Het ene oor in, het andere uit

Minister Verdonk van vreemdelingenzaken is van plan om immigranten al vóór ze naar Nederland komen een inburgeringscursus te laten volgen. Nederland zou het eerste land zijn dat die eis stelt. Ervaringsdeskundigen twijfelen aan het nut. Inburgeren is een proces en een taal leer je pas als je hem ook gebruikt.

1. Wie is de koningin van Nederland?

2. Wie volgt haar op wanneer zij overlijdt?

3. Wie is de minister-president van Nederland?

4. Wat waren in de Tweede Wereldoorlog de vijanden van Nederland?

5. Tegen wie ging de Nederlandse strijd tijdens de Tachtigjarige Oorlog?

6. Wie schreef het Wilhelmus?

7. Hoeveel leden heeft de Tweede Kamer?

8. Waarom vieren we 5 mei?

9. Wat is de minimumleeftijd om in Nederland te mogen stemmen?

10. Wie wordt aangeduid met 'de vader des vaderlands'?

Zou Nederland inburgering aanpakken in de stijl van de Verenigde Staten, dan zouden buitenlanders die Nederlander willen worden dergelijke vragen kunnen verwachten. Die zouden dan in het Nederlands worden gesteld door een ambtenaar, die er ook in het Nederlands antwoord op zou willen. Want zo - vindt men in de VS- test je met een paar geschiedenisvragen in één moeite de taalkennis. Wie boven de 50 is en sinds minstens twintig jaar in het land woont, mag ook in eigen taal antwoorden: voor ouderen geldt geen taaleis. Van jongeren wordt ook gevraagd een zinnetje op te schrijven, zoals: ,,Een kamerlid wordt gekozen voor vier jaar'' of ,,Je drinkt te veel koffie.''

Om zulke opgaven gaat het in Amerika tijdens, wat er weids heet, het US Citizenship exam and interview. Wie dat achter de rug heeft mag door naar de ceremonie van de eed-aflegging. Daar zweer (so help me God) of beloof je plechtig je loyaliteit aan het nieuwe vaderland.

Zo'n eed heeft Nederland niet, maar sinds een krap jaar -april 2003- heeft Nederland wel een eigen naturalisatietoets. Al hoeft niet iedereen die Nederlander wil worden die toets te maken -wie met succes door de inburgeringscursus heen kwam hoeft bijvoorbeeld niet. De naturalisatietoets duurt vier uur, waarin de kandidaat eerst aan de pc (,,U moet hiervoor weten hoe u met een muis moet werken'', waarschuwt de dienst) veertig vragen beantwoordt over de Nederlandse samenleving en staatsinrichting, en vervolgens vier taaltoetsen doet: luisteren, spreken, lezen, schrijven.

Moet je ook in Nederland zulke feitjes weten als dat Willem de Zwijger 'Vader des vaderlands' wordt genoemd? Dat is niet duidelijk, want hier hangt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) z'n toets niet aan de grote klok en publiceert oude opgaven niet. Een van de weinige opgaven die de IND wél aan de openbaarheid toevertrouwt (zie illustratie) suggereert wel dat Nederland het zoekt in praktische vaardigheid, en niet in historische feitjes.

Wat niet wil zeggen dat de toets makkelijk wordt gevonden. ,,Hier in Den Haag nemen we de toets af met maximaal twintig kandidaten tegelijk'', zegt Els Klopper van het Mondriaan College in Den Haag, een van de tien regionale opleidingscentra (roc's) waaraan de toets is uitbesteed, ,,en we hebben zowel klasjes gehad waar iedereen slaagde, als klasjes waar een derde van de kandidaten zakte.'' Vorig jaar, zegt de statistiek van het ministerie van justitie, slaagde 61 procent van de kandidaten -een rendement waarvoor de doorsnee middelbare school zich niet zou schamen. Aan de taaltoets mag je pas beginnen als je door de toets 'kennis van de Nederlandse maatschappij en de Nederlandse staatsinrichting' heen kwam. Zakte je daarvoor, dan kun je pas na een halfjaar opnieuw examen doen: anders moet de IND de vragen zo vaak verversen.

Met de taaltoetsen moet de kandidaat bewijzen dat hij of zij het Nederlands beheerst op 'niveau 2' van het officiële vak 'Nederlands als tweede taal' (NT2). Dat betekent dat je een kort gesprek kunt voeren, een eenvoudig krantenbericht begrijpt, een briefje (op het niveau van het prikbord in een supermarkt) kunt schrijven.

Hoe snel iemand dat niveau bereikt hangt sterk samen met het opleidingsniveau, zeggen ze op roc De Amerlanden in Zeist, een van de regionale opleidingencentra waar inburgeringscursussen worden gegeven. Wie, zoals de meeste inburgeraars in Nederland, in het land van herkomst tussen de vier en acht jaar onderwijs gehad heeft, doet er twee jaar over om dat niveau 2 te bereiken. De enkeling die 'hoog opgeleid' is (in dit verband betekent dat: wie in het thuisland de middelbare school afmaakte en minstens één westerse taal kreeg), bereikt in vijftien maanden zelfs niveau 4. Zo iemand heeft nog wat moeite met het Nederlandse idioom, maar spreekt moeiteloos Nederlands. Wie 'heel hoog opgeleid' is, een academische- of hogeschoolopleiding heeft voltooid, heeft het niet zonder meer gemakkelijker, leert de ervaring op De Amerlanden. Ingenieurs vinden het bijvoorbeeld vaak heel moeilijk om een taal te leren, én ze moeten een lange pijnlijke weg afleggen voor ze inzien dat hun Nederlands ontoereikend is om op hun eigen niveau werk te vinden.

En een analfabeet? In drie jaar tijd spreekt en verstaat die Nederlands op niveau 2, maar lezen en schrijven is dan nog altijd op niveau 1. Een krantenbericht lezen of een briefje schrijven, dat blijft moeilijk.

Die ervaringen maken dat Tineke Bouwhuis, Jacobi Vliegenthart en Marjan Brave van De Amerlanden niets zien in het voornemen van minister Verdonk van vreemdelingenzaken om al in het land van herkomst te beginnen met inburgering. Het is een plan waarmee de laagst opgeleiden geen kans meer krijgen -en het minste wat Verdonk zou kunnen doen is: daar duidelijk over zijn, zegt Tineke Bouwhuis, opleidingscoördinator voor Nederlands als tweede taal (NT2).

,,Als je in Marokko al een school zou opzetten waar je Nederlands kunt leren, dan kennen de mensen aan het einde van de rit misschien een paar Nederlandse woorden. Maar dat is een heel eind verwijderd van 'de taal spreken' of 'de Nederlandse samenleving een beetje kennen'. Nou kun je denken: dan geef je daar meteen ook een cursus maatschappelijke oriëntatie. Maar daar burger je niet van in. Inburgeren is een proces. En hoe lager opgeleid mensen zijn, des te meer concrete voorbeelden je moet laten zien. Daarvoor moeten ze dus wel in Nederland zijn'', zegt Jacobi Vliegenthart, net als Tineke Bouwhuis en Marjan Brave van ROC De Amerlanden. Vliegenthart geeft er loopbaanoriëntatie aan analfabeten; Brave heeft een coördinerende functie.

De Amerlanden is er -als wel meer roc's- van afgestapt om taallessen voor buitenlanders te zien als alleenzaligmakend. Taal gaat pas leven wanneer je 'm kunt gebruiken in de omgeving waarin je je bevindt, leert de ervaring. Zo niet, dan gaan taallessen het ene oor in en het andere uit. Dus moet je 'taal op de werkplek' geven, ingebakken in een cursus loopbaanoriëntatie, of een cursus sociale zelfredzaamheid.

,,Bouwen aan je toekomst'', staat er hoopgevend op de kaft van een reusachtige ordner. Dat is het werkboek van de loopbaanlessen die De Amerlanden aan analfabeten geeft. De cursisten hebben los hiervan ook Nederlandse les, maar in de loopbaanlessen is het Nederlands middel, geen doel. Het doel is: aan een of andere vorm van werk (baan, stage, vrijwilligerswerk) te komen. Aan het eind van de lessen heeft de cursist een 'portfolio' aangelegd. Dat is een dossier over jezelf dat je kunt gebruiken bij sollicitaties. Bouwhuis: ,,Veel werkgevers weten helemaal niet wat een cursus NT2 is, dus een sollicitant die zegt dat hij of zij dat heeft gevolgd, maakt niet zoveel indruk. Werkgevers hebben meer belangstelling voor een map waarin allerlei verschillende gegevens over iemand te vinden zijn.''

Een van de eerste opdrachten uit het werkboek: ,,Hieronder ziet u plaatjes van 23 beroepen. Weet u de namen van deze beroepen? Probeer samen zoveel mogelijk namen te vinden. Hoeveel weet u er?'' De plaatjes tonen een vrouw achter een naaimachine, een man met een bus verf bij een half afgeschilderde schutting, een meisje met een metseltroffel en een baksteen in de hand, een vrouw achter een toonbank. In groepjes van twee worden de cursisten geacht om te bedenken hoe die beroepen in het Nederlands heten.

Een paar lessen verder krijgt die nieuwe kennis een abstractere vorm. Net zoals je bij een groentekraam verschillende soorten fruit kunt kopen, bestaan er ook 'verschillende soorten werk', leert de cursist nu. Zo heb je 'de zorgsector', 'de horeca', en 'industrie en bouw' en moet je in elk van zeven sectoren een paar beroepen kennen.

Langzaam werken de lessen toe naar de instituties die in Nederland met werk te maken hebben: het centrum voor werk en inkomen (cwi), het sofinummer, de sociale zekerheid, de arbeidsovereenkomst, de belastingen. Vliegenthart: ,,Gaat het in de les over het cwi, dan activeer je de cursisten om daar eens heen te gaan en bij de volgende les folders mee terug te brengen. Zodat ze in een moeite ook moeten uitvinden waar het cwi is.''

Is de loopbaanoriëntatie af -na twaalf weken voor wie kan lezen en schrijven, na twintig weken voor wie analfabeet is- dan volgt een taalstage. Concreet betekent dat: in een bedrijf meelopen met iemand die daar werkt, en met haar of hem praten over dat werk. In Zeist doen ze dat bij bedrijven als Hema, C & A, Blokker, Gamma, Albert Heijn, of op een basisschool, een verzorgingshuis of een garage. De eerste groep die ooit aan zo'n taalstage begon vond het doodeng, maar kwam zo enthousiast terug dat volgende generaties cursisten er sindsdien naar uitzien. ,,Officieel mogen onze cursisten geen 'werk' doen, maar ze mogen wel meehelpen. Ze lopen in een winkel dus mee met een vakkenvuller, of helpen bij een drogist met het verpakken van parfum.'' Van die taalstage komt een getuigschrift, en ook dat gaat in het portfolio.

Als dit het niveau is van 'inburgering' (van analfabeten) terwijl men in Nederland is, wat kan dan nog het niveau zijn van een inburgeringscursus in het land van herkomst -die bijna per definitie een zelfstudiecursus zou zijn? De commissie-Franssen, die onlangs een sceptisch rapport publiceerde over Verdonks ideetje, is er niet optimistisch over. Schrijven en lezen bijbrengen zou een illusie zijn; spreken en begrijpen zou zich beperken tot een paar standaarduitdrukkingen -het taalniveau waarover in de kaskraker 'Shouf shouf habibi' al direct de eerste grap gaat. De Marokkaanse moeder van de hoofdpersoon draagt wel een bril, maar kan er niets door zien. De oorzaak is dat ze maar een paar kreten Nederlands kent. Bij de opticien kon ze daardoor alleen 'Is goed, is goed' zeggen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden