HET CONSERVATIEVE OFFENSIEF

De omwenteling van 1989 leek een overwinning voor het liberalisme, maar die triomf is langzamerhand verbleekt. 'Het individu wordt gerespecteerd, de persoon crepeert', stelde de cultuursocioloog Zijderveld en met instemming citeerde hij zijn Amerikaanse geestverwant Richard Rorty: 'We have become so open-minded, that our brains have fallen out.' De VVD zoekt nu haar heil bij het conservatisme, of beter gezegd: een combinatie van economische progessiviteit en cultureel conservatisme. “Op een VVD-vergadering kan je ze er zo uitpikken. Kijk, daar loopt een liberaal. Maar kijk, naast hem zit een conservatief.”

De Jonge doet deze ontboezeming over zijn ommekeer in het blad Rails. Hij is somber over de toekomst. Het bestaan van video's als The faces of death, waarin mensen live en bloederig aan hun einde komen, is voor hem een afschrikwekkend voorbeeld van de vervagende grens tussen goed en kwaad, een ontwikkeling die hij toeschrijft aan de erosie van normen en waarden in de moderne samenleving.

De Jonge legt de verantwoordelijkheid voor de morele achteloosheid bij zijn eigen generatie, gebrand als zij was op het doorbreken van taboes. “In de jaren zestig zette ik me af tegen het burgerlijk gezag en de conventies, nu hecht ik juist zeer aan waarden en normen. Mijn generatie heeft met het badwater ook het kind weggegooid _ dat is het verraderlijke.” Het onbehagen van De Jonge is de zoveelste aanwijzing op rij dat de reactie op de ongebreidelde tolerantie van de permissive society een conservatief temperament heeft losgemaakt. Tot voor kort had de uitspraak (1918) van de vooroorlogse katholieke politicus Nolens dat de Nederlander liever als dief dan als conservatief te boek staat nog niets aan geldigheid ingeboet. Die schroom zich te afficheren als conservatief is nu verdwenen, ook in de politiek. Politici van uiteenlopende huize hebben zich de afgelopen maanden openlijk als conservatief bestempeld, variërend van PvdA'er Wöltgens ('Ik ben een echte conservatieve cultuurcriticus') tot VVD-leider Bolkestein ('Deze tijd vraagt om een combinatie van economische progressiviteit en cultureel conservatisme').

Ook in de politieke partijen bestaat opvallend veel aandacht voor behoudzucht. Het wetenschappelijk bureau van de PvdA, de Wiardi Beckman-stichting, wijdde een nummer van zijn blad Socialisme en democratie in zijn geheel aan het communitarisme, de politieke filosofie die zich kenmerkt door het streven naar gemeenschapszin. In het CDA kent dit communitarisme zijn meest hartstochtelijke aanhanger. In de periode dat het CDA nog de electorale vruchten genoot van Lubbers' no-non-sensepolitiek, leek Ernst Hirsch Ballin, óók in zijn eigen partij, een eenzame kruisridder met zijn denkbeelden over een eerherstel van normen en waarden. Thans hebben de christen-democraten zich volledig bekeerd tot het communitarisme.

Tekenend was Lubbers' bekentenis dat, hoe succesvol zijn beleid mag zijn geweest, de pragmatische politiek van zijn kabinetten een overmaat aan verzakelijking en een verval van fundamentele waarden in de hand heeft gewerkt. De partijbijeenkomsten van het CDA zijn tegenwoordig getoonzet door cultuurpessimisme. “We horen een massale schreeuw om zekerheid en veiligheid”, zei de christen-democratische ideoloog Van Gennip, de directeur van het Wetenschappelijk Instituut, over de stemming in de burgerij. Het heet dat de samenleving onder invloed van schaalvergroting, individualisering en ontkerkelijking ontbindt in eenlingen die met overconsumptie hun eenzaamheid verdringen en slechts tot engagement bereid zijn als het hun eigen behoeften of lustgevoelens bedient. De cultuursocioloog Zijderveld vat die communitaristische kritiek samen met de woorden: “Het individu wordt gerespecteerd, de persoon crepeert.” Met instemming citeert hij zijn Amerikaanse geestverwant Richard Rorty: 'We zijn zo ruim van geest geworden, dat we ons verstand hebben verloren'.

Het alternatief van het CDA is de 'politiek van de menselijke maat'. De christen-democraten streven naar overzienbare, herkenbare gemeenschappen, waarin mensen zich geborgen en bij elkaar betrokken voelen. Een eerherstel van de deugdzaamheid, gegrondvest op onbetwistbare fatsoensnormen, kan de mensen weer houvast en richting bieden.

Wie de ideeënbronnen én de kiezers van het CDA kent, zal zich niet verbazen over de richting van de politieke discussie bij de christen-democraten, noch over Van Gennips pleidooi meer betrokkenheid te tonen met de belevingswereld van de oppassende burger die hecht aan arbeidzaamheid, sparen en zekerheid voor de oude dag. Opmerkelijker is dat het herlevende conservatisme bij het CDA zulke diepe sporen trekt bij de liberalen. Maande Bolkestein Hirsch Ballin ooit boeven te vangen in plaats van te moraliseren, nu krijgt het zedelijkheidsoffensief van de toenmalige minister van justitie bijval in de VVD. In de studie Tussen vrijblijvendheid en paternalisme (juni 1995), een onderzoek naar de raakvlakken tussen communitarisme en liberalisme, geeft de Telders-stichting, het wetenschappelijk bureau van de liberalen, Hirsch Ballin alsnog gelijk dat wetten verankerd moeten zijn in een rechtsbewustzijn dat is gestoeld op normen en waarden: “Het belang van het levensbeschouwelijke debat dat Hirsch Ballin aanzwengelt, bestaat in het versterken van de innerlijke remming tegen asociaal gedrag.” De liberalen stellen zich in hun studie open voor het moralisme van het CDA: “Wij willen op de een of andere manier het conservatieve deugdenethos incorporeren in de liberale vrijheidsleer.”

De Telders-stichting ruilt het idee van de zedelijk neutrale overheid in voor de opvatting dat politici burgers mogen onderhouden over hun deugdzaamheid. De keuze voor een moraliserende overheid is baanbrekend voor liberalen, wier gedachtengoed wordt gedomineerd door respect voor de vrijheid van het individu. Een kenmerkend verschil met het conservatisme is vanouds dat het liberalisme slechts uitspraken doet over de betrekkingen tussen burgers, niet over hun privégedrag. Het beperkt zich tot regels om de mensen van elkaars nek te houden, tot Zookeeping in de woorden van de communitarist Barber.

Met de bekering tot de moraliserende overheid geven de liberalen te kennen dat de VVD zich te ver heeft laten meeslepen in de vrijheidsdrang van de jaren zestig en zeventig. Die trend naar individualisme vond bij de VVD haar hoogtepunt in Nijpels' verkiezingsleuze 'Gewoon jezelf zijn', een slogan waarvan Bolkestein tegenwoordig met nadruk afstand neemt. Voor de CDA'er Oostlander, destijds directeur van het Wetenschappelijk Instituut, was dat individualisme in het liberale gedachtengoed ooit reden de VVD tot 'erfvijand' uit te roepen.

Gerry van der List, één van de auteurs van de bovengenoemde studie van de Telders-stichting, tekent voor het voorlopige hoogtepunt in de toenadering die de liberale denkers tot het CDA zoeken. In zijn column in de Volkskrant opperde hij onlangs de mogelijkheid van een Conservatief Akkoord met de christen-democraten. Hoe logisch die suggestie ook voortvloeit uit de ge-dachtengang van de Telders-stichting, het blijft verrassend haar uit de mond van een liberaal te vernemen in een periode dat de VVD met de PvdA regeert.

Het herstel van het burgersmansfatsoen kan volgens Van der List de basis van zo'n conservatief-liberaal programma zijn, naast zaken als sanering van de overheidsfinanciën, vergroting van het particuliere initiatief, bevordering van law and order en een beschaafd nationalisme. “Samen kunnen VVD en CDA de strijd aangaan tegen de erfenis van de jaren zestig, een strijd die electoraal geen windeieren zal leggen in een tijd waarin het vrijheid-blijheiddenken steeds meer irritatie oproept, traditionele instituties als het gezin bloeien en de jeugd allesbehalve revolutionaire opinies heeft.”

Het conservatisme appelleert klaarblijkelijk aan gevoelens van onbehagen onder burgers die de razendsnelle ontwikkeling in economie, politiek en cultuur als een bedreigende maalstroom ervaren. Ze voelen zich bedreigd in hun waarden en vooruitzichten. Het is niet vergezocht een verband te vermoeden met de grote omwenteling waarmee de ineenstorting van de communistische regimes in 1989 gepaard is gegaan. Vooral de enorme migratiestromen die sindsdien op gang zijn gekomen, ge-voegd bij de burgeroorlog in Joegosla-vië, een land waar we tot voor kort als toerist rondreisden, zullen het onbehagen en de onzekerheid hebben gevoed.

Deze omstandigheden hebben Bolke-stein tot zijn keuze voor cultureel conservatisme gebracht. Waar de starre economie in zijn visie een liberale aanpak vergt, is op het culturele vlak juist conservatisme geboden: “Op dat terrein vormen instabiliteit en verbrokkeling een groter gevaar, mede door de komst van veel mensen met andere normen en waarden.” Bolkestein betoogde dat in december, op de jubileumconferentie van de Telders-stichting over liberalisme en communitarisme. “Deze combinatie van economische progressiviteit en een zeker cultureel conservatisme vloeit niet voort uit opportunisme, maar uit een analyse van de maatschappelijke situatie in het Nederland van nu.”

De ironie is dat de VVD thans inspiratie opdoet bij het conservatisme, waar zij de omwenteling van 1989 weergeeft als de definitieve overwinning van het liberalisme, een stemming van triomf die haar uitdrukking vond in verkiezingsleuzes als De enige liberale partij van Nederland en Er gaan steeds meer stemmen op voor het liberalisme.

Deze tegenstrijdigheid is niet het enige dat wringt in Bolkesteins pragmatische keuze voor cultureel conservatisme en economisch liberalisme. Zijn scheiding tussen de sferen van cultuur en economie heeft iets kunstmatigs, in die zin dat Bolkestein de verweving tussen beide lijkt te miskennen. Dat onze staatshuishouding zich heeft ontwikkeld tot een overlegeconomie hangt samen met onze consensuscultuur. We plooien en strijken, wheelen en dealen tot we het eens zijn. Als Bolkestein de starheid in onze economie wraakt, keert hij zich tegen de consensuscultuur, waaraan we te danken hebben dat onze samenleving tot dusver in redelijke mate gevrijwaard is van 'Amerikaanse toestanden'. Zo'n maatschappij waarin aan gemeenschappelijkheid weinig rest en twee op de drie zwarte kinderen zonder vader opgroeien, is, zegt hij, ook voor Bolkestein een angstwekkend perspectief. Dat duidt erop dat hij de consequenties van zijn keuze voor economisch liberalisme en cultureel conservatisme nog niet geheel overziet.

De conservatieve columnist George F. Will (VS) was in 1980, het triomfjaar van Reagan, al verder gevorderd in zijn denken. Zijn kritiek op het Republikeinse verkiezingsprogramma laat zich lezen als een commentaar vóóraf op Bolkesteins keuze. Hij betoogde dat het kapitalisme, gebaseerd op het idee dat elke behoefte onmiddellijk dient te worden bevredigd, een 'niets ontziende vernieler' is van waarden en tradities. Zo ontstaat een filmindustrie die voldoet aan de vraag van kijkers om een video met echte moorden. Will: “Kapitalisme is een motor van veranderingen die nooit aflaat, een revolutionaire opjutter van verlangens: het wakkert verwachtingen aan en vermindert het geduld.”

Volgens de journalist J. L. Heldring, een groot kenner van het conservatisme, lijdt het geen twijfel dat Bolkestein een conservatief is. “Natuurlijk is hij een conservatief. Ik moet zeggen dat hij heel wel zou passen in de Engelse conservatieve partij, veel beter dan in de liberale.” Ook Bolkesteins stelling dat onze levenswijze bescherming behoeft vanwege de komst van veel mensen met andere normen en waarden wijst op een conservatieve zienswijze, hoe verscholen dat conservatisme ook blijft onder de verschijning van de Amster-damse koopman die de hele wereld heeft gezien. In verscheidene toespraken heeft hij zijn zorgen getoond over de dreiging die de immigratie kan vormen voor de westere zeden en gewoonten. Bolkestein is ervan overtuigd dat de Europese beschaving met haar wortels in het christendom en humanisme hoogwaardiger is dan de islamitische.

Dàt is wat Bolkestein in het immigratiedebat bespreekbaar wil maken. Hij bestrijdt de opvatting dat culturen gelijkwaardig zijn, een denkbeeld dat volgens hem behoort tot de linkse erfenis van de jaren zestig en dat onvermijdelijk tot verval van de westerse waarden moet leiden. Hij laakte dit 'cultuurrelativisme' nog afgelopen zaterdag, in zijn toespraak bij de opening van het Theaterfestival in Amsterdam: “Onze cultuur wordt gekenmerkt door verdraagzaamheid. Als er geen verschil is in waarde tussen de verschillende culturen op deze aarde, zoals het cultuurrelativisme wil, hoe zit het dan met de culturen die worden gekenmerkt door een grote mate van onverdraagzaamheid? Omarmen we die ook? Nee, cultuurrelativisme zowel als postmodernisme verdampt in de hitte des daags en de koude der nacht.”

De VVD zou met een wending naar het conservatisme voor politieke ideeën kiezen die in een aantal opzichten wezensvreemd zijn aan het liberalisme. Met de opvatting dat de overheid de burgers mag onderhouden over deugden, bestrijdt de Telders-stichting impliciet de liberale zienswijze dat de mens autonoom is en uit zichzelf het verschil tussen goed en kwaad weet. Bolkestein gaf in een vraaggesprek met Trouw (april 1994) een onthullend antwoord op vragen over deze spanning met het liberalisme. Volgens hem is slechts een kleine minderheid van intellectuelen het voorrecht gegeven uit zichzelf het juiste onderscheid te maken. Dat besef van een elite tekent hem als conservatief, tot wiens kenmerken de aanvaarding van de ongelijkheid van mensen behoort. Volgens J. L. Heldring kan een conservatief daarom het gelijkheidsgebod van de Franse Revolutie niet ondertekenen, waarmee hij zich distantieert van een van de bronnen van het liberalisme.

Biedt het conservatisme de VVD electoraal perspectief? In de concurrentie met het CDA speelt een psychologisch effect in het voordeel van de VVD. Een verschil met het cultuurpessimisme van de christen-democraten is dat de VVD haar maatschappijkritiek minder zwartgallig toonzet. De liberalen waken ervoor hun kiezers nimmer het perspectief op betere tijden te onthouden, een eigenschap die allicht is terug te voeren op de liberale habitus het leven van de zonnige zijde te zien. Zo bezien hangt het succes van een conservatief offensief van de VVD af van haar vermogen tegelijkertijd haar liberale vooruitgangsgeloof te bestendigen. Een ander, wezenlijker verschil met het CDA is dat de VVD veel directer appelleert aan de gevoelens van onzekere burgers die in de migranten een bedreiging zien van hun culturele waarden en economische vooruitzichten.

Desalniettemin is het nog afwachten of de partij de Telders-stichting en Bolkestein in het conservatieve spoor zal willen volgen. De VVD is vanouds een tweeslachtige partij, met een conservatieve en een liberale vleugel. Eén van de mooiste beschrijvingen van de dubbele inborst staat op naam van wijlen Henry Faas, de Wandelganger van de Volkskrant: “Op een VVD-vergadering kan je ze er zo uitpikken. Kijk, daar loopt een liberaal. Hij is voor de vrijheid, voor menselijke waardigheid. Hij is beschaafd. Ook de onderdrukte negers van Zuid-Afrika hebben zijn sympathie. Voor de monarchie loopt hij niet erg warm. De conventies zijn niet zo bijzonder belangrijk. De bureaucratie moet bestreden worden. Maar kijk, naast hem zit een conservatief. De belastingen moeten omlaag. En flink. Er zat een trillertje in de motor van de Jaguar vanochtend. Het personeel is lastig, ondanks de grote haas vorig jaar. Leiding moet er zijn.”

In de mogelijke strijd om de toekomstige koers zullen de conservatieven in de VVD kunnen wijzen op het succes dat Newt Gngrich, de Republikeinse voorzitter van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, boekt met een programma dat zich het best als een combinatie van economisch liberalisme en cultureel conservatisme laat omschrijven. Niet voor niets voorzag Gerry van der List een van zijn columns van de kop: Newt kan ons nog wat leren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden