een beetje een opschepper; knickerbockerdrager, een gat-in-de-dagslaper, je kent dat wel; had gedichten van hem afgedrukt gekregen in de Herald of Wales;() een bombastische, puberale, provinciale bohémien met een vetgeknoopte kunstenaarsstrik uit de sjaal van zijn zus, waarvan ze zich nog altijd afvraagt waar ie gebleven is, en een flesgroen geverfd cricketshirt; een snaterende, streberige, would-be ruige, pretentieuze jongen, en nog opdringerig ook.'

Deze passage laat meteen al iets kenmerkends van Thomas' proza zien: de uitvoerige beschrijvingen, opsommingen veelal met een vloed aan adjectieven. Het is het proza van een dichter, waarin het feest van de taal gevierd wordt. Aan het eind van zijn zoektocht spreekt de verteller met de parkwachter, die zegt: ,, O, ja, ja, die heb ik goed gekend. Hij klom altijd op het hek om de vijver en bekogelde de oude zwanen. Hij rende als een bokje over het gras waar je niet op mocht. Sneed boomtakken af. Kerfde woorden in de bankjes.' ,,Wat is er van hem geworden?', vraagt de verteller en de parkwachter antwoordt: ,,Dood.'

Het is curieus dat dit verhaal, een van de laatste die Thomas schreef, in schema vrijwel identiek is aan het eerste verhaal dat hij in de schoolkrant schreef, 'Brember'. Daarin gaat een oude man terug naar zijn geboortehuis, hij moet er om voor hemzelf duistere redenen heen, en hij stelt vast dat er niets veranderd is, wat hij verloren had gewaand, heeft hij teruggevonden. In de kamer pakt hij het stamboek 'Het Huis Brember', hij slaat het open en leest bladzij na bladzij de namen van zijn voorouders, tot hij bij de laatste bladzij zijn eigen naam ziet staan, 'laatste in de rij, gestorven...'.

De verhalen van 'Portret van de kunstenaar als een jonge hond' zijn veruit de beste, ze zijn los en beeldend geschreven, bezitten humor en kennelijk geeft het autobiografische karakter ervan -het zijn jeugdherinneringen -vleugels aan de verbeelding. Heel die vroegere wereld wordt bijzonder sfeervol opgeroepen, de grote figuren uit de jeugd, de grootvader, de stadstypes, ze komen goed uit de verf. De surrealistische wendingen, zoals de wanhopige dooltocht door een labyrintisch huis op zoek naar de kamer van de geliefde (zonder resultaat), zijn overtuigend. In het vroegere werk uit de dertiger jaren overheerst de ernst en loopt alles nogal stroef.

De onvoltooide roman is duidelijk een mislukking, zij het een vrolijke. Thomas steekt erin de draak met zichzelf en laat een jongen van negentien, zoals hij zelf, het ouderlijk huis verlaten (niet nadat hij daar allerlei vernielingen heeft aangebracht) en verruilen voor de stad Londen. Hij is een aankomend dichter. Hilarisch is het feit dat hij steeds met aan zijn linkerpink een leeg bierflesje rondloopt. Dat kan er niet meer af, ook al probeert ene Polly hem er in een volkomen uit de hand lopende badkamerscène wel van te bevrijden.

Het proza van Thomas, in de nieuwe en meestal wel bevredigende vertaling van Bert Meelker, is voor een groot deel nog alleszins genietbaar. Het is de lijfelijke, zinnelijke taal -helaas is de klank van het origineel moeilijk na te bootsen- die dit werk overeind houdt. Een van de geestigste zinnetjes vond ik dit over een hevig huilende Polly: ,,Ze zat naast hem als een wolkbreuk in een schort'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden