Het credo van Geert Wilders: ’Alles is geoorloofd’

Niet minder dan een miljoen Nederlanders hebben een dubbele nationaliteit. In het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw ging het nog slechts om enkele honderdduizenden. De voortdurende stijging is dan ook het gevolg van bewust overheidsbeleid. Om de vele buitenlanders beter te integreren, werd een grootscheeps naturalisatie-offensief ingezet, zonder overigens de verplichting de oorspronkelijke nationaliteit op te geven.

Deze benadering is in Europa redelijk gangbaar. In Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië, Portugal, Ierland, Zweden, Finland en tot op zekere hoogte ook in Duitsland zijn twee paspoorten zonder meer acceptabel. Alleen in Denemarken en Oostenrijk wordt van de immigrant – in beginsel – geëist dat hij bij naturalisatie afstand doet van zijn oude nationaliteit.

Het lag voor de hand dat de xenofobe minister Verdonk met de Nederlandse situatie ongelukkig was en tegen twee paspoorten bezwaar had. Helaas kon ze geen ijzer met handen breken: in zeventien landen staat in de wet dat het verlies van nationaliteit niet mogelijk is. Hiertoe behoort onder meer Marokko. Voor Wilders – xenofoob-plus – is dat geen argument. Hij sprak het in meerdere interviews uit: als staatssecretaris Aboutaleb zijn Marokkaanse nationaliteit niet kan opgeven, dan is dat ’niet mijn probleem’: laat hij maar staatssecretaris in Marokko worden.

Wonderlijk genoeg heeft de discussie in de afgelopen dagen vrijwel uitsluitend gedraaid om de kwestie van het dubbele paspoort. Wonderlijk, omdat Wilders dit probleem uitsluitend heeft aangeboord om een heel andere reden: zijn afkeer van moslims.

In de Volkskrant betoogde hij ook te hebben geprotesteerd als minister Plasterk een Zweed was geweest, maar hij voegde er onmiddellijk aan toe het inderdaad ’niet prettig’ te vinden dat er ’straks twee moslims in het kabinet zitten. Dat heb ik liever niet’. In het NRC Handelsblad was hij al even uitgesproken: ’Ik ben niet blij met islamieten in het kabinet. Ik wil niet in een land wonen waar misschien ooit wel eens zes of zeven bewindslieden de islam aanhangen’.

Gecombineerd met zijn cynische opmerking over de onmogelijkheid voor Aboutaleb om van zijn Marokkaanse nationaliteit afstand te doen, betekent het standpunt van Wilders dat hij Nederlanders met een Marokkaanse achtergrond definitief onmogelijk wil maken een hoge politieke functie te bekleden. Hóe hoog, zal in de toekomst blijken. Het zal hem evenmin bevallen dat deze mensen burgemeester of wethouder worden. Hij zal zich ongetwijfeld gaan afvragen of het toelaatbaar is dat men als Nederlanders zijn kinderen moet toevertrouwen aan islamitische docenten: ’niet prettig’ natuurlijk. Immers – andere uitspraak: ’Er is nu te veel islam in Nederland’. En: ’Er bestaat geen gematigde islam’. En: ’moslims moeten een deel van de islam naast zich neerleggen’.

Wilders’ bezwaren tegen islamitische staatssecretarissen herinneren aan oude antisemitische agitatie. Voor de Tweede Wereldoorlog werd in de pers geprotesteerd tegen het feit dat meerdere Amsterdamse wethouders Joods waren. Dat werd niet ’prettig’ gevonden. Was het, gezien de getalsverhoudingen in den lande, niet een disproportionele presentie in het bestuur van nota bene de hoofdstad?

Hadden we destijds een Maurice de Hond gehad, dan zou ongetwijfeld meteen zijn vastgesteld dat heel wat Nederlanders hetzelfde gevoel hadden. Maar de massa had in die jaren nog niet de luide stem die ze nu dagelijks pleegt te krijgen.

Hiermee komt tevens een tweede aspect van Wilders’ tactiek aan het licht: het consequent bespelen van ’de burgers’ als oppositie tegenover ’de politiek’. Het komt in al zijn interviews naar voren: hij is de enige die ’de burgers’ aan het woord laat en ’de politici’ van nalatigheid beschuldigt. Daarin past zijn dreigement de kiezers te adviseren op 7 maart een blanco stem uit te brengen indien hij voor zijn Kamermotie geen steun zou krijgen. Democratie als machtsspelletje: geen kandidaten stellen maar wel in verkiezingen proberen te interveniëren.

De stelling lijkt me onweerlegbaar: met de partij van Wilders hebben we na geruime tijd weer een extreem-rechtse formatie in de Kamer. Er is geleidelijk naar toe gewerkt, te beginnen met Pim Fortuyn die het bestond een grote bevolkingsgroep als ’achterlijk’ te kwalificeren. Het estafettestokje werd overgenomen door Hirsi Ali en consorten die het beledigen van medeburgers tot een plicht en een recht verhieven. Rita Verdonk en haar VVD-aanhang vormden daarna het voorlopige dieptepunt, thans royaal voorbijgestreefd door Geert Wilders.

Dit is het credo waarmee hij vorige week zaterdag zijn interview in NRC Handelsblad afsloot: ’We hebben negen zetels. Dat telt. Maar helaas wordt hier alles in het werk gezet om ons tegen te werken. Maar ik reageer op de manier zoals ik dat tot nu toe heb gedaan: nog meer lawaai maken. Alles is geoorloofd’.

Zeg straks niet dat u verrast bent als er in ons politieke bestel iets helemaal mis gaat. U bent gewaarschuwd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden