Het bouwbudget als citroen Rudy Uytenhaak wendt alle mogelijkheden aan voor een optimale architectuur

AMSTERDAM - Een beetje merkwaardig vindt Rudy Uytenhaak het wel dat hij juist voor zijn ontwerp voor drie woongebouwen in een parkachtige omgeving de Wibautprijs 1993 krijgt. Deze prijs voor een stedebouwkundig ontwerp in Amsterdam had hij eerder verwacht voor zijn projecten aan de Weesperstraat en de Conradstraat-Czaar Peterstraat. Daar loste hij immers veel complexere stedebouwkundige situaties in de hoofdstad op.

Aan de muur van zijn architectenbureau hangen behalve affiches van projecten van Le Corbusier en Venetiaanse palazzi twee close-ups van zijn eigen gebouwen. Een toont de prachtige, puntvormige metalen balkons aan de achtergevel van zijn wooncomplex aan de Weesperstraat, die richting zon gedraaid zijn. De andere foto laat een detail zien van profielen aan de woongebouwen aan het Wilhelminapark, door de adviescommissie van de Wibautprijs geroemd om hun afwerking. “Maar hier ging het fout”, kritiseert Uytenhaak (1949). “De metalen hoekstrip had door moeten lopen in plaats van te eindigen op de hoogte van het raamkozijn. Een detail, maar ik erger me eraan. En hoe vaak ik ook op de bouw rondloop, er gaat altijd wel iets mis.”

Dat de gemeente Amsterdam de driejaarlijkse stedebouwkundige prijs van 15 000 gulden aan Uytenhaak toekent, ligt voor de hand. Hoewel hij de laatste tijd steeds meer buiten de hoofdstad bouwt - momenteel wordt gewerkt aan winkels en woningen in Den Haag en aan culturele centra in Apeldoorn en Roermond, terwijl afgelopen week de nieuwe vleugel van het raadhuis van Landsmeer werd opgeleverd - bevinden de meeste projecten die hij tot nu toe realiseerde, zich in Amsterdam. Het meeste is sociale woningbouw, met altijd een opvallende aandacht voor de stedebouwkundige situatie, voor de afwerking en voor individuele wooneisen. Telkens weer bewijst Uytenhaak dat ook binnen de krappe budgetten voor sociale woningbouw veel mogelijk is.

“Het is een kwestie van aandacht en er ontzettend veel energie in steken”, verklaart Uytenhaak. “Als je kennis hebt van bouwprocessen en -materialen, kun je onderhandelen met de aannemer en met de fabrikant overleggen hoe iets zo goedkoop mogelijk te leveren is. Het leukste is om op het beton te besparen; dat ziet niemand en van het geld dat je overhoudt, kun je de gevels en de afwerking beter maken. In het Wilhelminapark kreeg ik de aannemer zo ver dat de muren en de vloeren in een keer werden gestort, volgens het zogenoemde tunnel-procede. Dat bespaarde veel tijd en arbeidskosten, die voor de afwerking konden worden gebruikt.”

Kinderziektes

Sinds zijn afstuderen aan de technische hogeschool in 1973 (met Jo Coenen en Sjoerd Soeters) ontwikkelde hij woningbouwplannen voor de Weesperstraat als activist en buurtarchitect. Als medewerker van het bureau Van Eyck en Bosch werkte hij mee aan de nieuwbouw voor de Nieuwmarktbuurt en als publicist en redacteur van het architectuurtijdschrift Forum kritiseerde hij de kinderziektes van de stadsvernieuwing. Vanaf 1975 werkte hij als docent aan de Amsterdamse Academie van bouwkunst en in '90 trad hij toe als hoogleraar architectonisch stedebouwkundig ontwerpen aan de TU Eindhoven.

Zijn eigen architectenbureau startte in 1980 en maakte naam met een spraakmakend woongebouw aan de Droogbak (1986) in de hoofdstad, een zeer opvallend gebouw met schuingeplaatste geluidsschermen langs het spoor. Het werd vergeleken met een kantoorkolos en met het Maupoleum, het betonmonster uit de jaren zestig dat zonder enig maatgevoel tussen de historische panden van de Nieuwmarktbuurt staat. Een ongenuanceerde vergelijking, daar Uytenhaak weliswaar beton en grootschaligheid toepast, maar dan met aandacht voor de manier waarop zijn gebouw in de stad staat en het straatbeeld mede bepaalt.

Bovendien heeft hij aandacht voor de afwerking en details als de lichtbreking binnen de gevels. Niet voor niets werkte hij voor Aldo van Eyck, erkent hij; diens aandacht voor het totaal en het detail tegelijk is hem volledig eigen geworden.

Uytenhaak hoort bij de generatie architecten die zowel de grootschaligheid van de jaren zestig als de truttigheid van de jaren zeventig verwerkt heeft. In zijn gebouwen gaat monumentaliteit samen met aandacht voor wooneisen. 'Ruimte is mooier dan de gevel', luidt een van Uytenhaaks credo's. “Eerst maak je stedebouwkundig mooie zones, vervolgens vraag je een architect die te stofferen. De sfeer van de straat is bepalend, de detaillering van de gevels komt daarna.”

Zijn grootste grief is dat standaardkwaliteit eenzijdig tot norm werd verheven.

“Sinds het begin van de stadsvernieuwing is heel veel vernield. Er kwam een enorme onderschatting van de historische stratenplannen, de zichtlijnen in de stad. Met dwars geplaatste bouwblokken en korte straatjes maak je die kapot. Ik zou terug willen naar wat in de 19e eeuw wel kon: het maken van mooie lanen en boulevards met aandacht voor straatbekleding en details.”

De historische cocktail van de stad met problemen als drukte, verkeer en geluidsoverlast ziet hij als een complex van aanknopingspunten die hij kan gebruiken. “Oude steden zijn gegroeid en daardoor vaak interessanter dan nieuwe. Voor mij betekent ontwerpen het regisseren van een complex geheel van gegevens, maten en verhoudingen. Daarbij pluk ik stukjes uit het werk van andere architecten en verwerk die - dat wil zeggen, ik probeer de essentie te pakken in plaats van de hele fruitmand te tonen. Het duurt dan ook altijd heel lang voor ik beslis hoe het wordt. Ik ben een kruidenier, die net zolang wikt, weegt en doorpuzzelt tot ik voor alle eisen de beste oplossing gevonden heb.”

Gedraaide vlakken

De drie urban villas aan het Koningin Wilhelminapark in AmsterdamNieuw-West tonen de meeste van Uytenhaaks uitgangspunten. De gevels bestaan uit verschillende vlakken, die ten opzichte van elkaar iets gedraaid zijn. Hierdoor konden vijf appartementen per laag worden gebouwd in plaats van vier, terwijl de gevels de zichtlijnen in het gebied volgen en de bewoners een maximaal uitzicht op het park kregen, plus een balkon dat richting zon gedraaid ligt.

En net als in zijn eerdere woningbouwprojecten verbaast Uytenhaak met wat hij binnen het standaardbudget wist te realiseren. De begane grond is bekleed met matzwarte tegels en zachtgrijze granietsteen en de hal heeft fraaie lichtarmaturen en kozijnen van eikehout. De gevels zijn beurtelings van glas en plaatmateriaal en vlakken van gele baksteen. En een hoogstandje van budgettering: “Voor het contrast en de lichttoetreding wilde ik graag vliesgevels toepassen, maar die kosten standaard ruim 500 gulden per m2, terwijl het budget niet meer dan 350 gulden toeliet. Voor die prijs hebben we ze zelf van verschillende materialen aan elkaar gefantaseerd.”

Binnen een beperkt budget is veel mogelijk, stelt Uytenhaak. “Maar de citroen is ooit een keer leeg. Bovendien wordt het omgedraaid als argument gebruikt: wanneer je met een woningbouwbudget woningen kunt maken met de kwaliteiten van utiliteitsbouw, zou je ook utiliteitsbouw moeten kunnen maken voor een woningbouwbudget. Ik wil juist graag ook in de utiliteitssector bouwen, om eens met iets meer rek in de kosten te kunnen werken. Bovendien bestaat het honorarium van de architect merkwaardig genoeg uit een vastgesteld percentage van de bouwsom. Door met krappe budgetten te blijven werken, benadeel ik mijn eigen bureau.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden