Het brutaaltje van de klas

In Frankrijk vliegen haar boeken over de toonbank, maar Amélie Nothomb, wier nieuwste roman net vertaald is, beschouwt zichzelf als Waalse, niet als Franse schrijfster. Maar wat is dat: Waalse literatuur? Wat hebben Simenon en Nothomb gemeen? En wat betekent belgitude?

Amélie Nothomb: De verloofde van Sado. Uit het Frans vertaald door Marijke Arijs. Uitgeverij Manteau/Standaard uitgeverij, Antwerpen. ISBN 9789022322710; 234 blz. euro 18,95

Schrijvers uit Wallonië vormen, binnen de Franstalige literatuur, een verhaal apart. In Frankrijk roeren schrijvers zich in nationale debatten, tekenen petities en bedrijven volop echte politiek – soms zelfs als minister. Literatuurpolitiek bedrijven zij ook: zij sluiten onderlinge allianties om elkaar vervolgens de oorlog te verklaren. Voor aartsnetwerkers als Philippe Sollers en Bernard-Henri Lévy lijkt een carrière in de letteren gelijk te staan met het besturen van een literaire eenmans-bananenrepubliek waarin zijzelf de rol van president vervullen. Niets van dat alles onder de Walen, met hun individualisme en sterk ontwikkeld gevoel voor zelfspot.

Er valt een hele rij van eenlingen te noemen: de diplomaat Prince de Ligne, als levensgenieter in het algemeen en vrouwenliefhebber in het bijzonder, maar ook de symbolist Maurice Maeterlinck (nog steeds de enige Beneluxbewoner die de Nobelprijs voor literatuur won), en de bijna-Nobelprijswinnaar Michel de Ghelderode, wiens overdadige, bizarre toneelstukken zich in een grotesk, tijdloos ’Breugelland’ afspelen. Verder is er, in een wat ander genre, de sinoloog en essayist Simon Leys, die in 1971 het toen opzienbarende ’De nieuwe kleren van Voorzitter Mao’ uitbracht, waarin hij als een van de eersten wees op de schaduwkanten van de roerganger. Of - weer heel anders - de onstuitbare Georges Simenon, en de eigentijdse dandy François Weyergans, een paar jaar geleden nog bejubeld en bekroond voor zijn autobiografische roman ’Trois jours chez ma mère’, waarin hij liet zien hoeveel inspanning het kost om het leven van een nietsnut te leiden – vooral wanneer er een vrouw in de buurt is.

Die typisch Belgische manier van in-het-leven-staan heeft eind jaren zeventig, begin jaren tachtig in bohème-achtige kringen zelfs geleid tot het ontstaan van het begrip ’belgitude’. Het is een wat baldadige variant van het concept négritude, dat in de jaren zestig werd gemunt door Léopold Sédar-Senghor, president van Senegal, vooraanstaand dichter en lid van de Académie Française. De term belgitude wordt overigens vooral in Brussel en Wallonië gebruikt: het heeft in het zoveel nationalistischer Vlaanderen nooit echt aangesproken.

Het begrip belgitude dekt een moeilijk precies te omschrijven, maar sympathieke, mild anarchistische lading. Het omvat in elk geval zelfspot en een gebrek aan chauvinisme, die mede voortkomen uit het ontbreken van een krachtige Belgische identiteit. Een Belg, zo is de redenering, ziet zich in de eerste plaats als een bewoner van zijn dorp en streek, en vervolgens vooral als een niet-Fransman, een niet-Duitser en een niet-Nederlander, al heeft hij tegelijkertijd van alle drie wat.

Ook een zekere hang naar surrealisme en plezier in het absurde behoren tot de ingrediënten van de belgitude, samen met een licht ironische trots op frieten, mosselen, Belgische streekbieren, de chansons van Jacques Brel en folkloristische tradities zoals de marionetten van Toone en de carnavalsoptocht van Binche.

Kritiek is er op de belgitude omdat achter die voorkeur voor onschuldig vermaak een al te willige aanvaarding van de status quo, en vooral een onuitgesproken verlangen tot legitimatie van de bestaande machtsverhoudingen schuil zou gaan. Immers, de inwoner van België valt tegenwoordig ook steeds meer te omschrijven als een niet-Vlaming dan wel een niet-Waal.

Hoe dit ook moge zijn, vandaag de dag zijn het vooral Jean-Philippe Toussaint en Amélie Nothomb die binnen de Franstalige literatuur de Belgische kleuren van het non-conformisme hooghouden. Hun werk wordt regelmatig vertaald. Van Toussaint verscheen begin vorig jaar bij ons nog de mooie roman ’Vluchten’, een satire over een wereld waarin je dankzij de mobiele telefoon op elk moment door iedereen kunt worden lastiggevallen.

Maar meer nog dan Toussaint is de diplomatendochter Amélie Nothomb de laatste jaren het boegbeeld van de Franstalige literatuur van België. Net als bij de meeste van haar bovengenoemde landgenoten kenmerken haar boeken zich door een ongezeglijk individualisme, op de rand van lichte excentriciteit. Zij is het brutaaltje uit de klas.

Nothomb, in de Franstalige wereld een fenomeen, is één van de succesvolste auteurs van haar taalgebied. Vooral jonge lezers hebben haar in het hart gesloten. Die zijn dol op haar snelle, bijdehante stijl, haar door zelfspot getemperde maar onmiskenbare narcisme, haar air van hoogbegaafd, verwend nest met een goed hart. Daar komt bij dat ze ook erg televisiegeniek is met haar dwarse reacties en meningen, haar fel gestifte lippen, en haar eeuwige zwarte jurken en half verzakte dophoedje die haar verrassend sterk doen lijken op Madame Chapeau - een beroemd personage uit het Brusselse volkstoneel.

De schrijfster was voor in de twintig toen ze in 1992 debuteerde met ’Hygiëne van de moordenaar’, en sindsdien verschijnt er jaarlijks steevast bij het begin van het nieuwe boekenseizoen, eind augustus/begin september, een nieuwe korte roman of lange novelle. De kritieken zijn in de loop der jaren wat zuiniger geworden, maar zelfs van haar minst geslaagde boeken worden er nooit minder dan 100.000 exemplaren verkocht. Drie van haar boeken werden tot opera bewerkt.

Het meest op dreef is Nothomb wanneer ze over haar geboorteland Japan schrijft. Al het afwijkende in de Japanse cultuur aanvaardt ze met een grote gelijkmoedigheid, en beschrijft ze met veel gevoel voor sprekende details en absurditeit, en met een sardonische humor. De roman ’Angst en beven’, die haar de Grote Romanprijs van de Académie Française opleverde en ook werd verfilmd, behoort tot de hoogtepunten uit haar werk. Ze beschrijft daarin, onaangedaan goedgemutst, hoe ze een baan vond in een Japans bedrijf en hoe ze dankzij haar misplaatste dadendrang in de loop van een jaar in de onverbiddelijke ondernemingshiërarchie geleidelijk afdaalde tot de positie van toiletjuffrouw.

Haar nieuwe roman, afgelopen najaar in het Frans verschenen, speelt zich opnieuw in Japan af, en vertelt over het jaar dat voorafging aan die onfortuinlijke bedrijfscarrière. Nothomb vertelt hoe ze terugkeerde naar haar geboorteland om er aan de universiteit Japans te studeren.

Nothomb is een vakvrouw, die aan twee - maar meestal één - zin genoeg heeft om de aandacht van de lezer te vangen. Ook ’De verloofde van Sado’ begint overrompelend: „Frans geven leek me de meest efficiënte manier om Japans te leren. Ik hing een advertentie op in de supermarkt: ’Bijles Frans, aantrekkelijke prijs’.”

Zo leert ze een verlegen, onhandige, aardige jonge Japanner kennen die op haar verliefd raakt. Tijdens een uitstapje naar het eiland Sado vraagt hij haar, na veel behoedzame toenaderingspogingen, ten huwelijk. De schrijfster houdt hem lang genoeg aan het lijntje om naar België te kunnen afreizen, en zo ontsnapt ze aan de huwelijkse staat. Jaren later ziet ze hem nog éénmaal terug. Veel meer dan dat heeft de intrige van het boek niet om het lijf.

Maar Nothomb lees je nauwelijks om de intrige, je leest haar om wijsneuzigheden als „Het voordeel van gesprekken met buitenlanders is dat je de min of meer ontstelde uitdrukking van de ander aan cultuurverschil kunt wijten”. Of snibbigheden als „Wat ze ook at, ze zag er altijd uit of ze kauwgum kauwde”. Of licht erudiete plaagstoten – een genre waar ze erg goed in is – naar iemand als Sartre: „ik wist dat (hij) werd verafgood door de Japanners, die hem waanzinnig exotisch vonden: walging voelen bij de aanblik van een door de zee gepolijste strandkei was zo’n on-Japanse houding dat deze schrijver de fascinatie uitoefende die het ongewone altijd opwekt.”

Dat is – afgezien van haar altijd elegante stijl - één van de grote kwaliteiten van Amélie Nothomb: er is in haar boeken altijd wel een twintigtal momenten waarop alles wat je geredelijk aannam in een verrassend perspectief wordt gezet. Bij haar verveel je je nooit.Ger Leppers

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden