Het comfortabele vangnet

Roman Baatenburg de Jong woonde enkele jaren in Nairobi, Kenia en keerde onlangs terug naar Nederland. „Afrikaanse regeringen vinden het maar wat comfortabel dat de hulpindustrie publieke taken als onderwijs en zorg voor zijn rekening neemt.”

Onlangs beleefde de grote musical van een van Kenia’s bekendste muzikale zonen, Eric Wainaina, een nieuwe première. De productie is een paar jaar oud maar werd in een frisse jas gestoken. Aan actualiteit heeft het stuk niets ingeboet. Het behandelt in feite het probleem van Afrika in het algemeen en Kenia in het bijzonder: slecht leiderschap, armoede en corruptie, tegen het decor van het keiharde (maar soms ook gezellige) leven in een sloppenwijk.

’Mo Faya’, zoals de musical heet, doet door zijn eendimensionale benadering clichématig aan maar is verder in alle opzichten professioneel en barst bijna uit z’n voegen van de maatschappijkritiek. Vooral de satirische wijze waarop politici te kijk worden gezet, kan rekenen op instemmend gejoel uit de zaal.

De productie, door Nederland gesponsord en al op Broadway te zien geweest, is voor Kenia uniek. Zij laat de temperatuur zien in een samenleving die (wederom) snakt naar verandering. Ook bewijst ze dat er inmiddels maatschappelijke ruimte bestaat voor vrije expressie – een lumineus contrast met de donkere dagen van de dictatuur in de jaren tachtig en negentig.

Verandering is broodnodig maar de dagelijkse praktijk is taai.

Vaak is verwezen naar Aziatische landen die in de jaren zestig eenzelfde ontwikkelingspeil kenden als pasgevormde staten in Afrika. Terwijl Zuid-Korea, Taiwan en Singapore een spectaculaire groei doormaakten, beleefde Afrika bezuiden de Sahara de ene mislukking na de andere. Een belangrijke oorzaak: de Aziatische tijgers kozen voor export als doel op zichzelf. „Geen enkel land ter wereld heeft een succesvolle ontwikkeling gerealiseerd zónder een export van betekenis op te bouwen”, zegt econoom Scott Rogers, hoofd van de Keniaanse afdeling van het IMF. Daarnaast investeerden de tijgers in onderwijs en goed functionerende banksystemen. Dat wekte vertrouwen bij buitenlandse investeerders.

Oost-Afrika begint zich te concentreren op dienstverlening in de ICT, vooral Rwanda en Kenia, maar het exporteert in zijn totaliteit veel te weinig. Zuid-Korea exporteert in z’n eentje evenveel als alle voormalige koloniën bij elkaar. Het basisonderwijs is in een aantal Oost-Afrikaanse landen gratis, maar wat haalt dat uit als de klassen overvol zitten en scholieren er bijna niets leren? Zelfs ouders met een laag inkomen sturen hun kinderen liever naar privéscholen.

Ook het vervolgonderwijs laat veel te wensen over. Het bedrijf Procter & Gamble verkleinde vorig jaar haar vestiging in Kenia omdat ze uit honderden lokale sollicitanten geen geschikte kandidaat kon vinden met leidinggevende kwaliteiten.

Belangrijk voor het opkrikken van de export is het creëren van een goed investeringsklimaat, met respect voor de rechten van arbeiders. De Oost-Afrikaanse Unie (EAC), het samenwerkingsverband van Tanzania, Kenia, Oeganda, Rwanda en Burundi, zet stappen in die richting. Maar het gaat traag. Talloze intraregionale handelsbelemmeringen moeten worden geslecht, markten blijven vooralsnog kleiner dan gewenst. Dat terwijl bijna honderd procent van de producten uit de EAC al tegen een nultarief de Europese Unie in mogen.

In het noorden, oosten en westen grenst het handelsblok aan louter fragiele staten, met politieke instabiliteit, dictatuur, oorlog en anarchie. Dat bemoeilijkt handel met de buren. Zo is er anno 2010 nog steeds geen begaanbare weg die Kenia met buurland Zuid-Soedan verbindt. Maar ook het blok zelf is verre van stabiel. Toen eind 2007 in Kenia een politieke crisis uitbrak lag de fysieke infrastructuur plat. Oeganda en Rwanda zaten letterlijk zonder benzine.

De regio is lichtjaren verwijderd van een functionerende democratie. Verkiezingen lopen in Oost-Afrika steevast uit op een drama. President Museveni van Oeganda bleef aan de macht na de stembusgang in 2006, die verstoord werd door geweld, intimidatie en omkoping. Hij had er toen al twintig jaar (alleen)heerschappij op zitten.

De gewelddadige politieke crisis in Kenia van eind 2007 en begin 2008 deed alle hoop op verandering vervliegen. Het Internationale Strafhof gaat nu uit eigener beweging onderzoeken of er politieke kopstukken kunnen worden aangeklaagd.

De macht in Rwanda is sinds de traumatische genocide van 1994 in handen van één man: president Kagame. Met een mix van repressie, angst en intimidatie houdt hij de boel in het gareel.

Verlichte dictatuur is Afrikanen helaas niet gegund, evenmin als sterke overheden, zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in zijn rapport over ontwikkelingssamenwerking vaststelt. Dat de WRR zelfs zover gaat dat hij democratie ondergeschikt wil maken aan die sterke overheden is nogal hooghartig en een miskenning van de complexiteit van Afrikaanse samenlevingen. Afrika lijkt juist veroordeeld tot democratie, hoe onvolkomen deze staatsvorm er in de praktijk ook moge uitzien.

Democratie is veel meer dan alleen verkiezingen, en de voorbeelden laten zien dat er iets fundamenteel schort aan deze maatschappijvorm in Oost-Afrika. Leiders die door corruptie aan de macht zijn gekomen, ontberen democratische legitimatie. Dat zij, eenmaal verkozen, alles doen en laten wat hun goeddunkt ondergraaft hun positie nog meer. Voorafgaand aan verkiezingen delen politici geld uit aan kiezers. Die worden zo in zekere zin kaltgestellt. Want waarom zou je verantwoording afleggen aan iemand die geld heeft geaccepteerd? Hooggeplaatsten komen doorgaans weg met misdaden omdat de juridische molens tergend traag draaien; belangrijke zaken blijven gewoon liggen.

Ik vrees dat een soort verlichte dictatuur, naar Aziatische snit, een staatkundig recept is dat in Afrika niet zal worden geaccepteerd – vooral vanwege de zeer belangrijke factor etnische identiteit. Die bemoeilijkt het denken aan het algemeen belang. Leiders voelen zich het meest verbonden met en tonen zich loyaal aan degenen uit hun etnische groep. Omgekeerd stemmen kiezers doorgaans op een politiek leider uit hun eigen etnische groep. Die etnisch gestuurde politiek verlamt het bestuur. De samenleving als geheel betaalt daarvoor een te hoge prijs. Economen als William Easterly hebben hier eerder op gewezen.

Een te hoge prijs wordt ook betaald voor het vanzelfsprekende respect voor ouderen – een hardnekkig cultureel verschijnsel dat ontwikkeling en dus welvaart tegenhoudt. Een vernieuwend geluid van jongere generaties krijgt per definitie minder kans om gehoord te worden. Een man als oud-president Moi, die van Kenia een roofstaat maakte, krijgt zelden weerwoord. Nu hij inmiddels minister van staat is, geniet hij nog altijd veel respect. Die kritiekloze houding jegens ouderen, de wazee, is diepgeworteld. Ze genereert bovendien passiviteit bij jongeren: naar ons wordt toch niet geluisterd. Toch zal het slechts een kwestie van tijd zijn tot Moi in de schoolboekjes niet langer wordt aangeduid als grote ’democratische hervormer’.

Nederland onderhoudt een langlopende ontwikkelingsrelatie met alle bovengenoemde EAC-landen: Tanzania, Kenia, Oeganda, Rwanda en Burundi. In de ogen van de Nederlandse regering is de regio blijkbaar erg hulpbehoevend.

De laatste tijd klinkt veel twijfel over zin, effectiviteit, besteding en omvang van ontwikkelingshulp. Die kritische houding is gevoed door recente publicaties als ’Dead Aid’ van de Zambiaanse economie Dambisa Moyo. Daarin betoogt ze dat hulp corruptie in stand houdt, afhankelijkheid voedt en Afrika geen voorspoed brengt. Hulpsceptici lopen weg met de Afrikaanse, terwijl anderen haar beschuldigen van kwade wil.

Ten onrechte. Want hoewel ook Moyo de waarheid niet in pacht heeft, vindt haar boodschap in Afrika zelf veel weerklank. De Keniaanse Nobelprijswinnares Wangari Maathai hield recentelijk een warm pleidooi voor Afrikaanse zelfvoorziening. Ze hekelde de eeuwige mentaliteit van leiders om hun hand op te houden bij het Westen. In diverse Afrikaanse media, kranten en tijdschriften is ’Dead Aid’ positief besproken. Het boek noopt Afrikanen én donoren tot zelfreflectie.

Nog altijd wordt zo’n veertig procent van het overheidsbudget in Oeganda gedekt door hulp. In Tanzania ligt het percentage nóg hoger. Al die hulp heeft nauwelijks geleid tot meer welvaart, en evenmin tot de versterking van de belangrijkste sector: de landbouw. Dat valt niet het Westen te verwijten, maar de betreffende regeringen, met hun beleidsarmoede en gebrek aan daadkracht.

Boven op deze gelden, waarvan een deel is bestemd voor begrotingssteun, komt nog eens het geld van de ’hulpindustrie’, de talloze non-gouvernementele organisaties die het beste met Afrika en met zichzelf voorhebben. Afrikaanse regeringen vinden het maar wat comfortabel dat ngo’s publieke taken als onderwijs en zorg voor hun rekening nemen. Die externe bemoeienis heeft een surrogaatvangnet in het leven geroepen dat nationale regeringen ontslaat van het nemen van de eigen verantwoordelijkheid.

Goed bestuur dat een gezond investeringsklimaat schept en zo handel bevordert, zou hulp grotendeels overbodig maken. Belabberd bestuur zou consequenties moeten hebben voor de hoogte van externe hulpstromen.

Helaas kent hulp en alles wat daarmee samenhangt een eigen, hardnekkige dynamiek, waarin budgetten niet mogen slinken en besteden belangrijker lijkt dan verantwoorden. Ook Nederland houdt, door de achterhaalde koppeling van het ontwikkelingsbudget aan het nationaal inkomen, die dynamiek in stand.

Op het kantoor in Nairobi van de delegatie van de Europese Commissie, een van de voornaamste donoren in de regio, zagen de medewerkers hoofdschuddend hoe in Kenia met publieke middelen wordt omgesprongen. De Mars Group, een organisatie die rapporteert over financieel overheidsmanagement, sprak van ’gênant rentmeesterschap’. Afrikaanse politici die op dienstreis zijn in Europa ontvangen een dagvergoeding van ruim 600 euro. Hun maandsalaris bedraagt ongeveer het honderdvoudige van het landelijk gemiddelde.

De EC-delegatie is het allerbezorgdst over de manier waarop ’Europees belastinggeld’ wordt besteed. Een deel daarvan is ’begrotingssteun’: ontvangers mogen in principe zelf bepalen waaraan ze dat geld uitgeven. Wanbeleid wordt zelden afgestraft, in negen van de tien gevallen wordt de voorkeur gegeven aan de ’dialoog’. Hogere machten, in dit geval in Brussel, bepalen dat het geld toch vooral moet rollen. Kun je mooie sier maken tegenover andere donoren.

Een groeiend en breed besef dat burgers mensenrechten hebben, is cruciaal voor het in gang zetten van verandering: recht op vrije meningsuiting, op adequate publieke dienstverlening, op goed onderwijs, op verantwoording door en transparantie van de macht.

Voorstellingen als ’Mo Faya’ geven de bewustwording van Afrikanen vleugels. Het zijn deze lichtpuntjes die enige hoop bieden op een democratisch Afrika.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden