Het ethisch reveil van Albert Camus

Vijftig jaar geleden kwam de Franse schrijver en essayist Albert Camus om bij een auto-ongeluk. In Frankrijk verschijnen dit jaar maar liefst dertig boeken over hem, zijn stoffelijke resten zullen worden bijgezet in het prestigieuze Panthéon. Opmerkelijk, vindt historicus Wim Berkelaar, aangezien Camus de eerste decennia na zijn dood in Frankrijk niet de waardering kreeg die hem toekwam.

Anno 1950 was Albert Camus een graag geziene gast in intellectueel Parijs. Hij was ’goed’ uit de oorlog gekomen als journalist van verzetsblad Combat en had tijdens de oorlogsjaren bovendien zijn korte roman ’De vreemdeling’ en het filosofische essay ’De mythe van Sisyfus’ gepubliceerd. Camus hing rond in Franse cafés in het gezelschap van hét icoon van naoorlogs Frankrijk, Jean Paul Sartre. Diens muze Simone de Beauvoir flirtte openlijk met de schrijver, die het zelf aanlegde met de befaamde toneelspeelster Maria Casarès. Niets kon het Parijse bal der filosofen verstoren.

De inzet van Sartre en Camus leek identiek: ze hadden oog voor het ongerijmde bestaan en verzetten zich tegen de instantie die dat eeuwenlang zin had gegeven: God. Sartre zwalkte tussen rationalistische redeneringen dat God niet kon bestaan en ethische opstandigheid: dat de mens een bestemming had, was in strijd met zijn opvatting dat de mens ’gedoemd’ was tot vrijheid. Camus koesterde vooral bezwaren tegen de oudtestamentische God: een jaloerse God, die zomaar Kaïn boven Abel verkoos en zelfs de gekruisigde Jezus verlaten had.

Ook hun mensbeschouwing leek eender: Sartre en Camus zochten naar solidariteit. Maar hier traden kardinale verschillen aan de dag. De romantisch rationalist Sartre poneerde na de Tweede Wereldoorlog aanvankelijk een ’derde weg’ tussen kapitalisme en communisme, maar ontwikkelde zich al snel tot politiek auteur die het communisme diende. Zijn ’De dood in het hart’ (1949) leest als een lofzang op de fictieve communist Brunet, die zich al schietend en vechtend tegen de nazi’s verzet. Het toneelstuk ’Vuile handen’ (1947) had trouw aan de (communistische) partijlijn tot onderwerp. Scherp stelde Sartre aan de orde tot welke onmenselijkheid die kon leiden. Zijn scherpzinnigheid weerhield hem er enkele jaren later niet van opvoering van het toneelstuk te verbieden: het zou ’anticommunisme’ in de kaart spelen.

Zo politiek als Sartre werd, zo a-politiek bleef Camus. In zijn beroemde roman ’De pest’ beschreef hij aan de hand van de strijd van bewoners van de Algerijnse stad Oran tegen de pest de mogelijke menselijke opstelling tegen lijden en dood. Hij toonde dat mensen zich terugtrokken, hun vertrouwen op God stelden of doel en zin vonden in solidariteit. Hoofdpersoon dokter Rieux was de spreekbuis van Camus: hij steunde bedreigde stadgenoten, bezocht de ene pestlijder na de andere en keerde zich tegen God, die hij voor het lijden verantwoordelijk hield.

Het was literatuur van de bovenste plank en werd als zodanig ook gewaardeerd. Maar in het verpolitiekte Frankrijk, waar menig filosoof – Sartre, Maurice Merleau-Ponty – zich als trots erflater van de Franse Revolutie uitsprak over doel en middelen van het revolutionaire denken, kon ook Camus niet achterblijven. Jarenlang werkte hij aan wat hij zelf als zijn belangrijkste werk zou beschouwen: ’De mens in opstand’. De titel is even veelzeggend als misleidend: Camus verzette zich juist tegen het revolutionaire denken, dat de mens op de troon zette die vacant was sinds ’de dood van God’. Al bij de ’metafysische opstand’ zag Camus het misgaan: Kaïn mocht zich dan met recht verzetten tegen Gods willekeurige liefde, zijn daaropvolgende, onherstelbare misdaad (de moord op Abel) zette de toon voor de vrije mens zonder beperking. De metafysische opstand zag Camus aan het eind van de 18de eeuw culmineren in het oeuvre van markies De Sade, die een ’buitensporige dorst naar een voortaan verboden leven’ bepleitte.

Sades ’theologie van het kwaad’ viel samen met de ’historische opstand’ tegen God, die met de Franse Revolutie begonnen was. De tot dan toe intensieve band tussen troon en altaar werd definitief verbroken, waardoor God ook politiek van de troon viel.

Camus zag de historische opstand in zijn tijd in twee richtingen gaan: in fascisme en nationaal-socialisme en in communisme. Fascisme en nationaal-socialisme waren voor hem louter ’minachting’: voor de wet en voor de mens, zoals de ongekende massamoord op de Joden bewees. Fascisme en nationaal-socialisme liepen uit op de vergoddelijking van enkele mensen, voorop Hitler en Mussolini.

Het communisme had een universeler pretentie: het was uit op de vergoddelijking van de geëmancipeerde mens, die zijn ketenen verbroken had. In naam van het ’wetenschappelijk socialisme’ begon een reusachtig experiment met mensen en waren alle middelen geheiligd om het paradijs op aarde te bereiken: het onvermijdelijk einde heette ’De Goelag Archipel’, een term gemunt door de doodgraver van het communisme, Alexander Solzjenitsyn. Hij voelde zich verwant met Camus, die evenals hij schreef vanuit de overtuiging dat kunst, zoals Camus het formuleerde, ’met de schoonheid van de wereld of de mensen een verbond aangaat tegen de machten van de dood en de vergetelheid’.

In 1951, toen Camus ’De mens in opstand’ publiceerde, verbleef Solzjenitsyn nog anoniem als verbannen kampgevangene in het zuiden van Rusland en vocht hij een zware strijd uit met kanker. Hij kreeg niets mee van de breuk die het boek tussen Sartre en Camus zou veroorzaken en die destijds wereldnieuws was. Misschien kon die breuk ook om andere redenen niet uitblijven, de geromantiseerde vriendschap, die nadien zoveel generaties betoverde, ten spijt: Sartre bleef een stadse rationalist uit de betere kringen, iemand die onophoudelijk schreef en overal een antwoord op leek te hebben, Camus een gevoelige Frans-Algerijnse intellectueel van eenvoudige komaf, aanvankelijk schroomvallig in de wereldstad Parijs, waar hij weliswaar een graag geziene gast werd maar zijn verlegenheid toch nooit helemaal verloor. En altijd van belang in conflicten van dit formaat: Sartre was lelijk als de nacht en moest de blaren op zijn tong praten om indruk op vrouwen te maken (iets dat hem wonderwel lukte), Camus was in werkelijkheid de Don Juan die in zijn werk als literaire figuur zo’n prominente plaats had – hij werd in Parijs door vrouwen nagekeken.

De directe aanleiding tot de breuk was en bleef echter het communisme. Of liever gezegd: maat en mateloosheid. Voor Sartre heiligde het doel de middelen. Hij liet een adjudant een vernietigende kritiek schrijven op ’De mens in opstand’. Dat Sartre niet zelf in de pen klom, was al een dodelijke belediging voor Camus, maar dat zijn boek ook nog werd afgedaan als ’een vaag soort humanisme’, was de druppel die de emmer deed overlopen.

Diep verontwaardigd schreef Camus direct ’meneer de directeur’ aan, wat hem weer op een vinnige repliek van Sartre kwam te staan, die minzaam en daardoor des te dodelijker opende met: „M’n waarde Camus, onze vriendschap was niet gemakkelijk, maar ik zal haar missen.”

De zeer persoonlijke toon van de polemiek leek de kernzaak te verhullen: hoe moet een mens leven zonder God? Moet hij van de mens een even absoluut doel maken als hij van God deed en zich onvoorwaardelijk in dienst van de revolutie stellen? Een totale omwenteling zou het menselijk tekort opheffen, geloofde Sartre – althans, de Sartre van na de Tweede Wereldoorlog. Nog tijdens de oorlog had hij betoogd dat de kern van ieder menselijk contact het conflict was, na 1945 kon hij niet meer met die gedachte leven en hoopte hij het menselijk tekort op te heffen door achter steeds radicalere bewegingen aan te lopen. Sartre werd de held van de revolterende studentengeneratie, door wie deze eens grote schrijver gewillig een karikatuur van zichzelf liet maken. Met als dieptepunt het jaar 1970, toen Sartre op straat het volstrekt foute maoïstische blad De zaak van het volk uitventte.

Camus, die na de breuk met Sartre in een intellectueel isolement leefde, was toen precies tien jaar dood en zijn erfenis leek in Frankrijk vergeten. Het waren de jaren van de onleesbare marxist Louis Althusser en van de veel oorspronkelijker geest Michel Foucault, die filosofisch wel sterk van Sartre verschilde, maar niet in zijn radicale temperament. De homoseksueel Foucault, die aan aids zou sterven na een uitbundig seksleven, zag er in de aanloop van de Iraanse revolutie in 1978 geen been in de reactionaire islamist ayatollah Khomeini in een reeks artikelen te bewieroken. Het kwam hem toen al op kritiek te staan van een uitgeweken Iraanse vrouw, die fijntjes voorspelde waartoe Khomeini’s orthodoxe islam zou leiden: tot een religieuze dictatuur, waarin dieven en overspeligen de handen werd afgehakt. De Iraanse kon niet weten (vrijwel niemand wist dit in 1978) dat Foucault homo was, anders had ze hem ook nog kunnen voorspellen dat in Iran homoseksuelen zouden worden opgehangen.

’Politicide’ heeft de filosoof Luuk van Middelaar deze voortdurende ’moord op de politiek in de Franse filosofie’ genoemd. De grote verdienste van Camus is dat hij, om in de beeldspraak te blijven, geen bloed aan zijn handen heeft. Toch wezen Van Middelaar en anderen ook op de zwakte van Camus’ inzet: zijn revolterende mens was in wezen apolitiek. Inderdaad heeft Camus (behalve in zijn verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog) politiek vrijwel nooit partij kunnen kiezen. Toen de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd (1954-1962) uitbrak, voelde hij zich verscheurd tussen zijn geboortegrond Algerije en Frankrijk, het land waarin hij als schrijver en intellectueel groot geworden was. Camus’ inzet was vooral een ethische: zijn geïdealiseerde ’mens in opstand’ bezat een instinct voor onrecht en maande de mens daartegen in opstand te komen.

Politiek gesproken was het ethisch reveil van Camus echter impotent. Tekenend mag heten dat hij geen woord wijdde aan de bestaande parlementaire democratie van Frankrijk in zijn tijd en evenmin aan een politieke partij. Wat dat aangaat bleef Camus in de traditie van de grote woorden staan, die sinds de Franse Revolutie werden gebezigd. Heel anders dan zijn tijdgenoot Raymond Aron of dan de Nederlandse essayist Jacques de Kadt. Zij werden lid van een gematigde politieke partij, ontpopten zich tot geharnaste tegenstanders van totalitair denken en als warme pleitbezorgers van een ’politiek der gematigden’ (De Kadt). Bij al hun polemisch talent beseften Aron en De Kadt dat alleen die politiek de burger ten goede komt.

Op Camus’ politieke vernuft valt dus wel wat te merken. Toch was hij als één van de weinige Franse denkers wars van extremisme en wist hij zonder God maat te houden door de mens niet onmiddellijk, zoals Sartre, op de vacante troon te plaatsen. De Franse president Sarkozy zal ongetwijfeld (ook) uit eigenbelang het voorstel hebben gedaan Camus over te brengen naar het Panthéon. Maar het voorstel zelf is een politiek statement in een land dat veel te lang onder het beslag van de Revolutie heeft geleefd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden