Het eerste zelfportret

(\N) Beeld
(\N)

Met ’Confessiones’ schiep Augustinus in 396 het genre van de autobiografie, lang voordat Albrecht Dürer dat voor de schilderkunst met zijn zelfportretten deed. Toch gaat het magistrale werk van Augustinus niet over de auteur zelf, maar over God, schrijft de predikant Matthias Smalbrugge.

Matthias Smalbrugge

Gefascineerd door de stromen van ’goed en kwaad’ in zijn leven, zoals hij het zelf formuleert, begint kerkvader Augustinus in 396 aan het schrijven van een autobiografie. Een magistraal geschrift. Het heeft niet tot doel de schrijver centraal te stellen, maar God. Vanwege die overheersende rol van God zal hij het boek, hoewel zijn zelfportret, ’Confessiones’ noemen. ’Belijdenissen’. En niet, bijvoorbeeld, ’Over mijn leven’.

Tien jaar daarvoor had hij al een eerste briljante vingeroefening in het autobiografische genre geschreven: de ’Soliloquia’. Nu, een decennium later en inmiddels bisschop van Hippo, blikt hij in zijn ’Confessiones’ terug op de bewogen eerste helft van zijn leven en tracht hij – zo lijkt het – antwoord te geven op de vraag: ’Wie ben ik zelf?’. Althans, zo schrijft hij het letterlijk op.

Hij constateert dat hij zichzelf „een grote vraag is geworden”. Juist die onwetendheid stelt hem in staat de werkelijke aandacht niet meer op zichzelf te richten, maar op God. De auteur wil aantonen dat een ander de werkelijke schrijver is van het boek. Hij onderschrijft nog wel het klassieke adagium ’Ken uzelve’, maar hij wil niet langer suggereren dat het zelf direct toegankelijk is. Een mens kent zichzelf niet. Dat wil zeggen: het zelf kan niet op heterdaad worden betrapt.

Wie spreekt over zichzelf, schetst een portret. Wat we zien, is een beeld van de schilder, niet degene die schildert. Dat beeld verwijst.

De aard van die verwijzing is Augustinus’ diepste drijfveer om te schrijven. Hoe creëerde Augustinus het zelfportret als verwijzing van de mens naar God, en omgekeerd? Hoe kon hij God zien als de grootste ruimte geschonken aan de mens waarin het zelf wordt geboren?

Maar in dit stadium kunnen we al zeggen dat geloof bij Augustinus dient om naïef denken over de mogelijkheid van zelfkennis tegen te gaan. Geloof dient bij hem niet, om Freud te parafraseren, een illusie zonder toekomst, maar is een antidotum tegen illusies omtrent vanzelfsprekende zelfkennis.

Op velerlei vlak lijken wij weer in een pre-augustijns tijdperk te leven. De illusie van de mogelijkheid tot zelfkennis is levendiger dan ooit, wellicht juist in onze geseculariseerde cultuur. Omdat wij het zelf niet kunnen vatten, willen wij ons erop storten. De markt van het zelf lijkt onverzadigbaar, en nieuwe producten worden onophoudelijk aangeboden. Rudolf Otto’s klassieke definitie van het heilige – een ’fascinerend en huiveringwekkend mysterie’ – is in onze tijd overgegaan van het goddelijke op het menselijke.

Is dat een kwestie van modern narcisme? Mogelijk. Maar dan is het nuttig twee zaken te bedenken. Ten eerste dat er een diepe band bestaat tussen narcisme en religie. De wens volmaakt te zijn en te gehoorzamen aan het gebod uit de Bergrede (’Wees dan volmaakt zoals uw hemelse Vader’) heeft de christelijke spiritualiteit in hoge mate bepaald. En niet alleen het leven in de kloosters, maar ook stromingen als de Nadere Reformatie.

Ten tweede is het goed te bedenken dat Augustinus de eerste is geweest die de strijd aanbond met het idealiseren van de eigen mogelijkheden. Het zelf is voor hem niet de ultieme werkelijkheid, niet het fond van alle kennis. Het is verwijzing. Dit is overigens geheel in lijn met de klassieke versie van de mythe over Narcissus, zoals bij Ovidius in zijn ’Metamorfosen’. Ook die staat ver af van het moderne narcisme, dat het zelf en zijn kennis bewierookt. Bij Ovidius stelt Teiresias immers dat Narcissus slechts zal leven zolang hij zichzelf niet kent.

Augustinus schiep met zijn ’Confessiones’ het genre van de autobiografie in de westerse cultuurgeschiedenis. Daarmee loopt het literair zelfportret vele eeuwen vooruit op het geschilderde. Dat laatste ziet eigenlijk pas in de Renaissance het licht, met als voornaamste inventor ongetwijfeld Albrecht Dürer, wiens schitterende zelfportretten uit de jaren tussen 1484 en 1522 even uniek zijn als de ’Confessiones’. Ook hij veroorzaakte een breuk met eerdere ontwikkelingen.

Zowel Augustinus als Dürer geven aanleiding het zelfportret te definiëren als een reflectie op het zelf, gebaseerd op verbeelding en verwijzing. Niet op afbeelding. Dit omdat de maker begrijpt dat het zelf alleen indirect valt weer te geven. Dat het vóór alles verwijzing is. De verbeelding als constitutief element blijft bepalend voor de geschiedenis van de autobiografie. Steeds, zowel binnen een religieuze als niet-religieuze context, is de vraag of de levenswerkelijkheid wordt verbeeld, dan wel wordt afgebeeld.

De keuze tussen de twee bepaalt uiteindelijk de verhouding tussen religie en cultuur. Een geloofsrichting die verbeelding afzweert, die de Beeldenstorm als ontstaansmythe gebruikt, zal dan ook een lange weg te gaan hebben naar de cultuur. Het omgekeerde geldt niet minder: een cultuur die verbeelding van het goddelijke niet meer tolereert, heeft eveneens een lange weg te gaan.

De geschiedenis van het onbegrip tussen religie en cultuur is oud. De band tussen God en het zelf is allang vergeten. Kunnen we ons dat vergeten opnieuw herinneren? Anders gezegd: kunnen we het spoor der verwijzingen terugvinden?

In zijn eerste autobiografische geschrift uit 386, de ’Soliloquia’ (’Alleenspraken’), houdt Augustinus een samenspraak met zijn eigen Verstand. Doel van deze samenspraak: God en de ziel te leren kennen. Wil hij deze twee leren kennen, dan zal hij zich rekenschap moeten geven van wat de waarheid is. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Kan iets bijvoorbeeld op de waarheid lijken? Dat brengt Augustinus op de vraag wat het waarheidsgehalte is van een gelijkenis.

Het antwoord is tweeledig. Enerzijds kun je stellen dat een portret lijkt op degene die het afbeeldt. De gelijkenis bevat in die zin waarheid. De schrijver concludeert dan ook dat de gelijkenis de moeder is van de waarheid. Toch is het portret niet de afgebeelde zelf. In die zin geldt dus ook precies het tegenovergestelde: de gelijkenis is de moeder van de onwaarheid. Zo zit de werkelijkheid in elkaar: enerzijds afbeelding van de waarheid, anderzijds draagster van onwaarheid.

'Die dubbelheid zal Augustinus doen beseffen dat kennis van de werkelijkheid altijd subjectief van aard is. Zelfs zodanig dat zij geen afbeelding van de werkelijkheid kan zijn, maar verbeelding moet zijn.

Een schilderij van een paard kan alleen maar waar zijn als het daarop afgebeelde paard niet waar is. Het beeld in de spiegel kan alleen maar waar zijn als het niet de afgebeelde zelf is. En wie Hector waarachtig wil spelen, kan dat alleen als hij niet werkelijk Hector wil zijn. Dat leidt bij Augustinus tot de prachtige conclusie dat mensen wel spiegels maken, maar niet de beelden die de spiegel voortbrengt. Wij denken dat de spiegel een mens volstrekt juist weerspiegelt en afbeeldt, maar dat is niet zo. Je kunt nooit een directe blik op het zelf werpen. Wat wij zien in een spiegel is een verwijzing naar onszelf.

Dat is Augustinus’ ontdekking. De omgang met God is de uiteindelijke aanzet om de verbeelding een centrale rol te geven. Alleen wie beseft dat het verlangen God te kennen leidt tot de noodzaak Hem te verbeelden, die kan Hem naar waarheid kennen. Het zelfportret, kortom, ontstaat bij Augustinus dankzij het godsbegrip.

De eerste echte reflectie op het zelf uit de westerse cultuurgeschiedenis stamt dus uit het religieus bewustzijn. Door ons op God te richten, begrijpen wij dat we onze eigen werkelijkheid alleen maar kunnen verbeelden en dan pas kunnen leren kennen. En omgekeerd geldt hetzelfde voor God. Wij verbeelden God en Hij verbeeldt zichzelf in ons. Zelfkennis en godskennis zijn beeldvorming bij Augustinus.

Aldus verstaan, geven verbeelding en subjectiviteit aan cultuur en geloof een kans wederzijds op elkaar betrokken te blijven. Kunst gaat om verbeelding, niet om afbeelding. Theologie gaat om God als mogelijkheid om het zelf te verbeelden, en vice versa.

Hoe ging het verder? Langs welke lijnen dacht Augustinus op latere momenten? Helaas, dit prachtige stramien wordt tot de grond toe afgebroken in de ’Confessiones’. De wending naar het subjectivisme zal ditmaal geen ruimte opleveren, maar de vernietiging van het ego. De ’Confessiones’ kun je dan ook lezen als een deconstructie van het zelf.

Het befaamde verhaal van de perendiefstal is in dit opzicht illustratief. In boek II van de ’Confessiones’ vertelt Augustinus hoe hij in zijn jeugd peren stal met zijn vrienden. Zijn schuldgevoel over die gebeurtenis doet hem beseffen dat hij in die diefstal Gods almacht op perverse wijze imiteerde. Dat hij als mens nog steeds een gelijkenis is van God, maar dan in de zin van kwaadaardige imitatie. De gelijkenis is nu niet meer het vehikel van de verbeelding, maar draagster van het bedrog. Vanaf dat moment kan zij geen waarachtige verwijzing meer zijn. Geen moeder van de waarheid meer, slechts moeder van het bedrog.

Die wending is essentieel: de mens als de kwaadaardige karikatuur van God. Zo is hij ook geschapen: niet in eerste instantie naar Gods beeld en gelijkenis, maar uit ongelijkenis met het niets, zegt Augustinus. Harder zal de kerkvader het niet stellen: de mens niet meer als gelijkenis, maar als ongelijkenis. De origine van de mens ligt niet in God, maar in het niets. De gelijkenis is daarmee van een geheel andere inhoud voorzien. God was de uiteindelijke verwijzing naar het zelf. Juist door ons tot Hem te richten en naar Hem te verwijzen, kon het zelfportret ontstaan. Deze trouvaille was geniaal. Maar die positieve waardering van de verbeelding wordt in de ’Confessiones’ tenietgedaan.

Augustinus volgt daarin trouwens een spoor dat al bij Ovidius opdook. Daar voorspelde Teiresias dat Narcissus zou leven zolang hij zichzelf niet zou kennen. Het zelfportret wordt bij Augustinus geboren, maar tevens weer vernietigd – net als vele eeuwen later in Oscar Wilde’s ’The Picture of Dorian Gray’.

Anders gezegd: in Augustinus’ theologie wordt de moderne tijd geboren, met zijn nadruk op de mens. Tegelijkertijd wordt bij hem het postmodernisme al zichtbaar, met zijn eeuwige deconstructie. Sindsdien zal, theologisch gesproken, alle aandacht voor het zelf als verdacht gelden. De kerkelijke theologie beschouwt de vele uitingen van moderne spiritualiteit als een egocentrische bezigheid, zonder al te veel diepgang. De kerkelijke theologie staat huiverig tegenover de confessio als aanzet tot verbeelding van God. Zij ziet haar liever als verootmoediging, schuldbelijdenis en geloofsbelijdenis. Er schuilt in veel theologie een diepe zelfhaat.

Toch bleef het zelfportret overeind in onze cultuur, ondanks de destructieve kracht die ook in het werk van Augustinus schuilgaat. Neem Petrarca. In 1366 beklimt deze Florentijnse balling de Mont Ventoux. Jaren later schrijft hij daarvan een verslag aan zijn biechtvader, de augustijner monnik Dionysius. Zo’n verslag is nooit zomaar een brief, maar tegelijkertijd een biecht, een confessio. Staand op die bergtop, pakt Petrarca de ’Confessiones’ uit zijn rugzak en leest daar:

„En dan gaan mensen erop uit om de hoge bergen te bewonderen, de machtige golven van de zee, de brede stromen van rivieren, de wijde oceaan en de banen van de sterren. Zij gaan bij zichzelf weg.”

De dichter vat het op als een aansporing zich te richten op het innerlijk leven. Een ommekeer die hij als bekering schetst, hoewel die bekering vooral een literair motief is. God dient bij Petrarca als vergrootglas om zijn innerlijk in het oog te kunnen krijgen. God is niet degene die het innerlijk vernietigt, maar degene die het naderbij brengt.

Kan Petrarca ontsnappen aan de vernietigende confrontatie met God, die Augustinus voelde als de kracht van zonde, onvermogen en schuld? Ja, dat kan hij. Door op een essentieel moment een andere weg in te slaan. Net als Augustinus is Petrarca gefascineerd door de breuk die ligt in de menselijke wil. Hij beschrijft die evenwel niet aan de hand van Paulus, maar van Ovidius. Sprekend over zijn gehechtheid aan aardse zaken, citeert hij triomfantelijk Ovidius’ boek over de liefde: „Haten zal ik het, als ik dat kan. Als ik dat niet kan, zal ik het liefhebben, à contre coeur.” Beide momenten van de wil, liefde en haat, zijn waar. Er is geen onwaarheid, hooguit tragiek.

Leidde de confrontatie met God bij Augustinus nog tot het vinden van onwaarheid in het eigen bestaan, bij Petrarca wordt zij tot een weg naar de innerlijke waarheid, waarbij God hem dient als vergrootglas. Ofwel: God is de herinnering aan het vergetene en het zelfportret is de onthulling van dat vergetene. Bij Augustinus is het zelfportret het besef van de afstand tot onszelf. Bij Petrarca zal uiteindelijk de kunst het moment van goddelijke ervaring worden, en zal de esthetiek zich inderdaad losmaken van de theologie. Hij is de voorloper van Rabelais en Montaigne, bij wie God alleen nog instrumenteel aanwezig is.

Waar de Europese cultuur behoefte aan heeft, is niet een pure herleving van het christendom, maar een opnieuw vormgeven van het spel der verwijzingen. Ooit werd verteld hoe Aphrodite uit het zeeschuim werd geboren. Wellicht wordt nieuwe theologie weer geboren uit het schuim van nieuwe en oude herinneringen. Herinneringen van geloof en cultuur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden