Het einde van de astronaut

Het internationale ruimtestation ISS wordt vanaf dinsdag permanent bewoond door bemanningen die doorgaans enkele maanden achtereen aan boord blijven. Dat klinkt als routine, en in hoge mate is het dat ook. Een astronaut is voortaan geen passant meer in de gevaarlijke kosmos, maar een forens met een vast werkadres.

Pal tegenover het Lyndon B. Johnson Space Center in Houston, Texas, staat 'The Outpost'. Het gebouw oogt als het zoveelste Amerikaanse steakhouse, maar dat is het bepaald niet. Sinds jaar en dag is The Outpost het favoriete restaurant van astronauten die zich in het aanpalende ruimtevaartcentrum voorbereiden op hun missie. Het donkerbruine interieur is behangen met memorabilia uit dertig jaar bemande ruimtevaart: foto's, knipsels, vluchtemblemen. Wie een astronaut eens in het 'wild' wil aantreffen, moet rond etenstijd zijn oren en ogen maar eens de kost geven in The Outpost.

Wie dat tot voor enkele jaren geleden deed, trof vooral doel bij Amerikaanse heren van tussen dertig en vijftig jaar, met een kortgeknipt hoofd, een atletische gestalte en een iets te luide basstem. Recentelijk klinken er echter ook andere geluiden in The Outpost. Russische geluiden. De stemmen van de voormalige aartsvijanden klinken doorgaans wat bedeesder, hun geaccentueerde taal vergt iets meer van het luistervermogen. Maar ze zitten aan één tafel met hun Amerikaanse collega's, te midden van al die herinneringen aan een ongewapende strijd waarvoor de kosmos een belangrijk slagveld vormde.

De Koude Oorlog is voorbij, en de doldrieste ruimterace die er deel van uitmaakte eveneens. De primeurs zijn verdeeld. Geen onverantwoord gejakker meer wie de eerste man, vrouw, duo of trio in een baan om de aarde brengt. Geen race meer om de eerste ruimtewandeling uit te voeren of om als eerste op de maan te landen. Dat werk is geleverd door de legendes van toen: mensen als Joeri Gagarin, John Glenn en Neil Armstrong. We zijn een generatie verder, de ruimtehelden van het eerste uur zijn bejaard of dood en hun nazaten eten samen T-bone steak in The Outpost.

De Amerikanen en Russen zijn samen met Europa, Japan, Canada en Brazilië partners in het duurste internationale technologische project ooit: het ruimtestation ISS. Voor ruim 100 miljard dollar wordt tot 2005 een gevaarte in een baan om de aarde geassembleerd dat zijn gelijke niet kent. Laboratoria, woon- en werkverblijven - leefruimte zo groot als twee interieurs van een jumbojet. Vanaf dinsdag wordt het station permanent bewoond door bemanningen die doorgaans enkele maanden achtereen aan boord blijven. De kwartiermakers zijn een Amerikaan en twee Russen. Op volle sterkte - maar dat is pas over een paar jaar - krijgt het ISS een stambemanning van zeven personen.

Het is een scenario dat lange tijd onvoorstelbaar leek. Het ruimtestation werd in 1984 aangekondigd door president Reagan als een vreedzaam wapen tegen het evil empire: het kwade Sovjet-rijk dat de vrije wereld zou bedreigen. Maar de kosten van het gevaarte dat de Amerikaanse hegemonie in de kosmos moest onderstrepen rezen al snel de pan uit. De aanvankelijke raming van 8 miljard dollar bleek absurd laag. In 1993 haalde president Clinton het gedemocratiseerde Rusland erbij als partner. Dat land had ervaring met de bouw van ruimtestations en had nogal wat technici rondlopen die weggehouden moesten worden van raketprogramma's van dubieuze regimes. Per saldo zou de samenwerking bovendien geld moeten besparen.

Ter kennismaking verbleven Amerikanen maandenlang in het Russische ruimtestation Mir, en vlogen Russen mee in de Space Shuttle. De cultuurshock was groot. De eerste Amerikaan die zich vestigde in het opleidingscentrum voor kosmonauten, Sterrenstad bij Moskou, kreeg te horen dat de basis zo geheim was dat er niet eens een plattegrond van bestond. Er gaapte een kloof tussen de technologische culturen. In de Mir voelden astronauten zich buitengesloten door hun Russische collega's. Dat ze wel moesten leren samenwerken was echter bij beide partijen duidelijk - vooral bij de Russen. Op eigen kracht de Mir blijven onderhouden zou Rusland te duur worden. Om de nazaten van Joeri Gagarin toch nog een zinvolle bestemming te geven in de kosmos is er nu dus het ISS, dat er volgens menig Amerikaans politicus ook wel zonder Russische inbreng was gekomen.

Dat laatste is achterafgepraat. Tenzij er zaken dramatisch mislopen zal vrijwel de gehele bemande ruimtevaart in de komende jaren in het teken staan van dat enorme ruimtestation. Dat brengt nogal wat veranderingen met zich mee. Een astronaut is voortaan geen passant meer in de kosmos (de Space Shuttle heeft immers geen bestemming), maar een forens met een vast werkadres. Hij wordt door een ruimtependel of door een Russische Sojoez-raket bij het ISS afgeleverd, doet daar enkele weken of maanden achtereen zijn technische of wetenschappelijke werk en keert dan naar huis. Het klinkt als routine, en in hoge mate is het dat ook. In een baan om de aarde valt, als het ISS eenmaal af is, niet zoveel nieuws meer te ontdekken. De Gagarins, de Glenns en de Armstrongs hebben hun verkennende werk gedaan; voor hun opvolgers schuilt niet meer achter elke hoek gevaar.

Nog meer dan in de voorbije jaren zullen ruimtevaarders anonymi worden voor het grote publiek. Vele honderden mensen zijn inmiddels in de kosmos geweest. Afgelopen week werd de honderdste Shuttle-vlucht beëindigd. Terwijl vroeger de namen van de eerste groep astronauten (de 'Mercury Seven') bij iedere Amerikaan op de lippen brandden, zal tegenwoordig vrijwel niemand kunnen zeggen dat de commandant van de meest recente ruimteploeg Brian Duffy heette. De drie kwartiermakers van het ISS zijn zwaargewichten in het ruimtevaarderswereldje, maar Bill Shepherd, Joeri Gidzenko en Sergei Krikaljov zullen nooit householdnames worden.

Ruimtevaarders van tegenwoordig kunnen gewoon over straat lopen. Ze staan zelden nog op postzegels, ze worden niet meer belaagd door hordes journalisten en niet meer behangen met eremetaal. In de souvenirwinkels van de Nasa-centra zijn poppen, placemats, mokken en andere prullaria te koop met beeltenissen van de helden van weleer, maar een individuele hedendaagse astronaut zul je er niet zo gauw vinden. Alleen de 'bijzondere gevallen', zoals de eerste vrouw die Shuttle-commandant werd, of de eerste zwarte vrouw, en noem maar op, krijgen extra aandacht. Het imago van de 'chauffeur' van een ruimtevaartuig gaat er trouwens toch al niet op vooruit wanneer de bestemming van de 'bus' in de komende jaren vrijwel steeds dezelfde is: het ISS. Ook het testen van nieuwe bussen, datgene waaraan de vroege astronauten hun faam ontleenden, zit er voorlopig niet in. Er is nog lang geen opvolger voor de Shuttle in beeld.

Afgezien van een aardige wetenschappelijke vondst of een fraai plaatje van een ruimtewandeling zullen de werkzaamheden in het ISS niet veel mediageniek vuurwerk opleveren. De pr-afdelingen van de ruimtevaartorganisaties zullen er nog een harde dobber aan hebben het station in de schijnwerpers te houden. Vanwege het serieuze karakter van het experimenteerwerk en de onderliggende politieke belangen zal alles aan boord in hoge mate geregisseerd blijven. Alle betrokkenen hebben er baat bij dat de lieve vrede in het multinationale zwevende huis blijft bewaard. De bemanningen worden zorgvuldig gescreend. Van eventuele aberraties zal de buitenwereld weinig horen. Uit angst om gepasseerd te worden voor toekomstige missies zullen de ruimtevaarders zelf in elk geval niet de luidste klagers zijn. Vroeger werden de verschillen tussen de ruimte-activiteiten van Oost en West benadrukt, nu moet de eenheid ervan afstralen.

Voor de ruimtevaart zelf is het misschien niet verkeerd dat er eindelijk een vorm van rust en routine komt in het werk van het vliegend personeel. Het is ontegenzeggelijk een teken dat de bemande ruimtevaart een stukje volwassener is geworden. Na jaren van trial and error kan er nu flink worden aangepakt. De adorering van astronauten berust nog vooral op de indruk dat ze daarboven hun leven in de waagschaal stellen, dat ze er technische dingen doen die geen sterveling begrijpt en op de entourage rond een ruimtemissie: de stoere pakken, de lanceerklok die aftelt, de brullende raketmotoren. Het gevoel dat dit allemaal noodzakelijk is om een andere, vijandige supermacht af te troeven, is echter verdwenen. En dat kan per saldo best eens een nadeel blijken.

In het ruimtestation komt een all-stars-team te wonen, samengesteld uit de beste spelers van meer dan een dozijn landen. Het wordt lastig voor het publiek om zich met zo'n ploeg te vereenzelvigen, zoals met een nationaal elftal. En in het ISS is er bovendien niet eens een tegenstander. Naarmate er meer mensen naar toe gaan, wordt ook de identificatie met een landgenoot aan boord minder.

Wat dat betreft hebben de kleine landen, die doorgaans de minste bemanningsleden leveren, het beter. Nederland kan een aardige oranje-impuls krijgen wanneer de arts André Kuipers waarschijnlijk rond 2005 in het ISS zal verblijven als lid van een Europees astronautencontingent. Een doorsnee Amerikaanse astronaut wordt vaak alleen nog extra uitgelicht door de regionale pers in zijn geboortestreek.

De politiek gevoede spanning in de bemande ruimtevaart zal dus voor een belangrijk deel verdwijnen met de komst van het ISS. Er zal minder nationalistisch vertoon zijn rond toekomstige ruimtemissies. Het is moeilijk in te schatten of bijvoorbeeld de Amerikaanse belastingbetaler - grootinvesteerder in het project - dat kan waarderen. Het ISS is van iedereen, van alle burgers uit zestien landen, en dus eigenlijk van niemand. Een Amerikaan die in het ruimtestation samen met een Fransman een zware taak volbrengt met een Russisch apparaat zal de eer moeten delen. Vroeger was dat simpeler: toen deden Amerikanen en Russen werk dat ze zelf ongegeneerd de hemel in mochten prijzen. Als er in het ISS straks heldendaden worden verricht die herinneren aan de tijden van weleer, dan dringt dat misschien niet eens in de volle omvang door tot de aarde. Een anonieme astronaut wil ook weleens boven zijn collega's worden uitgetild. Nu maar hopen dat de steaks in The Outpost blijven smaken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden