Het eeuwige schikken, schaven, schuiven

„Hoe komt het”, vraagt Peter Sierksma zich af, „dat een dichter keer op keer zijn eigen werk ter hand neemt en dit steeds opnieuw wil maken, verfijnen, herschikken en soms zelfs herroepen alsof het nooit geschreven is?” Tien jaar geleden leek deze drang bij Guillaume van der Graft geheel te zijn verdwenen, maar nu verschijnt opnieuw zijn verzamelde poëzie.

Weer is het herfst. Op de kop van de parallelweg van de Koningslaan ter hoogte van de zuidelijke ingang van het Utrechtse Wilhelminapark liggen hoge stapels bij elkaar geblazen bladeren. Niet eens zo lang geleden werden die hier nog met de hand geharkt. Nu hebben de mannen van de gemeente daar aparte klop-, veeg- en zuigwagentjes voor. Achter op de wagentjes staan opvallende gele borden die het verkeer waarschuwen voor de kracht van het bladopruimingsapparaat. Wie niet voor eeuwig opgezogen of omvergeblazen wil worden gelieve een beetje afstand te houden.

Komende week verschijnt, niet voor het eerst, de verzamelde poëzie van Guillaume van der Graft, geboren als Willem Barnard (Rotterdam 1920): ’Praten tegen langzaam water. Gedichten 1942-2007’. Tien jaar geleden, bij de verschijning van het vorige verzamelde werk ’Mythologisch’, leek het erop dat dit meteen ook Van der Grafts poëtisch testament was.

Toen ik hem destijds sprak op een gure herfstdag voor Letter & Geest, ontmoette ik een somber man, die worstelde met zijn verleden en niet goed wist hoe het nu verder moest. Na de bundel ’Onbereikbaar nabij’, gewijd aan zijn in 1995 gestorven vrouw Tinka, leek het alsof het op was.

Waar het heen gaat is vergeten

waar het bestaat kom ik vandaan

tijd verteert, het licht wordt minder

de uren druipen op mijn hand.

Toen ik hem in zijn huiskamer vroeg hoe het dichten hem afging, antwoordde hij, bijna gekrompen tot alleen Willem Barnard, dat je daar „niet over kunt beschikken”.

Eerlijk gezegd begreep ik dat niet. Ik vond het lastig te bedenken dat een schoenmaker, ook als hij in rouw was, geen schoenen meer zou kunnen maken of dat een journalist geen letter meer zou kunnen tikken. Dat ging toch altijd door? Maar nee, zo lag het niet. Van der Graft in de herfst van 1997: „Ik heb sinds mei geen versje meer gemaakt, althans niet van betekenis. Maar misschien komt dat opeens weer, dat weet ik niet. Ik heb zo vaak gedacht, nu is alles opgedroogd, maar dan was er toch weer opeens een impuls en begon het weer.”

En ja, opnieuw gebeurde het. ’Mythologisch’ werd goed ontvangen, er volgde een indrukwekkend optreden tijdens de Nacht van de Poëzie in 1998, en een jaar later verscheen ’Een ongedurige dageraad’. Letterlijk het begin van een nieuwe periode, waarin de gordijnen van ’het duistere huis’ (de eerste afdeling van de bundel) weer werden opengetrokken en de dichter de straat weer opging.

Hij kwam in contact met jongere collega’s als Ingmar Heytze en Ruben van Gogh, die behalve de ernst vooral ook de humor van zijn werk zagen. In 2001 verscheen ’De weg van de wind’, waarin dan ook niet voor niets de zucht van de ouderdom gerelativeerd wordt en de liefde fluisterend haar intrede doet. Even huiverig als zinderend, als vuur naast ijs in ’Zo koud zo koud’:

Dood is een woord dat niet hoort,

het is door en door doof en zo zwart

als een gat in de taal

en het vriest

het vriest aan mij vast

Kus mij dan, liefkoos mij

los, want ik leef

pas waar je mijn dood hebt ontdooid.

Het gedicht werd twee jaar later opgenomen in de verzameling liefdesgedichten ’Lijfeigen’, gewijd aan de drie vrouwen die het leven van Van der Graft hebben bepaald: Katinka, zijn nichtje Cobie en Nelleke Altena.

En nu dan 2007, alweer herfst. Weer ga ik naar hem toe, maar nu steek ik het park door, de andere kant op.

Sinds deze zomer woont Barnard niet langer in zijn vertrouwde huis achter het park maar in een kamer aan een van de singels in het oudste gasthuis van de stad. Nadat hij begin dit jaar na een ongelukkige botsing op straat zijn heup brak en in het ziekenhuis belandde, heeft hij maandenlang niet kunnen schrijven. Maar het begint weer te komen, zegt hij, zittend in zijn rolstoel achter zijn bureau voor het raam. En zo schrijft hij iedere morgen – met de hand, want typen heeft hij nooit geleerd – een half A4’tje vol met een gedachte, het begin van een essay of zomaar een mijmering.

Hoe komt het dat iemand keer op keer zijn eigen werk ter hand neemt en dit, tegen de klippen op bijna, steeds opnieuw wil maken, verfijnen, herschikken, herstellen en soms zelfs herroepen alsof het nooit geschreven is? Had de grote Schepper soms aan zeven dagen niet genoeg? Was een schilderij voor Ruysdael uiteindelijk niet heel simpel ’af is af en niet weerom, het is verkocht’? Was het Lucebert niet die nooit omkeek maar zich altijd weer ’vrij veegde’, de ongewisse toekomst tegemoet? En daartegenover dan die ongelooflijk ongelovig christelijke Van der Graft die maar steeds omkijkt.

Staat er dan toch niet wat er staat? Hoe gebeiteld, hoe definitief moeten wij, simpele lezers, zijn gedichten lezen? Of hebben we te maken met een grote abstracte puzzel die niet eenduidig is maar, hoe vreemd ook, in vele vormen steeds opnieuw tot een passend geheel kan worden uitgelegd? Maar kom, Van der Graft is toch geen Beat Poet?

Nee, Van der Graft is geen Beat Poet en ook geen Vijftiger, al komt hij wat vorm en leeftijd betreft het dichtste bij die generatie in de buurt – zeker tijdens zijn Amsterdamse periode, begin jaren vijftig. De connectie werd in de zomer van 2000 met een knipoog bevestigd door Simon Vinkenoog, toen die bij gelegenheid van Van der Grafts tachtigste verjaardag ’Dichter onderweg’ schreef: „Behoud, o woord, uw kracht/als water om uw voeten wast -/ het werk is aan de werkelijkheid,/ het leven neemt zichzelf ter harte.”

Maar al heeft Van der Graft het experiment nooit geschuwd, een echte Vijftiger werd hij niet, al was het maar omdat hij anders dan Bert Schierbeek nooit zou kunnen dichten dat het dier een mens getekend heeft.

En dus werd Guillaume van der Graft uiteindelijk met zijn vrienden Ad den Besten, Klaas Heeroma, J.W. Schulte Nordholt en Jan Wit tot het landvolk gerekend, door de kritiek al snel genegeerd of weggezet als een clubje christelijke dichters dat vooral psalmen berijmde en soms ook nog een vrij versje schreef. Voor de goede orde, dat van die psalmen en hymnen klopt, maar wat dat versje betreft – daar hebben de critici, van Gerrit Komrij tot Jaap Goedegebuure en T. van Deel, Van der Graft juist tekortgedaan.

Al heeft hij in zijn 65-jarig dichterschap nooit een vast program ontvouwd en evenmin tot een heuse stroming behoord, wat je op z’n minst van Van der Grafts poëzie kunt zeggen is dat de lading ervan ’mythologisch’ is. Zijn taal hangt niet in de lucht noch wil louter vorm zijn, maar heeft altijd betekenis – met een oorsprong en een zin.

De mytholoog is een schepper die wil begrijpen dat de dingen niet allemaal op zichzelf staan. Dat er een verband bestaat tussen het persoonlijke en maatschappelijke heden met de geschiedenis, ja met een oertaal van lang geleden. De term ’mythologisch’ verraadt een richting waarin de grote tegenstellingen waarmee wij op deze aarde moeten leven (vrouw en man, beschaving en wildernis, goed en kwaad, oorlog en vrede, liefde en strijd, stad en platteland, geboorte en dood) worden opgeheven. Het is een manier van denken die aansluit bij de wereld van Hendrik Marsman en Martinus Nijhoff en bij dichters buiten ons taalgebied als W.H. Auden, T.S. Eliot, Czeslaw Milosz en Joseph Brodski. Wie hun moderne taal, op oude grond gezaaid, weet te verstaan en te waarderen zal anders naar Van der Graft kijken dan in het recente verleden is gebeurd.

Twee karakteristieke gedichten die passen in de genoemde sfeer en aansluiten bij die bredere traditie zijn ’ Hic et nunc’ en ’Ja en nee’. Het historisch-mythische van het eerste gedicht krijgt een heel persoonlijke vertaling in het tweede. En juist die verbinding maakt de poëzie van Van der Graft zo origineel en levend.

Hic et nunc

Het enige ooit gebeurde:

dat alles geschapen is

uit kwaad en gemis.

Als eenmaal de stenen

Zullen ontdooien,

Troje, Athene,

Wolken geschiedenis

Eenzelvig scheuren,

Hier zal het gebeuren.

Ja en nee

Op iedere boom schrijf ik ja

maar nee op de blaren

in iedere steen schrijf ik nee

maar ja over de stad

ik schrijf ja over jaren

nee schrijf ik overdag

neemiddaglicht het vale

ik schreef nee op haar haren

maar ja in de palm van haar hand.

De twee gedichten zijn als de twee helften van één appel. En wat nu behalve hun zeggingskracht zo aardig is: beide hebben de tijd doorstaan, maar niet zonder dat er iets veranderd is.

Zo luidde het begin van de tweede strofe van ’Hic et nunc’ oorspronkelijk: „Als ooit stenen/ zullen gaan ontdooien...” En zo schrapte de dichter in de loop der jaren vier regels uit ’Ja en nee’, dat aanvankelijk eindigde met de zin: „Ik schrijf nee op haar handen, maar ja op haar levensloop.”

En zo kom ik weer terug bij dat schikken, schuiven en schaven. Hoe werkt dat? Wanneer is het er en wanneer niet?

Van der Graft nu: „Als ik een gedicht maak, ga ik niet zitten denken: en nu moet ik zorgen dat er twee of drie betekenislagen in zitten. Natuurlijk niet, je schrijft gewoon. Waarom schrijf je en wanneer schrijf je? Wanneer er iets ineens door je gedachten heengaat. Bijna letterlijk inderdaad: door je gedachten heen. Want je zit te denken, je denkt in een bepaalde richting en dan komt er door die gedachte heen ineens iets anders. Een andere gedachte, vraagteken? Nee, uitroepteken! Geen andere gedachte, maar een regel, een paar woorden die elkaar meenemen; die met elkaar op de loop gaan en uiteindelijk samenkomen in een lijst, een gedicht.”

„Die regels, zou je kunnen zeggen, wonen met elkaar in een huis, een commune. Of in het gunstigste geval zitten ze met elkaar in het paradijs. Zo’n huis, zo’n tuin, daar hoop je op, daar streef je naar. Dat alles past. Als dat zo is mag je ze er ook niet meer uit halen. Maar als dat niet zo is, dan is het huis te klein en begint het zoeken en dwalen, soms zozeer dat je onderweg niet alleen jezelf maar ook je werk verliest.”

Zo’n huis waar alles past zou heel goed ’Het kind en ik’ van Martinus Nijhoff kunnen zijn: „Ik zou een dag uit vissen,/ ik voelde mij moedeloos. Ik maakte tussen de lissen/ met de hand een wak in het kroos.”

Het klinkt zo eenvoudig en het staat er zo voor de hand liggend. Maar haal je iets weg of voeg je iets toe, dan is de betovering verdwenen. Zo’n huis, dat wordt je soms gegeven, aldus Van der Graft, die zelf iets vergelijkbaars ervoer bij de geboorte van zijn beroemde gedicht ’Schrijvenderwijs’, dat er tijdens een vakantie in Lunteren in de jaren vijftig zomaar in dromerige toestand uitrolde.

Maar meestal blijft de grote ingeving uit of komt er maar één zin of regel, die op een vervolg wacht, waar de dichter nog geen raad mee weet.

Een regel die zich, vrij recent nog, zomaar aandiende was ’Er liep een gedicht voor mij uit,/ ik kon het niet inhalen’.

De zin stond, maar daarna bleef het stil en duurde het lang voordat er iets groeide waarmee de dichter tevreden was.

En daarna? Ging het een heel eigen weg. In dat geval ziet de mytholoog en schepper opeens weer het beeld van Pygmalion voor zich. Het beeld dat echt wordt en niet meer ’coachbaar’ is.

Soms is dat mooi, zoals in ’De weg van de wind’ dat in de jongste selectie als ’Ik denk aan je denk aan je’ terugkeert. Maar soms is het een hachelijk avontuur, zoals bij het rond 1950 geschreven ’Winkelen’, dat gaat over een roze paspop en begint met de woorden ’In de etalage’. Heel lang zwierf het al dan niet titelloos rond tot het in ’Lijfeigen’ eindelijk de juiste etalage vond.

Bepaalde strofen en zinnen maken talloze wandelingen en fuutbewegingen door tijd en bundels heen. En dan zijn ze eindelijk thuis.

Hoeveel een dichter vroeger of later ook ’gegeven wordt’, minstens zo vaak is hij een schepper zonder macht en daarmee altijd, zoals Van der Graft het eens formuleerde „een beginneling, levend in de vermindering der dagen”.

Die onmacht, die Van der Graft zo vaak heeft aangekleefd, voelde W.H.Auden over zijn ’September 1, 1939’, in ballingschap in New York geschreven, op de dag dat Hitler Polen binnenviel. Het gedicht werd al snel beroemd dankzij de sublieme laatste regel: „We must love one another or die.” Maar toen hij het later teruglas was Auden helemaal niet zo blij. Hoezo ’or die’?, zei hij smalend. Dat moet gewoon ’and die’ zijn, want dood gaan we toch. Maar ook dat vond hij uiteindelijk niks en dus weigerde hij het gedicht verder op te nemen in zijn verzameld werk.

Wie de zes verzamelbundels van Van der Graft op een rijtje zet, ziet vooral hoe zijn omvangrijke oeuvre – tussen 1942 en 2007 schreef hij meer dan 1900 gedichten – eerst als een bos verwilderd is en uitgedijd om langzamerhand weer tot een netjes aangeharkt park of plantsoen, tot de kern te worden teruggebracht.

In de jongste keuze (172 verzen) kun je eindelijk door de bomen het bos weer eens zien. Of, zoals William Butler Yeats (1865-1939) het in de mooie vertaling van Jan Eijkelboom uitdrukt:

Er mogen veel bladeren zijn, de wortel is één . in getal.

In de leugenachtige dagen van mijn jeugd

Hebben mijn bladeren en bloemen zich in zon . verheugd.

De tijd kan nu komen dat ik tot waarheid . verval.

’Praten tegen langzaam water’ is een literair testament, dat lijdt geen twijfel. Een testament van een dichter die, de stilte op het spoor, steeds meer met zijn oorspronkelijke gestalte samenvalt. Van der Graft wordt weer Barnard. Maar vooral ook wordt Barnard Van der Graft.

En er is nog iets. Een regel als „Praten zoals regenwater praat tegen langzamer water, transfiguratie van drift*”, heeft ook iets van een poging van iemand die nog eenmaal opstaat om de tijd te bezweren. Tegenover de schaduw van de tijd, het dodenrijk, stelt hij nog eenmaal de poëzie centraal, die taal die schept en levend maakt. („Hoe centripetaal is de taal! Ik geef mij aan een woord gewonnen.”)

En wat zo aardig is, opnieuw is daar, aan het slot van bijna alles, die blinde in de lichtprocessie. Maar de verterende tijd uit het citaat waarmee ik begon, is – net als die ene zin van Auden – helemaal verdwenen. Zie het visioen waarin uiteindelijk zelfs de dood ’in goede aarde’ valt.

Dan zingen de hanen

de lof der onthechten

De kraaiende dagen

woeien voorbij*

Wat ik maar zeggen wil: wie niet voor eeuwig opgezogen of omvergeblazen wil worden gelieve een beetje afstand te houden.

Peter Sierksma is historicus en journalist.

Guillaume v.d Graft: Praten tegen langzaam water. Veen/De Prom, A’dam. ISBN 9789068012149, euro 29,90.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden