Het CDA als strijdtoneel tussen Rome en Dordt Na katholieke dominantie opmars gereformeerden

De auteur is hoofd van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen. Deze bijdrage is een bewerking van een lezing die hij onlangs in Nijmegen hield op een symposium over het CDA.

Bij de totstandkoming van het CDA dachten velen dat de nieuwe partij zou uitdraaien op een vergrote KVP. Om te vermijden dat bepaalde partijen zich te kort gedaan zouden voelen, werden in 1980 de onderlinge verhoudingen tussen ARP, KVP, CHU en de groep van 'rechtstreekse' leden voor een periode van vier jaar in een fusieprotocol vastgelegd. Ook voor de vertegenwoordigende lichamen werd een verdeelsleutel gehanteerd. Nadat de kandidatenlijsten voor de Tweede-Kamerverkiezingen in 1981 en 1982 volgens dit stramien waren vastgesteld, werd het fusieprotocol voortijdig afgeschaft. De overgangsregels bleken de doorstroming van nieuwe leden naar kaderfuncties te hinderen.

Helemaal zonder spelregels kon het CDA bij de kandidaatstelling echter niet. De oude partijpolitieke achtergrond maakte als een van de selectiecriteria plaats voor de kerkelijke kleur van de kandidaten. Deels kwam dat op hetzelfde neer: vrijwel alle voormalige leden van de KVP waren rooms-katholiek, van de ARP gereformeerd en van de CHU hervormd. De 'rechtstreekse' CDAleden kregen echter nu ook een (kerkelijk) etiket. In 1983 stelde het dagelijks bestuur vast dat er een 'fifty/fifty verhouding' tussen rooms-katholieken en protestanten moest worden aangehouden.

Het bestuur zei niets over de verhoudingen binnen het protestantse deel. Toch waren deze ook van belang, zo bleek bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1986. De christelijk-historische kandidaten kwamen er toen erg bekaaid af, waarna een 'comite van verontruste hervormden' zich inspande om hen hoger op de lijst te krijgen.

De krachtsverhoudingen tussen de verschillende bloedgroepen is in de periode 1977-1993 nogal veranderd, met name in het kabinet en in de Tweede-Kamerfractie. De 50 procent-regel is bij de samenstelling van de christen-democratische ministersploeg aanvankelijk goed nageleefd. In de kabinetten-Van Agt en het eerste kabinet-Lubbers bezetten rooms-katholieken en protestanten elk exact de helft van het aantal CDA-ministersposten. In 1986 kregen de katholieken er wat minder. Dit werd in 1989 in het huidige kabinet-Lubbers gecompenseerd: de katholieken gingen met 57 procent van de christen-democatische ministerszetels van start. Inmiddels is dat percentage aanzienlijk gedaald. De opvolging van de katholieke ministers Braks en Van den Broek door de gereformeerde Bukman en Kooijmans leidde tot een sterkere protestantse, of beter gezegd, gereformeerde inslag. Maar liefst 57 procent van de huidige CDA-ministers is gereformeerd, terwijl de gereformeerden sinds 1977 door de bank genomen goed voor een-derde waren. De hervormden kwamen er met 15 a 20 procent vaak magertjes vanaf.

In de verhouding tussen katholieken en protestanten in de TweedeKamerfractie van het CDA is eveneens een kentering zichtbaar. Tot 1986 vormden de katholieken een kleine meerderheid in de Kamerfractie. In 1986 en 1989 tekent zich een licht protestants overwicht af. Opvallend daarbij is dat de hervormden hiervan amper profiteren. Vanaf het electorale debuut van het CDA in 1977 komen zij de 20 procent eigenlijk niet te boven. De gereformeerden daarentegen treden sterk op de voorgrond. Hun percentage bedroeg in 1977 een kwart, maar steeg onafgebroken tot ruim een-derde in 1989. Naast deze kwantitatieve verdeling is het ook mogelijk een kwalitatieve verhouding te construeren tussen de verschillende bloedgroepen, door de bezetting van gezichtsbepalende functies na te gaan, zoals het voorzitterschap van de ministerraad, de Tweede-Kamerfractie, de partij, de Eerste-Kamerfractie en van de CDA-groep in het Europese parlement.

Bij de electorale start van het CDA in 1977 leverden de rooms-katholieken de premier (Van Agt) en de partijvoorzitter (Steenkamp). Na het terugtreden van Aantjes kwam daar het voorzitterschap van de Tweede-Kamerfractie bij (Lubbers). Hierdoor kon gemakkelijk het beeld ontstaan van een katholieke dominantie in het CDA. Voor de protestanten bleven er aan het einde van de jaren zeventig slechts enkele troostprijzen over: het voorzitterschap van de senaatsfractie (de CHU-er Van Hulst) en het lijsttrekkerschap bij de eerste directe Europese verkiezingen in 1979 (de antirevolutionair Beumer).

Aan het begin van de jaren tachtig veranderde dit beeld. In 1980 werd de gereformeerde Bukman partijvoorzitter. Een jaar later volgde de gereformeerde Christiaanse Van Hulst als voorzitter van de senaatsfractie op. Eind 1982 werd de gereformeerde De Vries voorzitter van de Tweede-Kamerfractie. Hij nam deze functie over van Lubbers, die Van Agt als premier opvolgde. Zo bezetten binnen enkele jaren de gereformeerden vier van de vijf toonaangevende functies. Het premierschap bleef het katholieke prerogatief; de nederlands-hervormden stonden met lege handen.

Na enige jaren ging deze gereformeerde hegemonie scheuren vertonen. Begin 1987 trad de katholieke Van Velzen als partijvoorzitter aan, als opvolger van Bukman. In hetzelfde jaar nam de katholieke Penders in Straatsburg tussentijds het roer over van Beumer. Eind 1988 maakte Christiaanse als fractievoorzitter in de Eerste Kamer plaats voor Kaland, waarmee de CHU na zeven magere jaren weer het CDApodium beklom. Zo leken de gereformeerden aan het einde van de jaren tachtig op hun retour. Zij ontvingen echter een vorstelijke compensatie: voor het eerst sinds de oprichting van het CDA deden de katholieken afstand van het premierschap en komt het politiek leiderschap in de handen van de gereformeerde Brinkman. Bovendien mochten de gereformeerden de lijsttrekker voor de Europese verkiezingen weer recruteren, ten koste van de katholieke partijvoorzitter Van Velzen. De christelijk-historischen behouden na het vertrek van Kaland het voorzitterschap van de CDA-senaatsfractie: oud-CHUvoorzitter Van Leeuwen, gereformeerd overigens, is daarvoor aangewezen.

Achteraf kan worden geconstateerd dat na een bliksemstart van de katholieken de protestanten in het CDA sterk zijn teruggekomen. Rome-Dordt lijkt daarmee te zijn geeindigd in een gelijk spel. Anders gezegd: de 50 procent-regeling heeft goed gewerkt. Deze uitkomst verhult echter de opmars van de gereformeerden. Deze 'parade der mannenbroeders' wordt nog opmerkelijker, wanneer het gereformeerde aandeel in het CDA-electoraat in ogenschouw wordt genomen. Terwijl een derde van de Tweede-Kamerleden van het CDA momenteel van gereformeerde huize is, is nog geen vijfde deel van de religieuze CDA-kiezers dat. De hervormde kiezers zijn ongeveer even sterk als de gereformeerden, maar veel minder sterk vertegenwoordigd. De katholieken worden zeker de laatste tijd wat onderbedeeld: met circa 60 procent van het kerkelijke kiezerscorps van het CDA (al vanaf 1977) moeten ze het met de fifty-fifty-regel doen.

Dezer emancipatie der gereformeerde 'kleine luyden' ging deels ten koste van de hervormden. Dat de vertegenwoordigers uit de oude CHU zich zo weinig doen gelden, zal wel met de partijcultuur van de oude Unie samenhangen. Keihard lobbyen voor sleutelposten is hen vreemd. Kamervoorzitter Deetman zei toen hem werd gevraagd waarom oud-CHU-ers geen herkenbare positie in het CDA innamen: “Dat ligt aan henzelf. Ze zijn er niet bij”. Dit laatste klopt inderdaad. Uit onderzoek bleek dat in 1986 maar 15 procent van de CDA-leden nederlands-hervormd was. De helft van het ledenbestand was katholiek en een derde gereformeerd.

Aanvankelijk werd, zoals gezegd, verondersteld dat het CDA zou neerkomen op een vergrote KVP. Nu de gereformeerden meer op de voorgrond treden, klinken andere geluiden. Het katholieke Kamerlid Frissen meldde eind 1992 dat in het CDA 'het oude ARP-establishment' nog actief zou zijn. De gereformeerden zouden 'alerter' zijn bij de verdeling van de posten en het CDA zou zodoende steeds meer een 'verbrede ARP' worden. Vanuit antirevolutionaire kring werd dit meteen ontkend.

Het bloed van de CDA-bloedgroepen kruipt nog steeds waar het niet gaan kan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden