Het drama van de redenering

Zelfs van het buitenlands beleid van een kleine natie mag je enige consistentie verwachten, die gebaseerd is op een standpunt, dan wel op een geheel van min of meer met elkaar samenhangende standpunten. Die standpunten kunnen pragmatisch, realistisch of idealistisch ('Nederland gidsland') zijn. Maar het gaat om standpunten, liefst herkenbare, waar zowel het thuisfront als de buitenwereld enigszins staat op kan maken.

WILLEM BREEDVELD

Ik kan me daarom de verbijstering van onze kenner van de Nederlandse buitenlandse politiek bij uitstek, NRC Handelsblad-columnist J.L. Heldring, wel voorstellen toen hij dezer dagen het interview las van Hans van Mierlo in de Volkskrant. Vaak genoeg heeft Heldring de minister van buitenlandse zaken gekapitteld, meestal omdat hij aan diens beleid geen touw kon vastknopen. Nou, dat kan kloppen, maar vraag niet hoe: de knopen van Hans van Mierlo's buitenlands beleid laten zich op geen enkele manier ontwarren, domweg omdat er geen standpunt is; zelfs geen begin ervan.

Zoals Van Mierlo in het gewraakte interview zegt: “Op een internationale top gaat het erom je gesprekspartner mee te krijgen in de redenering. Alleen zo kun je invloed uitoefenen. Want wat heb je dan aan een standpunt? Daar kun je niets mee, het is gestold denken, dat je niet in de krant kunt zetten. Een standpunt is op zich niet interessant. Ik categoriseer, maar er zijn politici die vooral het standpunt belijden en niet het drama van de redenering. Frits Bolkestein is zo'n politicus”.

De eminence grise van de journalistiek gruwt van dit Mierloïaanse beleidsinzicht. Zijn gesprekspartners willen toch het Nederlandse standpunt weten? Wat hebben ze dan aan een minister die zich uitleeft in het 'drama van de redenering', voor wie het standpunt secundair is? Zo'n minister van buitenlandse zaken is 'levensgevaarlijk', aldus een getergde Heldring en ik kan met hem meevoelen. Denk alleen al eens aan al die voorgangers van Hans van Mierlo, aan Max van der Stoel, Hans van den Broek, Peter Kooijmans, die onder vaak moeilijke omstandigheden wel degelijk een herkenbaar buitenlands beleid voerden? Allemaal 'gestolde denkers' waarmee je als land onmogelijk resultaten kunt boeken?

Meer moeite heb ik met Heldrings conclusie dat Van Mierlo's neiging om in zulke raadselen te spreken vermoedelijk te herleiden is tot zijn 'jezuïtische opleiding'. Zo raadselachtig is het niet wat Van Mierlo zei. Je zou het een typisch staaltje van D66-denken kunnen noemen. Voor deze partij komt een standpunt immers al gauw gevaarlijk dicht in de buurt van een beginsel en zoals we weten is D66 uit principe tegen principes. Daarentegen kent de partij idealen. Probleem is alleen, wanneer mag je die idealen tot standpunten verheffen? Antwoord: alleen wanneer die standpunten resultaat zijn van een zorgvuldig democratisch proces.

Zo bekeken heeft het D66-denken de afgelopen jaren royaal wortel geschoten. Standpunten, beginselen en idealen zijn ingeruild voor pragmatisme. Waar is, wat op een bepaald moment het meeste draagvlak heeft en hoe dat eruit ziet stel je weer vast aan de hand van een ingewikkeld politiek proces. De historicus Hans Righart typeerde daarom zondag (Radio 1) de hedendaagse politiek 'als de meest pragmatische die je je kunt voorstellen'. En om zijn gram daarover uit te spreken noemde hij het kabinet-Kok zelfs 'het meest a-morele kabinet uit de parlementaire geschiedenis'.

Dat is kras uitgedrukt. Maar wie het citaat van Hans van Mierlo eens naleest, begint te begrijpen waarom redelijke mensen als Heldring en Righart langzamerhand geneigd zijn naar superlatieven te grijpen als 'levensgevaarlijk' en 'a-moreel'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden