Column

Het CDA moet het radicale midden nog veroveren

null Beeld

De historicus A. van Deursen zei iets meer dan een jaar geleden dat in Nederland alleen het CDA zich een echte middenpartij mag noemen. De verklaring die hij daarvoor gaf was van een verbluffende eenvoud: alleen het CDA is bereid met alle andere partijen te regeren.

In die wendbaarheid schuilt een politieke kracht, maar ook een zwakte, zoals in de formatie van 2010 is gebleken. De partij regeert weliswaar mee, maar zij lijkt zich met dit regeeravontuur zelf te gronde te richten.

Voor meer partijen geldt dat zij in theorie tot samenwerking met iedere andere democratische partij bereid zijn, in de praktijk zijn de christen-democraten door de jaren heen het soepelst gebleken. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw was het voor hen zelfs 'lood om oud ijzer' of ze met links dan wel met rechts regeerden.

Aan de wendbaarheid werkte mee dat PvdA en VVD elkaar tussen 1959 en 1989 van samenwerking uitsloten. Aan deze blokkade kwam pas een eind, toen de Muur viel. Het aantreden van een paars kabinet in 1994 betekende een keerpunt in de politieke geschiedenis van ons land, omdat er een eind kwam aan de haast vanzelfsprekende aanwezigheid van de christen-democraten in het machtscentrum.

Hun positie in het midden leek gedragen door louter machtsmotieven, zoals het nogal zelfgenoegzame adagium van Roolvink illustreerde, maar die was ook sterk ideologisch bepaald. Door de strijd tussen kapitalisme en communisme konden de christen-democraten in de vorige eeuw een middelende rol spelen tussen kapitaal en arbeid.

De katholieken ontleenden hun politieke bestaansgrond zelfs aan die brugfunctie, sinds de pauselijke encycliek uit 1931 deze 'derde weg' wees. Met de val van de Muur verloor de functie van middelaar aan relevantie en leek ook de christen-democratie rijp voor de sloop.

In de periode 2002-2010 bleek het CDA een nieuw politiek joie de vivre te ontlenen aan een uit eigen bronnen geput ideologisch profiel, dat economisch liberaal en cultureel conservatief was gekleurd. Tegelijk bleken de reflexen uit de lood-om-oud-ijzertijd nog springlevend. De partij regeerde beurtelings met rechts en links als in haar beste dagen; Balkenende herhaalde zelfs het kunstje van Lubbers door ondanks het wisselen van de paarden onverstoorbaar in het Torentje te blijven zitten - en ook hij moest dat met zwaar electoraal verlies bekopen.

In de formatie van 2010 leverde het CDA in extremis het gelijk van Van Deursen dat het met iedereen kan regeren. D66, de enige andere partij in Nederland die welbewust voor een positie in het midden kiest, sloot samenwerking met de omstreden PVV bij voorbaat uit. Als de verkiezingsnederlaag in 2010 dat al niet indringend had laten zien, blijkt nu wel uit de trend in de peilingen dat de grenzen van de geloofwaardigheid niet eindeloos kunnen worden opgerekt. Alsof dat besef nog altijd niet tot de partijtop is doorgedrongen, flirt staatssecretaris Bleker nu alweer met de SP.

De les uit de recente geschiedenis is dat de spilpositie in het krachtenveld lonend is, in de zin dat je beslissende invloed kunt uitoefenen op de coalitievorming. De andere kant is dat ideologisch bleekheid en het machtsmotief uiteindelijk gaan overheersen. Dat laatste wordt nog versterkt door de excessieve nadruk op de positie van de eerste man of vrouw, waaraan alles en iedereen ondergeschikt wordt gemaakt. In dat opzicht is het een veeg teken dat nu al veel aandacht uit gaat naar de vraag wie de nieuwe CDA-leider moet worden. Daarmee wordt al bij voorbaat macht naar de top gedelegeerd.

Dat is ongezond en voor een echte middenpartij niet goed, zoals is gebleken in 2006, toen het CDA van de VVD naar de PvdA switchte en toestond dat Jan Peter Balkenende in het Torentje bleef zitten. Bij een dergelijke kleurwisseling past een ander gezicht, wil een partij die keuze ook onderstrepen en laten zien dat de samenwerking menens is. Dat gold in die tijd eens te meer, omdat duidelijk was dat de keuze was ingegeven door het leerstuk van de 'uiterste noodzaak'.

In die zin moet er dus een voorbehoud worden gemaakt op de waarneming van Van Deursen dat het CDA met iedereen wil regeren. Voor samenwerking met links heeft altijd het adagium gegolden van de katholieke leider Nolens uit 1918: 'slechts in uiterste noodzakelijkheid'. Overigens sprak Nolens dat destijds uit om een opening te maken naar de opkomende nieuwe macht van de sociaal-democraten. Vanaf de jaren zestig hebben christen-democraten het vooral gehanteerd om de deur naar links zoveel mogelijk dicht te houden.

Door de onwil die sprak uit de coalitie met de PvdA, nog versterkt door de wederzijdse achterdocht en ruzies, was die samenwerking voor die kiezers niet geloofwaardig en volgde een onvermijdelijke nederlaag, net als in 1994 toen Brinkman als CDA-fractieleider en kroonprins voortdurend tegen het kabinet-Lubbers/Kok had gestookt.

De paradox die uit het voorgaande volgt, is dat opereren vanuit het midden alleen succesvol kan zijn vanuit een sterke eigen positie, niet alleen getalsmatig, maar ook programmatisch. In alle westerse democratieën is de laatste jaren sprake van verlamming van het bestuur door onzekerheid en spanningen. Die omstandigheid maakt het zelfs urgent vanuit het midden naar oplossingen te zoeken om tegenstellingen te pacificeren en populisten met schijnbaar gemakkelijke oplossingen de wind uit de zeilen te nemen.

Als het CDA erin slaagt dat radicale midden geloofwaardig op te vullen, daagt er zelfs nog een nieuwe toekomst voor de partij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden