Het carnaval van Rabelais en de terreur van Stalin

AMSTERDAM - Het volk aan de macht, leuzen scanderende menigten, persoonsverheerlijking tot in het absurde - vreemd genoeg zijn dit kenmerken van het carnaval in Oeteldonk én van Stalins schrikbewind in de jaren dertig.

De overeenkomsten zijn veelbetekenend. Dat stelt Anton Simons (1962), die vandaag aan de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht hoopt te promoveren op het proefschrift Carnaval en terreur. De verbinding tussen deze twee, op het eerste gezicht zo tegenstijdige, begrippen legt Simons door gebruik te maken van het werk van een Russische wijsgeer die leefde en werkte onder het stalinisme. In Simons verdediging zal het vanmiddag vooral gaan over de bevrijdende kracht van de lach.

De Russische filosoof Bachtin was 23 jaar toen in 1917 in Rusland de revolutie uitbrak en moest zich in de daarop volgende decennia bij de uitoefening van zijn vak telkens aanpassen aan de grillen van het communistische regime. Bedoeld of onbedoeld afwijken van de ideologische lijn had onaangename gevolgen, zoals Bachtin eens ondervond toen hij plotseling voor zes jaar werd verbannen naar Kazachstan. In de hoogtijdagen van de stalinistische terreur schreef Bachtin een boek over François Rabelais en de volkscultuur van de middeleeuwen.

Deze onderwerpskeuze was een tactische zet: Rabelais werd door de partij-ideologen beoordeeld als een goed voorbeeld van 'socialistisch realisme', de voorgeschreven kunstopvatting, vanwege zijn aandacht voor de cultuur van het middeleeuwse proletariaat. Door schijnbaar over Rabelais en de middeleeuwen te schrijven, kon Bachtin echter tussen de regels door een confrontatie aangaan met het marxistische gezag.

In Nederland is Bachtin tamelijk onbekend gebleven. Wie zijn werk wil bestuderen zal het met Engelse, Franse of Duitse vertalingen moeten doen, of, zoals Anton Simons deed, Russisch moeten leren. Bachtin wordt sinds kort hoogstens in verband gebracht met de anekdote die William Hurt in de film Smoke vertelt over this old philosopher from the Ural die tijdens de Tweede Wereldoorlog niet aarzelde om, bij gebrek aan beter, een onuitgegeven manuscript als vloeipapier voor zijn sigaretten te gebruiken. Het is een voorbeeld van de invloed die de historische omstandigheden op Bachtins leven en werk gehad hebben. Ook de teksten die hij niet oprookte en die wel verschenen dragen de sporen van hun tijd.

Anton Simons bepleit dan ook een lezing van Bachtins boek over Rabelais met aandacht voor de achtergrond waarin het ontstond: die van een volstrekt gecontroleerde samenleving waarin iedere publicatie beoordeeld werd op zijn marxistische inhoud. Men kon er nooit zeker van zijn dat de opvattingen van de partij-ideologen niet van het ene moment op het andere zouden wijzigen.

Uit voorzorg publiceerde Bachtin na zijn verbanning enkele werken op naam van verschillende van zijn medewerkers, die minder dan hij de belangstelling van het controle-apparaat hadden. Een van hen, P. N. Medvedev, kreeg in 1938 te horen dat hij onvoldoende afstand nam van de partij onwelgevallige ideeën. Schielijk nam Medvedev terug wat hij gezegd had maar na enige tijd werd hij toch van huis gehaald en geëxecuteerd.

Bachtin was van oorsprong filoloog en ontwikkelde zijn denkbeelden vaak aan de hand van literaire onderwerpen. Hij was voorstander van een zeer geëngageerde kunstopvatting. Simons, die tijdens zijn studie theologie met de teksten van Bachtin in aanraking kwam, beschouwt hem in de eerste plaats als ethicus.

In het boek over Rabelais besteedt Bachtin veel aandacht aan het lachen in de middeleeuwen. In de dagen van Rabelais was het ongeveer drie maanden per jaar carnaval, verdeeld over kerstmis, pasen, oogst-feesten en heiligenfeesten. Het carnavalsfeest werd meer dan tegenwoordig beschouwd als een parodie op het gewone leven. Er werden speciale munten geslagen, een schertsrechter sprak absurde vonnissen uit en de gezagsdragers van kerk en staat moesten eer betonen aan de narrenbisschop en Prins Carnaval.

Op het eerste gezicht was Bachtins benadrukken van de creativiteit van de volksmassa koren op de molen van de stalinistische propaganda. De kapitalistische vijand van het proletariaat moest immers permanent van zijn macht en rijkdom ontdaan worden, ten gunste van het proletariaat. Bachtin bewees daaraan lippendienst door in exact dezelfde termen waarin de partij-ideologie voorschreef dat alle kunst 'volks' moest zijn, het 'volkse' bij Rabelais aan te duiden. Maar in wezen trok hij een hele andere parallel tussen zijn tijd en de carnavaleske middeleeuwen.

Met de tegenstelling tussen officiële cultuur en volkscultuur uit de middeleeuwen refereert Bachtin aan de tweespalt in de stalinistische cultuur tussen de monopolisering van het bestaan door de partij en de volstrekte chaos die ten gevolge van de bureaucratie ontstond.

Simons schrijft: “Zoals Bachtin stelt heeft alles in de carnavaleske levensvisie zijn komische, parodische keerzijde. De officiële cultuur tracht deze dimensie meestal buiten te sluiten, maar kan haar soms ook integreren, bijvoorbeeld door vorsten die gebruik maakten van carnavalssymboliek om hun politieke aspiraties te ondersteunen. De 'tweewereldse situatie' is daarom niet alleen een beschrijving van de middeleeuwse cultuur, maar tevens van de stalinistische cultuur.” Ook daarvoor geldt “dat de ideologie alom tegenwoordig was in de cultuur, maar tegelijkertijd overal gepaard ging met 'het andere van de ideologie', namelijk 'elementaire spontaniteit', 'het dionysische' en 'volkse modellen'. De ideologie kon dit andere integreren of buitensluiten maar ze kon het niet vernietigen.”

Dit klinkt abstract maar voorbeelden uit de taal kunnen verduidelijking brengen. Machthebbers zijn er altijd bij gebaat hun positie te consolideren door zich meester te maken van de taal. Een goed voorbeeld uit de communistische geschiedenis is het woord 'kameraad'. Een woord dat in de betekenis van 'vriend' eeuwenoud is, wordt door de communistische propaganda van een nieuwe betekenis voorzien: 'strijdmakker, gelijke'. In Rabelais' tijd was het niet anders. Zo gaven kerk en staat aan alles wat hun positie kon bedreigen de kwalificatie 'duivels' of 'hels', daarmee gebruik makend van de angsten die het leven van de gewone man beheersten. De kracht van de lach en het carnavaleske woord is volgens Bachtin de mogelijkheid om diezelfde woorden 'kameraad', 'duivels', 'hels' in spottende zin te gebruiken. Het volk leerde daardoor te lachen om zijn eigen angst. De woorden die door het heersende gezag zo eenduidig als negatief waren gedefinieerd, werden ambivalent. Er kon ook om de duivel en om de eigen angst voor de duivel gelachen worden. Lachen is een bevrijdende daad.

Het is Simons ernst met de lach. In navolging van Bachtin wijst hij erop dat het bestaan voor de mens geen vaststaand gegeven is maar een opgave. Ieder moet zijn persoonlijke verantwoordelijkheid nemen. De lach behoort een onderdeel van deze verantwoordelijkheid te zijn, omdat men door te lachen afstand kan nemen en kan voorkomen dat normenstelsels verabsoluteerd worden.

Deze nadruk op de persoonlijke verantwoordelijkheid keert zich tegen het nihilisme. Simons meent dat tegenwoordig onder het mom van nihilisme de persoonlijke verantwoordelijkheid vaak wordt ontkend.

Er moet meer gelachen worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden