Het Europese project: waarheen, waarvoor?

De ministers van financiën uit Nederland (De Jager) en Griekenland (Venizelos) en de president van Europese Centrale Bank (Draghi) begroetten elkaar begin deze week in Brussel om over de eurocrisis te vergaderen.Beeld AFP

Al ruim twee jaar worstelt Europa met de eurocrisis. Drie journalisten en een filosoof beschrijven hoe dat mooie avontuur met de eenheidsmunt op een drama dreigde uit te lopen. Wie heeft de schuld, en is de boel nog te redden?

Het was een bijna verloren zinnetje in een interview in de Financial Times dat de eurocrisis in gang zette. Op 16 oktober 2009, enkele dagen na zijn aantreden als minister van financiën, zegt de Griekse socialist Giorgos Papaconstantinou in de Britse zakenkrant dat het begrotingstekort van zijn land niet 6 procent is, zoals Athene steeds heeft beweerd, maar waarschijnlijk het dubbele. Dat is vier keer zo hoog als is toegestaan in de landen die de euro hebben ingevoerd. Griekenland, kortom, heeft gerommeld met de cijfers om toegelaten te worden tot die aantrekkelijke eurozone.

Nu was al bekend dat het land aan de zuidoostflank van Europa het met geldzaken niet zo nauw neemt. Vanuit financieel oogpunt had Griekenland in 1981 eigenlijk ook helemaal geen lid mogen worden van wat toen nog de Europese Gemeenschap heette. Maar Brussel streek destijds over z'n hart, zoals het een paar jaar later ook met de kandidaat-leden Portugal en Spanje deed: landen die net een dictatuur van zich hebben afgeschud, hebben een streepje voor. We moeten ze opnemen in de Europese familie, al was het alleen maar om te voorkomen dat de prille democratieën weer het verkeerde pad opgaan. Dat mag wat kosten.

Maar het begrotingstekort van 12 procent komt bij de andere EU-landen heel hard aan. Hier is sprake van een regelrechte vertrouwensbreuk, en het is bovendien levensgevaarlijk voor de eenheidsmunt. Vooral om die te redden, komt de EU in actie. Steeds te laat, zeggen critici, maar toch net genoeg om de voorkomen dat Griekenland failliet gaat en de eurozone uit elkaar valt. Al is het nog steeds niet helemaal uitgesloten.

Martin Visser, Brussels correspondent van HetFinancieele Dagblad, zet in 'De eurocrisis' de Griekse narigheid en de gevolgen daarvan helder en inzichtelijk uiteen. Zijn boek leest bovendien bij vlagen als een spannende thriller. Ruzies, kongsi's, onverwachte wendingen, drama, suspense, het zit er allemaal in. Daarbij is het boek ook inhoudelijk sterk: het geeft een prima beeld van het Europese politieke bedrijf in tijden van hoogspanning.

Visser staat bekend als een buitengewoon goed geïnformeerde journalist - een paar maanden geleden noemden financieel deskundigen hem in nota bene de Volkskrant hun voornaamste bron op Twitter - en dat is in dit boek te merken. Hij draagt niet alleen feiten aan, maar weet ze ook uitstekend in samenhang te presenteren en te analyseren. Minpuntje is wel dat hij soms iets te veel in details duikt waarvan het belang voor het betoog niet altijd even duidelijk is.

In de epiloog concludeert de auteur dat er op vrijwel alle spelers in het drama het nodige is aan te merken: de Grieken natuurlijk, de banken, het IMF, maar ook de Europese politici gaan niet vrijuit. "Door van de crisisbestrijding zo'n lang slepende kwestie te maken en door het steeds zo op het allerlaatste moment half te redden, speelden de politieke leiders met vuur", oordeelt Visser streng. Vooral de Franse president Nicolas Sarkozy en de Duitse bondskanselier Angela Merkel ('Merkozy') moeten het ontgelden.

In een apart hoofdstuk beschrijft Visser de weeffouten die bij de introductie van de euro zijn gemaakt. Wie daarover nog meer wil weten, moet het boek 'De euro' van Roel Janssen lezen. Hij was tot medio 2010 financieel redacteur van NRC Handelsblad en is nog steeds een befaamd detectiveschrijver.

Janssen is gaan praten met de hoofdrolspelers van het Verdrag van Maastricht van twintig jaar geleden dat de basis vormde van de Economische en Monetaire Unie (EMU) waaruit, tien jaar later, de euro is gerold. Zo heeft hij oud-premier Ruud Lubbers geïnterviewd, diens Belgische collega Wilfried Martens, en de voormalige ministers Hans van den Broek (buitenlandse zaken) en Wim Kok (financiën). Ze hebben elk een eigen hoofdstuk gekregen en geven daarin hun herinneringen en visie weer via de beproefde journalistieke aanpak: aanhalingstekens openen en sluiten. Dat levert onderhoudende en prettig leesbare verhalen op.

De gewezen politici plaatsen bijna stuk voor stuk de EMU in de tijdgeest: de Berlijnse Muur was net gevallen, de Sovjet-Unie was ingestort en de Koude Oorlog was voorbij. Het was al met al een optimistische tijd ¿ het is goed om daar anno 2012 bij alle somberheid over de euro nog eens aan herinnerd te worden. Europa was na het slechten van de binnengrenzen rijp voor een nieuw avontuur, de eenheidsmunt. Van meet af aan was duidelijk dat de monetaire eenwording alléén gedoemd was te mislukken. Er moest ook sprake zijn economische en politieke samenwerking.

Dat dat niet is gelukt (de belangrijkste weeffout), is deels toe te schrijven aan Nederland dat de tweede helft van 1991 voorzitter van de EG was. Op 30 september van dat jaar presenteerde het kabinet vergaande voorstellen voor een politieke unie in Europa. Te vergaand, want alleen België kon ermee leven. De overige lidstaten veegden de plannen van tafel. "We zijn afgegaan als een gieter", aldus oud-minister Van den Broek. De bewuste dag is de geschiedenis ingegaan als Zwarte Maandag.

Het is vrij onthutsend te lezen hoezeer zijn ministerie en dat van financiën destijds langs elkaar heen werkten. Lubbers zag onvoldoende toe op de coördinatie. Maar volgens de toenmalige premier was de oorzaak van Zwarte Maandag een onderonsje (ook toen al) van Duitsland en Frankrijk die bij nader inzien toch niets zagen in de Nederlandse voorstellen. Lubbers is juist heel tevreden over zijn eigen rol: de belangrijkste persoon destijds was natuurlijk de Franse socialist Jacques Delors, voorzitter van de Europese Commissie, maar vlak de Nederlandse minister-president ook niet uit. "Zonder te overdrijven: Delors en ikzelf hebben een hoofdrol gespeeld."

Van een heel ander kaliber zijn de schotschriften van de Duitse filosoof Hans Magnus Enzensberger en schrijver-journalist Geert Mak, letterlijk ook want ze zijn veel dunner en om die reden minder informatief. Toch zijn ze zeker de moeite waard. Enzensberger breekt een lans voor het opvullen van het democratisch tekort, want dat het Europarlement zo weinig te zeggen heeft, is volgens hem het kernprobleem van de Europese Unie. Het democratisch tekort is "niets anders dan een nette uitdrukking voor het monddood maken van de burger".

Enzensberger maakt zich vrolijk over de bemoeizucht van Brussel (dat zich druk maakt over de kromming van de Europese komkommer) en gaat tekeer tegen de banken en financiële markten, die in zijn ogen oorzaak zijn van de eurocrisis, terwijl de gewone man de rekening moet betalen. "Het recept is niet nieuw: socialisering van de verliezen, privatisering van de winsten."

Ook Geert Mak haalt uit naar het grootkapitaal, het "dogmatische marktdenken, een kapitalisme in zijn meest rauwe vorm". De auteur van de boeken over Europa en samensteller van een tv-serie is ronduit woedend dat "het hele Europese project, dit kostbare erfgoed van de vorige generaties Europeanen, ongemerkt uit onze handen glipt". Hij doet een paar suggesties om dat te voorkomen. Zo is volgens hem overdracht van een deel van onze nationale soevereiniteit aan Brussel onvermijdelijk. Europa moet zich zelfs kunnen bemoeien met de nationale begrotingen waarbij zeker 'onze uitbundige hypotheekaftrek' op de korrel zal worden genomen.

Maks boekje bevat nogal wat gezwollen taal, en dat irriteert op den duur. Bovendien is hij te vroeg gestopt met schrijven: op 11 december vorig jaar, toen de eurocrisis op zijn dieptepunt was. "Ik vrees dat het voorbij is", concludeert hij zwartgallig. Dat zou nog wel eens mee kunnen vallen.

Martin Visser: De eurocrisis. Onthullend verslag van politiek falen. Business Contact, Amsterdam. ISBN 9789047004813; 240 blz. € 19,95

Roel Janssen: De euro. Twintig jaar na het Verdrag van Maastricht. De Bezige Bij, Amsterdam. ISBN 9789023472346; 232 blz. € 17,90

Hans Magnus Enzensberger: Het zachte monster Brussel of Europa in de klem. Vert. Gerda Meijerink. Cossee, Amsterdam. ISBN 9789059363236; 96 blz. € 9,90

Geert Mak: De hond van Tisma. Wat als Europa klapt? Atlas, Amsterdam. ISBN 9789025439200; 96 blz. € 7,50t

Wie bedacht de euro?

De Franse socialist Jacques Delors, van 1985 tot 1995 creatief en daadkrachtig voorzitter van de Europese Commissie, kwam met het plan om een monetaire unie - en dus een eenheidsmunt - in te voeren, zo luidt een veelgehoorde opvatting. Oud-premier Ruud Lubbers en zijn rechterhand Wim Kok noemen hem ook met ere in het boek van Roel Janssen. Maar volgens de Belgische oud-premier Wilfried Martens kwam het idee uit de koker van de EVP, de Europese christendemocraten. De vroegere president van de Nederlandsche Bank André Szász wijst op zijn beurt naar Hans-Dietrich Genscher, de minister van buitenlandse zaken van (toen nog) West-Duitsland, en de Franse minister van financiën Edouard Balladur.

Wie ook de actor intellectualis was, feit is dat de EMU er alleen kon komen door een akkoord van de Franse president François Mitterrand en de Duitse bondskanselier Helmut Kohl. Mitterrand stemde in met de hereniging van de twee Duitslanden op voorwaarde dat Kohl de D-Mark zou opgeven ten faveure van de euro.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden