Het clair-obscur van een vergeten vrouw

Museumbezoekers blijven negen seconden voor een schilderij staan. Veel te kort om er recht aan te doen. Maar hoe kun je langer kijken? In samenspraak met Peter Henk Steenhuis onderricht filosofe Mieke Boon over de filosofie van het kijken.

Het is rustig in het Amsterdamse Rijksmuseum, vrijdagavond blijft een mooie avond om door het museum te slenteren. Ineens blijft Mieke Boon staan: „Wat vind je hiervan?” Ze wijst naar een klein schilderij – nee, geen doek, een paneel met een jongeman die een luit bespeelt. Boon: „Het is uit 1629 en heet De Serenade. De schilder is Judith Leyster. Ik heb gegoogled hoe vaak de straatnamen in Nederland worden genoemd. Ferdinand Bolstraat geeft 140.000 hits, Frans Halsstraat 64.000, Johannes Vermeerstraat 21.000, Rembrandtplein 2.500.000 en Judith Leysterstraat 2200 hits. Die verschillen zeggen iets over hun bekendheid.”

Misschien was ze niet zo goed.

„Ik denk dat ze simpelweg vergeten is, en niet omdat haar werk niet goed was. Er wordt beweerd dat ze maar zes jaar als schilder productief is geweest, tussen 1629 en 1636, voorafgaand aan haar huwelijk met de schilder Jan Miense Molenaar. Samen hadden ze later een kunsthandel in Amsterdam. Vanaf 1633 was ze lid van het Haarlemse Sint-Lucasgilde, wat betekent dat ze in haar eigen tijd erkend werd als meester-schilder en leerlingen mocht opleiden.”

Bij haar huwelijk hing ze de kwast aan de wilgen.

„Dat is onduidelijk, ze heette toen geen Judith Leyster meer. Ook werd een deel van haar werk later aan Frans Hals toegeschreven. Daardoor is haar leven en werk een puzzel. In 1893 vond men haar handtekening op het aan Frans Hals toegeschreven schilderij ’Vrolijk paar’ in het Louvre. Deze zat onder die van Frans Hals.”

Frans Hals was jaloers.

„Vast niet. Waarschijnlijk brachten Judith Leysters schilderijen meer op als ze werden verkocht als een Frans Hals. Latere kunstcritici beweerden dat ze achter Frans Hals aanliep, maar volgens mij was ze schildertechnisch vaak beter dan hij, en was haar werk minstens zo goed als dat van veel beroemdere tijdgenoten. Bovendien had ze een eigen stijl.”

Dit schreeuwt om bewijs.

„Laten we dit schilderij vergelijken met een paar andere. Herken jij er andere Hollandse meesters in?”

Het licht is Rembrandtesk?

„Je bedoelt het donker-lichtgebruik, het clair-obscur.”

Dat doet me aan Rembrandt denken of misschien nog meer aan Caravaggio.

„Toen zij dit schilderde, was ze 20; Rembrandt was toen 23 en stond nog sterk onder de invloed van zijn leermeester Pieter Lastman (1583-1633). Rembrandts schilderijen tussen zeg, 1625 en 1629, waren voornamelijk historieschilderijen. Rembrandt en Lastman schilderden toen nog lang niet zo’n duidelijk clair-obscur als Judith Leyster hier deed.”

Kenmerkend voor onze cultuur: we zeggen dat het licht op dit schilderij ons aan Rembrandt doet denken. Terwijl ze eerder was. Zo diskwalificeren we haar.

„Precies, maar met Caravaggio zit je goed. De introductie van het clair-obscur wordt gewoonlijk toegeschreven aan deze Italiaanse schilder. Ik wil het nu niet over hem hebben maar over de zogenaamde Utrechtse caravaggisten die het clair-obscur in Nederland introduceerden.”

Mieke Boon gaat op een bank zitten en klapt haar laptop open. „Gerard van Honthorst (1592-1656), die zeventien jaar ouder is dan Judith Leyster, is een van de bekendsten. Van hem hangt een werk uit 1625 in het Centraal museum in Utrecht. Kijk: ’De koppelaarster’.”

Dit is vier jaar eerder geschilderd dan ’De serenade’ van Leyster.

„Ja. In hoeverre Judith Leyster door de Utrechtse caravaggisten werd beïnvloed, is onduidelijk. Het vermoeden bestaat dat zij met hen in contact kwam nadat zij in 1628 met haar ouders naar de provincie Utrecht verhuisde.”

Waaraan zie je de mogelijke invloed?

Boon zoekt de site van het Mauritshuis op. „Dit werk, ’Man die een vrouw geld aanbiedt’, is twee jaar later geschilderd dan ’De serenade’. Als je met behulp van het loepje op deze site inzoomt, valt op hoe veel detail er in dit schilderijtje zit. Ze moet goede ogen hebben gehad. De compositie is ook erg mooi. Hun gezichten en lichamen zijn dicht bij elkaar en vormen een diagonale lijn tegen de lege achtergrond rechtsboven.”

De stemming doet me denken aan Johannes Vermeer. Heeft ze les van hem gehad?

„Vermeer moest toen nog geboren worden, dus dat is vrij onwaarschijnlijk.”

Dat pleit voor Leyster.

Boon schiet in de lach. „Je bedoelt dat ze als schilder op haar eigen benen kon staan? Terug naar wat zij doet met het clair-obscur. Op ’Man die een vrouw geld aanbiedt’ zie je dat het licht van beneden komt, van een kaars die op tafel staat. Datzelfde gebruik van licht van een kaars zie je bij Van Honthorsts ’De koppelaarster’. Hij dikt het effect alleen veel meer aan.”

Judith Leyster gebruikte het clair-obscur dus eerder dan Rembrandt en beter dan Van Honthorst.

„Klopt. Van Honthorst en Leyster gebruikten beiden een kaars om het clair-obscur geloofwaardig te laten zijn, maar het dramatische effect dat ermee wordt bereikt, is bij Leyster overtuigender.

Bij ’De serenade’ werkt het clair-obscur anders. De luitspeler kijkt omhoog en het licht komt ergens van links beneden, waardoor zijn gezicht van onderaf wordt belicht. Dat geeft een vreemde aanblik. Kennelijk geeft hij een serenade, misschien voor een vrouw die boven voor een raam staat. Dit schilderij is in zijn licht-donkereffecten en ook in het kleurgebruik bijzonder. Het heldere rood van de broek vormt een mooi contrast met de groenige achtergrond.

Ook heeft dit schilderij, net als ’Man die een vrouw geld aanbiedt’, een mooie compositie. Je ziet in De serenade twee elkaar kruisende diagonalen: de ene van linksboven langs de rand van zijn hoed, de strepen op zijn jas en de lichte streep die de diagonaal afmaakt. De diagonaal van rechtsboven naar linksonder wordt gegeven door de luit waarop hij speelt, de hals en de snaren.”

Het doet me denken aan ’De vrolijke drinker’ van Frans Hals, waar we net langsliepen. Ook deze man vult het hele beeld, en in de breedte vallen net als bij ’De serenade’ zijn ellebogen buiten het doek. De beide mannen hebben ook grote hoofddeksels.”

Dus de stijl van Leyster lijkt tóch op die van Hals?

„Er zal vast sprake zijn van wederzijdse invloed, maar dat is geen bewijs dat Leyster achter Hals aan liep. Haar ’De serenade’ en deze ’Vrolijke drinker’ waren ongeveer gelijktijdig klaar. Zie je nog meer overeenkomsten?”

Beide zijn vrij ruw geschilderd.

„Frans Hals is beroemd vanwege de losse stijl waarmee hij schilderde. De kraag wordt gevormd uit allemaal losse wittige streepjes, en de baard bestaat uit korte donkere haaltjes. Ook de vorm van de jas is vooral bereikt met streepjes.”

We lopen terug naar ’De Serenade’. Leyster gebruikte ook een ruwe stijl.

„Ja. De kraag en de jas van de luitspeler zijn opgebouwd uit ruwere streken, maar dan minder streepjesachtig. Het is duidelijk dat zij de losse toets ook beheerste.

Wat valt je op als je de gezichten van deze twee mannen vergelijkt?”

Ik vind het gezicht van de luitspeler spannender dan de drinker.

„Dat komt doordat we niet kunnen zien waar hij naar kijkt: naar zijn eigen gemoedsbewegingen of juist naar iets dat daarboven hem is. Gaat hij op in het liedje dat hij speelt en raakt hij daar ook zelf door ontroerd?”

Ontroerd? Volgens mij niet. Zijn uitdrukking is eerder guitig maar geraffineerder dan bij Hals, er is namelijk geen alcohol voor nodig: Leyster schildert een karaktertrek.

„Hoe zou jij die omschrijven?”

Deze man straalt superioriteit uit. De vrouw voor wie hij deze serenade speelt, woont achter de ruit waarnaar hij kijkt. Hij kijkt geamuseerd, lichtelijk ironisch. Zij heeft hem, zo denk ik nu, uitdrukkelijk afgeraden te komen spelen – misschien verbieden haar ouders het. Maar hij lapt haar verbod aan zijn laars, niet uit woede maar uit bravoure. ’Eens kijken wat er nu gebeurt.’ Zo superieur, onafhankelijk te handelen – om jaloers op te zijn.

„Het beeld zet je fantasie flink aan het werk.”

Ik vind dit personage psychologisch interessanter dan Hals’ drinker.

„Ik ben met je eens dat Leysters werk psychologisch sterk is. Dat zie je ook op haar ’Man die een vrouw geld aanbiedt’.”

Mieke Boon klapt haar laptop weer open en klikt naar het schilderij op de site van het Mauritshuis. „Hier zie je dat de man geld in zijn hand houdt en dat aan haar aanbiedt. Hun gezichtsuitdrukking doet vermoeden dat hij haar een oneerbaar voorstel heeft gedaan. Zij is jonger dan hij. Op haar gezicht staat een combinatie van groot ongemak en lichte opwinding – de blos op haar wangen. Door zich op haar naaiwerk te richten, een symbool voor kuisheid, probeert ze de situatie meester te blijven.”

De kop van de man heeft iets weg van de luitspeler, ook die vrolijke zelfverzekerdheid.

„Hij is niet onaantrekkelijk en lijkt een man van de wereld die gewend is vrouwen voor zich in te palmen. Zijn uiterlijk en gezichtsuitdrukking versterken de indruk dat deze vrouw zich ongemakkelijk voelt. Op het gezicht van de man staat een ander soort opwinding. Hij heeft plezier in het spel van verleiding.

Zowel ’De serenade’ als ’Man die een vrouw geld aanbiedt’ hebben een grote expressieve kracht: ze drukken veel uit én roepen veel op. Bij ’De serenade’ komt dat vooral door het karakter van de man, dat de situatie explosief maakt. Wat staat hier te gebeuren? En wie zal daar het slachtoffer van worden? In ’Man die een vrouw geld aanbiedt’ is het de tegenstrijdigheid tussen de puur Hollandse, brave, kuise vrouw met de hooggesloten witte blouse naast de wat exotisch ogende man. Totaal anders dan andere schilderijen in dit genre, waar de vrouw vaak nogal clichématig wordt uitgebeeld als iemand die er wel trek in heeft, zoals het meisje met haar uitdagend diepe decolleté op dat schilderij van Gerard van Honthorst.

Naast haar beheersing van het clair-obscur, haar oog voor compositie en de losse toets zou ik Judith Leyster een meester in de psychologie willen noemen, die de vergelijking met haar tijdgenoten moeiteloos doorstaat. Daarom lijkt het me niet minder dan gerechtvaardigd dat we in de toekomst veel Leysterpleinen, Leysterstraten en Leysterskades krijgen, zodat deze enigszins vergeten vrouw alsnog met roem wordt overladen.”

Mieke Boon is filosofe aan de universiteit Twente. In december verschijnt bij uitgeverij Lemniscaat ’Kunst; Filosofie van het kijken’, met herziene en sterk uitgebreide afleveringen van de serie Filosofisch Kijken. ISBN 978904770028 9.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden