Column

Het eeuwige gesprek

Bert Keizer Beeld Trouw

Monic Slingerland stelde vorige week lastige vragen over filosofie. Helpt het om gelukkig te worden? Hebben filosofen rampen voorkomen? Zoeken we beter naar vrede als een filosoof meezoekt? Was dat niet het stoïcijnse ideaal, gelukkig worden door helder te denken?

Ik ken nogal wat filosofen, dat wil zeggen, mensen die filosofie gestudeerd hebben en die daar met plezier en dankbaarheid aan terugdenken. Sommigen zijn helaas werkloos, sommigen doen iets in het bedrijfsleven, anderen zijn altijd bezig gebleven in die sfeer, dat wil zeggen, ze lezen en herlezen de grote filosofen, ze delen die kennis graag in werkgroepen, onderwijs, nascholingen, tv-programma’s, ze schrijven artikelen, columns, boeken et cetera. 

De vraag of ze gelukkig zijn, rustig, vredelievend, vredestichtend of maatschappelijk heilzaam zou ik niet weten te beantwoorden. Mijn indruk is dat ze niet erg veel gelukkiger zijn of rustiger dan loodgieters, pausen, persfotografen of actrices.

Een blik op de levens van werkelijk grote filosofen levert ook al weinig op. Socrates lijkt me wel gelukkig, althans in de gedaante waarin Plato hem presenteert. Van Plato zelf weten we niets. Aristoteles was een ietwat pedante dandy, maar of hij gelukkig was? Uit Descartes’ geschriften spreekt een onmiskenbare opgewektheid. Maar de indruk die ik van hem heb komt denk ik vooral voort uit het ironische portret van Frans Hals. 

Tekst loopt door onder afbeelding. 

Een standbeeld van Socrates. Beeld Thinkstock

Sceptische filosofie

Over ironie gesproken, Hume is dan wel de kampioen. Zijn sceptische filosofie is eigenlijk hopeloos maar het lijkt hem niet te deren in zijn levensvreugde. 

Hij schreef over zichzelf: ‘Ik was nogal mild van aard, ik had nooit last van buien, in gezelschap was ik open, opgewekt, heel wel in staat mij te binden, maar niet erg gevoelig voor afgunst, en erg beheerst in mijn gevoelens. Zelfs mijn liefde voor literaire roem, mijn grootste hartstocht, heeft me nooit zuur gestemd, ondanks vele teleurstellingen’. Maar zijn filosofie is allerminst vrolijk stemmend: ‘In het heelal is het leven van een mens niet belangrijker dan dat van een oester’.

Nee, de levens van filosofen bieden nergens aanknopingspunten voor het idee dat je aan filosofie iets beters overhoudt dan aan cricket als het gaat om persoonlijk geluk, rust, ofmaatschappelijk welzijn. De vragen die Slingerland stelt over filosofie (wat heb je er eigenlijk aan? waar leidt het toe?) zijn pas ergens na 1960 of 1980 of 2000 langzaam maar onhoudbaar naar voren gekomen. 

En deze vragen klinken steeds luider en schriller. We hebben het over de crisis in de humaniora. In onze universiteiten is er sprake van een gestage verdorring waardoor hele werelden van geestelijke rijkdom voorgoed gesloten blijven voor nieuwe generaties studenten. ‘Vroeger’ vond men dat Grieks, Latijn, filosofie, literatuur, geschiedenis, Frans, Duits, Engels er gewoon bij hoorden. 

Er was sprake van een geestelijke basisuitrusting die de drager in staat stelde mee te praten over Cicero’s proza, Shakespeare’s sonnetten, Newtons mechanica, Bismarcks sociale wetten, Multatuli’s ‘Minnebrieven’, de gevolgen van het Verdrag van Versailles, enzovoort, enzovoort. Terwijl je nu als zeventiger al vochtige ogen krijgt als iemand onder de dertig wel eens iets over ene Elsschot heeft gehoord.

Lullige vraag

Nee, het is allang niet meer alleen de filosofie die zich moet weren tegen de lullige vraag: wat heb je er eigenlijk aan? Wat ik niet weet is of het erg is dat bijvoorbeeld Arthur van Schendel of Aart van der Leeuw door niemand meer gelezen worden. Maatschappelijk is het in elk geval niet erg. 

Het zal niets betekenen voor de oplossing van het klimaatprobleem of de Brexit-moeilijkheden. Waarom hecht ik zelf zo aan ‘de humaniora’? Omdat je daar de mogelijkheid vindt om mee te luisteren bij een gesprek dat de mensheid al vele eeuwen voert over zichzelf. Het gaat om een bezigheid die onmiddellijk loont omdat er een bijzondere troost uitgaat van het feit dat mensen al eeuwen lang tegen elkaar praten over hun bestaan. 

Het leidt nergens toe, en toch ervaar je het als belangrijk, misschien wel het belangrijkste dat je ooit hoorde. Zij die na ons komen zullen het wellicht zonder Multatuli doen, misschien zelfs zonder Wittgenstein, maar ik kan me niet voorstellen dat dit gesprek ooit zal verstommen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden