Review

Het einde van het 'moetje'

De anticonceptiepil werd al snel zo'n begrip dat je na 'depil' niets meer hoeft toe te voegen. Hier wordt geen Prozac ofaspirine bedoeld, dat weet een kind. Het is nog niet zo langgeleden dat de pil in Nederland werd geïntroduceerd: in 1962.

Dat de introductie van de pil met horten en stoten ging, iste lezen in 'De pil in Nederland - een mentaliteitsgeschiedenis'van historica Eva Rensman. Dit uitgebreide en goed geschrevenfeitenrelaas reikt van seksuele bevrijding tot pilmoeheid.

Wat is het leven in bed toch radicaal veranderd. Niet zozeerin handelingen, het liefdesspel kent weinig historischeontwikkeling, maar in onderhandeling. Vandaag zijn debelangrijkste grenzen aan seksualiteit die van het wederzijdswelbevinden en de fantasie. Amper een halve eeuw terug stond ereen muur van zwaarwegende factoren tussen wensen en praktijk vanhet seksuele verkeer. Partners wogen de lusten van lichamelijkplezier af tegen de lasten van periodieke onthouding, en zettennoodgedwongen de lichamelijke mogelijkheden af tegen de kans opzwangerschap of een seksuele aandoening.

En waren er geen zorgen over de huwelijkse plichten, dan warener wel de schuldgevoelens. Kerk, staat en arts, gelovige, burgeren patiënt: op institutioneel zowel als persoonlijk niveau hieldeen strikte moraal de seksualiteit in bedwang. Seks was, tot diepin de twintigste eeuw, in de grond verbonden aan de zonde, noglos van de specifieke opvattingen van het religieuze kamp waarinmen verkeerde.

Bovendien was geen huwelijk compleet zonder kinderschare, eenfeit waaraan de dienstdoende pastoor tot aan de bedrandherinnerde en waaraan individuele gelovigen ook vaak gevolggaven. Geboortebeperking druisde in tegen Gods wil, het gebruikvan anticonceptie werd afgewezen. Maar het bleef balanceren wanthet 'gaat heen en vermenigvuldigt u' mocht ook weer niet leidentot 'onverantwoordelijk lustzoeken'.

Deze spagaat, zowel bij katholieken als protestanten, heefttot veel onrust geleid. Veel ouderen herinneren zich hoeveelonrust het gaf als een moeder van vijftig ineens een 'nakomertje'produceerde, of als jonge stellen gedwongen trouwden dooronverwachte zwangerschap. Deze 'moetjes' zijn nu zo goed alsuitgestorven. En wat te denken van het goede advies van degynaecoloog, die in 1946 echtelieden anticonceptie nog als'ongezond' voorstelde? Zijn alternatief? “Ik hield ze voor datje (...) juist kinderen moest krijgen. Tegen de vrouw zei ik: Alsu meer kinderen hebt, krijgt u het steeds drukker en 's avondsbent u vermoeider dan nu, dan komt er vanzelf een beperking vanhet kindertal.“

De pil maakte aan deze seksuele cultuur resoluut een einde.Een revolutionaire verandering, zou je zeggen. Maar daar wilRensman niet aan. Haar antwoord op de vraag welk effect de komstvan de pil nou precies heeft gehad, wordt nergens in het boekexpliciet. Terwijl dit toch de hamvraag lijkt bij een middel datons dagelijks leven kennelijk ingrijpend heeft veranderd.

Voorzichtig, tussen de regels door, geeft Rensman welaanzetten die in de richting van grote conclusies wijzen. Innavolging van James Kennedy's 'Nieuw Babylon in aanbouw' (1995)ziet Rensman bijvoorbeeld de 'progressieve, revolutionaire' jarenzestig als veel minder progressief en revolutionair dan lang isaangenomen. Veranderingen die in Provo, Dolle Mina,partnerruilfeestjes en vrij druggebruik hun meest radicale uitinghadden, vonden plaats in een samenleving die er opvallend weinigverzet tegen aantekende. Het is een mooi punt, en het versterktde these van Kennedy - de jaren zestig stonden niet zo haaks opde periode daarvóór - enorm.

Het materiaal van Rensman zou ons kunnen helpen aan eenradicaal ander standpunt over de seksuele progressiviteit van dejaren zestig en zeventig. De culturele omslag op het gebied vanseksualiteit en alles wat er aan vastzit - kinderen, relaties,identiteit - was al een eind op gang voordat de jaren zestigbegonnen en er van een pil sprake was. De tweede feministischegolf werd lang van tevoren aangekondigd door een toenemendevrouwelijke zelfverzekerdheid en een groeiende onvrede met debestaande verhoudingen. Waarom maakt Rensman geen groot gebaarrichting de gewone man en vrouw in die 'gewone' jaren vijftigdoor de 'seksuele revolutie' in 'seksuele evolutie' om te dopen?

Voor zo'n stap is in het boek zeker de munitie aanwezig, enuit Kennedy weten we hoe fragiel de pretenties van de babyboomerszijn inzake hun voortrekkersrol. In plaats van zo'n stap tezetten houdt Rensman het klein, alsof zij een te groteinterpretatie van haar eigen gegevens schuwt. Het is af te lezenaan de manier waarop zij met de grote begrippen omgaat. Zo noemtRensman de veelzeggende term 'seksuele revolutie' slechts eenpaar keer in het boek, zonder deze verder te definiëren dan metde strofe 'steeds meer mensen accepteerden zaken die vroegertaboe waren'.

Ja, maar per wanneer gebeurde dat dan? Het boek maaktduidelijk dat het ruim vóór 1962 al broeide. De panelen van destrikte seksuele moraliteit waren aan het schuiven vanaf hetbegin van de jaren dertig. Het geboortetal per duizend inwonersliep bijvoorbeeld stelselmatig terug, van 37 kinderen per 1000mensen in 1876 naar ruim 20 in 1940, heel lang voordatgeboortebeperking kerkelijk en maatschappelijk geaccepteerd werd.

Voorbehoedsmiddelen als het pessarium en condoom waren al langen steeds ruimer verkrijgbaar, zei het vaak nog stiekem. Demoraliteit van individuele Nederlanders liep hiermee al vóórde oorlog ver op officieel Nederland voor, dat schoorvoetend depraktijk volgde. Zo publiceerde de Generale Synode van deNederlands Hervormde Kerk in 1952 een herderlijk schrijven overhet huwelijk, waarin liefde, niet voortplanting tot hoeksteen vanhet huwelijk werd verklaard; de gehuwden dachten er al veellanger zo over.

Ook de (Nederlandse) katholieke herders volgden na de oorloglangzaam de kudde, en discussieerden over de vraag of zij dekatholieke gelovige voor moesten blijven schrijven hoe tehandelen, of dat die, net als protestanten, op hun eigen gewetenaf mochten gaan. Een achterhoedegevecht, want, zo schrijftRensman over 1962, het jaar waarin de pil werd gelanceerd:“Nederland was al klaar voor de pil.“ Op dit soort stelligemomenten is het boek op zijn best: als met een zeker bravado eenpunt wordt gedrukt. Die stelligheid mist een beetje als anderefascinerende zaken aan bod komen.

In haar nawoord valt een intrigerende vaststelling over dehuidige situatie te lezen. Seks, schrijft Rensman, werd door dekomst van de pil losgekoppeld van voortplanting en werd iets'voor de lol'. “Seks is in onze cultuur een genotsmiddel.“ Teneerste: dat lijkt mij als duiding van de hedendaagse verhoudingente mager. Het is er óók voor de lol, maar het is maar een deelvan het hedendaagse plaatje, waarin aids, kinderwens, hetcentraal stellen van liefde en nog veel meer een rol hebben naastde pret in bed.

Ten tweede: is die genotscultuur, als dat is waar we nu inleven, nou wel of niet door de komst van de pil mogelijk gemaakt?Welke plaats had de lust tussen liefde en kinderwens vóór depil de verhoudingen omschoffelde? Is er op dat punt veelveranderd? En: Wat heeft de bevrijding van de 'vloek dervruchtbaarheid' de vrouw netto opgeleverd?

Rensman geeft voldoende aanwijzingen dat niet alle vrouwenzielsgelukkig zijn geworden door hun seksuele bevrijding. Velenhebben bijvoorbeeld moeite met het idee 'altijd beschikbaar tezijn'. Ook is het niet altijd en voor iedereen een zegen om jepartner heel nadrukkelijk te moeten vertellen dat je heel graageen kind wilt. Deze omslag in de onderhandelingen -- van allesmoeten doen om geen kind te krijgen naar alle zeilen bijzettenom zover te komen - laat zien hoe heftig de pil in het levenheeft ingegrepen. Dit boek doet daar, hoe sterk het is geschrevenen hoe helder onderzocht, niet genoeg recht aan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden