Het brein slaapt zichzelf groot

Van alle bedgeheimen is de slaap het meest mysterieus. Een derde van ons bestaan gaat eraan op, terwijl de noodzaak ervan allerminst duidelijk is. Tijd om de slaap te evalueren, met als slotvraag: waarom zijn we ’s nachts zulke druktemakers?

Lag u net vredig te slapen, beginnen uw ogen te draaien, gaat u onrustig ademen, stijgt de temperatuur in uw hersenen, schiet de hartslag omhoog, en werken uw penis of tepels zich overeind. Maar verder ligt u stokstijf te liggen, terwijl in het brein de lampen aanflitsen. Hier stuiten we op het raadsel REM, van rapid eye movement.

De ontdekker ervan, Eugene Aserinsky, dacht in 1952 dat zijn meetapparatuur haperde, toen in het slaap-EEG van zijn zoontje plotseling enorme veranderingen optraden. Armond leek volgens het EEG wakker, maar het joch sliep als een roos, ondanks de snelle oogbewegingen.

Geen wonder dat neurologen het later ook de paradoxale slaap noemden: het brein ligt in zeker opzicht heel wakker te suffen. En het heet de droomslaap, omdat in vergelijking met de kalme voorstellingen uit onze diepe slaap de meest bizarre, emotionele en monsterlijke taferelen langskomen, ontsproten aan de geest van Jeroen Bosch.

Waarom zijn wij in ongeveer 20 procent van onze slaaptijd zulke druktemakers in het hoofd? We gaan voor de meest aanvaarde theorie en reizen terug naar de baarmoeder. Het is er donker, er borrelt en klotst soms wat of er komt een luchtje langs. Maar verder heerst rond de foetus donkere stilte: rust, wachten, groei.

Wie denkt dat onze hersenen er zo wel komen, zit ernaast. Je moet maar eens het oog van een pasgeboren katje enige tijd afdekken: het stukje brein dat voor de signalen van het oog bestemd was, ontwikkelt zich niet. Onze hersenen zweren bij plasticiteit, maar de keerzijde ervan is dat neurale afdelingen verschrompelen als er geen werk voor ze aan de winkel is.

En dat is er in die donkere, stille baarmoeder nog niet. Tenzij het brein in aanbouw zichzelf prikkelt en stimuleert. En dat doet het.

Droomt de foetus dan? Dat zal een groot woord zijn, maar het REM-slaapt in hoge mate, en nogal druk. Er heerst activiteit in dat kleine breintje, net als in de hersentjes van nog onbeholpen en onvolgroeide jonge dieren.

Zo komt baby-rat prematuur ter wereld, geschat op een rijpheid van amper 70 procent van baby-mens. En de jongen van het vogelbekdier en van buidelratten lijken bij de geboorte nauwelijks onderweg in hun ontwikkeling. Ze REM-slapen allen bijzonder veel. Maar lam en cavia zijn bij hun eerste aantreden breinmatig al bij de les, en dus blijkt hun REM-slaap nihil.

Laten we nu eens aannemen dat het waar is: het breintje in spe oefent voor de komende wereld uit, het slaapt zichzelf groot. Dan kan de REM-slaap voor ons na een paar jaar overboord. Maar volwassenen zijn in een vijfde van hun slaap nog even onrustig in het brein als een pasgeborene. Ze dromen en oogdraaien, en zowel seksmaniak als meneer pastoor krijgen een erectie, wat overigens niets met een natte droom van doen heeft.

Is het zinloze onrust? Vermoedelijk niet. Er is geopperd dat het brein tegen zichzelf zegt: „Even warmdraaien.” Misschien om alert op te springen zodra er echt een keer gevaar dreigt. REM-slaap zou dan als schildwacht dienen. Een ander vermoeden is dat de hersenen er niet tegen kunnen om uren op non-actief te staan. Wellicht behoedt een beetje onrust boven ons ervan dat de boel er verstijft. Daarna mogen we weer diep wegzakken, om een goed uur later opnieuw cerebraal de benen te strekken.

Dat zijn maar wat suggesties. Vreemd is de REM-slaap wel, want er is nogal wat neuraal bestuur voor nodig. Omdat we ons dromend alle kanten op zien rennen, vliegen of vluchten, moet de spierspanning eraf. Voor ons eigen lijfsbehoud slapen we dan als lammen.

Hoe wonderlijk het een REM-slaper met intacte spiertonus vergaat, bewees slaaponderzoeker Michel Jouvet bij katten. Hij blokkeerde het hersengebied dat de spieren lamlegt, met als gevolg dat een poes er in haar droom op uit ging. Ze opende haar ogen, staarde, zocht, reikte en graaide. En sprong naar een fictieve prooi. Bakkie eten neerzetten, denk je dan, maar die bak maakte geen onderdeel uit van de kattenvoorstelling, ze liep er langs. Soms verzorgde ze haar vacht, maar niet als Jouvet er stukjes papier op strooide: die zaten evenmin in haar droom.

Wat ging er in poes om, wat begrijpen we van die illusionaire droomwereld? Illusie is nog te vergoelijkend, zou de slaaponderzoeker Alan Hobson zeggen. Hij noteerde ervaringen van proefpersonen, van overdag, in diepe slaap en tijdens de REM-slaap. Daartoe werden deelnemers uiteraard gewekt. Neutrale beoordelaars kwamen daarna tot de volgende conclusie: het slapende brein kan óf nadenken over wat het (overdag) heeft meegemaakt óf het kan zelf gewaarwordingen voortbrengen, maar in het laatste geval denkt het er totaal niet over na.

De hersens hallucineren en confabuleren in de REM-slaap, ze verzinnen maar wat, schrijft Hobson in Nature (oktober 2005). Een illustratie daarvan laten we graag aan Tommy Cooper: „Vannacht droomde ik dat ik zat te schransen aan een marshmallow van vijf kilo. Toen ik wakker werd, was mijn kussen weg.”

„Dat onze nachtelijke gekte normaal is, is opmerkelijk”, merkt Hobson in zijn boek ’Slapen en Dromen’ op. In de REM-slaap bootsen we verscheidene geestesziekten na: onze gewaarwordingen zijn hallucinair, ons geloof in het onmogelijke droomverhaal grenst aan een psychose, en het geheugenverlies doet denken aan dementie of delirium. Zo beschouwd zijn we tijdens de REM-slaap tamelijk mesjogge.

En het is toch ergens goed voor? „Tja”, zei de slaapexpert Jerome Siegel onlangs, „mensen die door hersenletsel of medicijnen nauwelijks REM-slapen, zijn volkomen normaal. Emotioneel en intellectueel mankeert ze niks, daarvoor hebben ze geen REM-slaap nodig. Dan kan ik er maar één reden voor bedenken: die slaap maakt je gereed om wakker te worden.”

Dus er zit misschien iets in dat de hersenen af en toe even uit de diepe slaap weg moeten, om de neurale spieren los te maken. Naarmate de nacht vordert, worden de REM-tijden ook steeds langer. Echte slaap lijken we dan al minder nodig te hebben. Zou de REM-slaap een soort neurale ochtendgymnastiek zijn, voor het waken uit? Die gedachte kennen we: deed de foetus dat ook al niet, een beetje cerebraal droogzwemmen vóór de geboorte?

Blijft de vraag waarom we zoveel onzin bij elkaar slapen, met voorstellingen die de natuurwetten tarten. Laten we voorbijgaan aan alle Freudiaans geteut, en opnieuw Alan Hobson aanhoren.

De hersenen zijn uit hun evenwicht, zegt hij, omdat de neurochemische balans verstoord is. Dat kun je meten: voor een gezond verstand missen we in delen van de nacht een flink portie boodschapperstoffen in het brein. Angsten en wanen kunnen gedijen, we zijn van boven echt even de weg kwijt.

Dit was het zesde en laatste deel van een serie over slapen. Eerdere afleveringen verschenen in de krant van 22, 24, 27 en 29 april en 4 mei.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden