'Het blijft een ongezond instituut'

In zijn roman 'Walter' poogt Daniël Rovers te begrijpen hoe zijn rooms-katholieke vader het in de jaren vijftig volhield op het seminarie. 'Ik wil het mensen moeilijker maken om een pasklaar oordeel te vellen.'

Toen Daniël Rovers klein was, bladerde hij wel eens door de fotoalbums van zijn vader. Gefascineerd zag hij hem daarin foto na foto ouder worden, eerst als tiener op het seminarie IJpelaar in Breda, en later, als twintiger, op het grootseminarie Bovendonk in Hoeven. Het was een wereld die Rovers vreemd was. "In mijn beleving was zo'n seminarie een vreselijk star, disciplinair instituut. Ik snapte niet hoe mijn vader het daar zoveel jaar had uitgehouden."

In zijn tweede roman 'Walter' heeft Rovers (35), die vorig jaar debuteerde met 'Elf', een poging gedaan het wél te begrijpen. Walter is een historische roman over het Brabant van de jaren vijftig en zestig, toen daar het rijke roomse leven nog volop bloeide en elke familie wel iemand op het seminarie had zitten. "Ik vroeg me af: wat zou ik zelf hebben gedaan als ik was opgegroeid in die tijd? Hoe was dat? Met mijn vader had ik het daar als kind nooit over. Wij hadden niet zo'n praatrelatie."

Zijn vader kwam een heel eind, maar de eindstreep haalde hij niet, vertelt hij. "In zijn laatste jaar, hij was toen al achter in de twintig, besloot hij het seminarie te verlaten en van het priesterschap af te zien. Dat was vanwege het celibaat. Hij verliet het seminarie, trouwde en ging lesgeven aan een middelbare school, maatschappijleer en godsdienst."

Rovers situeert zijn verhaal op hetzelfde seminarie als waar zijn vader heenging. Walter, de held van het boek, maakt het seminarie wél af, maar priester wordt hij evenmin. In de aanloop naar zijn priesterwijding heeft hij in toenemende mate moeite met zijn roeping. 'Eenzaamheid betekent niet dat je alleen bent, maar dat je niet alleen wilt zijn', denkt Walter. Tegen zijn bisschop zegt hij: 'Mijn opdracht is parochianen geestelijke bijstand te geven, ik moet ze steunen in uren van nood... Ik weet zelf niet wie ik ben, of wat ik kan, waar ik naartoe wil met mijn leven. Hoe zou ik dan anderen moeten zeggen hoe ze leven moeten?'

Voelt Walter zich voor het priesterschap niet goed voorbereid, voor het bestaan buiten de kerkmuren is hij zo nodig nog slechter toegerust. Hij verlaat zijn parochie, huurt een flatje in Rotterdam, een vrouw komt in zijn leven, verdwijnt weer: het leven als leek valt hem zwaar.

Waarom heeft u dit boek geschreven?
"Wat ik hoop te bereiken met mijn boek is een soort historische schok. Er heerst tegenwoordig een liberale consensus; religie is gemarginaliseerd. We kunnen ons nauwelijks meer voorstellen hoe het vroeger was. Achteraf is het heel makkelijk om de katholieke zuil uit de jaren vijftig en zestig als achterlijk weg te zetten. Zeker nu de kerk in de goot ligt door de misbruikschandalen. Ik wil het mensen moeilijker maken een pasklaar oordeel te vellen."

Heeft u als kind veel van het katholieke geloof meegekregen?
"Nee, ik ben er amper mee opgegroeid. We woonden in Velswijk, een dorp in de Achterhoek dat zelfs te klein is om er een eigen kerk op na te houden. We gingen naar de kerk in Doetinchem. Mijn vader eens in de twee weken, mijn moeder eens per maand en ik een keer in de twee maanden. Als puber kreeg ik een hekel aan de kerk. Daar zaten alleen maar saaie permanentjes. Op een avond besloot ik niet meer te gaan. Het was geen pijnlijke breuk. Mijn vader keek wat sip, mijn moeder vond het prima. En dat was dat."

Heeft u ooit in God geloofd?
"Ik ben atheïst. Altijd geweest volgens mij. Of wacht: ik heb misschien heel even, heel kort, geloofd. In de brugklas had ik het moeilijk. Een paar maanden lang heb ik vurig gebeden dat ik populair zou worden." Grinnikend: "Het werkte. Daarna had ik God niet meer nodig... Ik bad geloof ik ook om meer te scoren als linksbuiten van de plaatselijke voetbalclub Keijenborgse Boys. Dat helaas zonder succes."

Hebben uw ongeloof en uw 'hekel' aan de kerk u bij het schrijven van het boek niet belemmerd? Kon u navoelen wat een katholieke priester-in-opleiding doormaakt die tot het besluit komt de kerk te verlaten?
"Dat is juist het grandioze van wat literatuur vermag. Je hoeft het niet zelf te hebben meegemaakt om het toch te kunnen beschrijven. Flaubert kon een boek schrijven over een doktersvrouw op het platteland. Daar had hij geen enkele persoonlijke ervaring mee, maar geloofwaardig is zijn boek wel."

Toch is het religieuze aspect opvallend afwezig in uw boek. Walter maakt een grote ommezwaai, maar zijn overwegingen, zijn twijfels, zijn worstelen met God - daar moet je als lezer zelf naar gissen. Walters geloofscrisis vindt plaats tussen de regels door.
"Geloofscrisis, geloofscrisis... Dat is ook maar een etiket. Hoe belangrijk is die religieuze component? Je zou ook kunnen zeggen dat Walter in een depressie zat of domweg dat hij eenzaam was. Gecompliceerder dan dat hoeft het niet te zijn."

Speelt het geloof of het godsbeeld van Walter dan geen rol in zijn keuzes?
"Misschien wel, maar waar het mij vooral om gaat, zijn de algemene, menselijke ervaringen die daarachter liggen. Die heb ik, hoop ik, invoelbaar gemaakt."

Herkent uw vader zich in de wijze waarop u het seminarie heeft beschreven?
"Ik geloof van wel. Ik heb er tijdens het schrijven ook uitvoerig met hem over gesproken. Mijn vader zat op het seminarie in een idealistische, activistische tijd. Critici waren ze. Wereldverbeteraars. Dat heb ik expliciet laten terugkomen in het boek. Deze jongens stonden aan het begin van een katholieke reformatie - die overigens mislukte: Rome heeft de meeste vernieuwingen weer net zo hard teruggedraaid.

Toch is mijn vader nog steeds zeer actief in de kerk. Geloof is voor hem: niet vroom zijn, maar de handen uit de mouwen steken. Zelf sta ik daar ambigu tegenover. Ik heb dat activistische niet, maar schat het wel op waarde."

U had vroeger een negatief beeld van het leven op een seminarie. Is dat veranderd?
"Kijk, eigenlijk ging het gewoon om een groep jongens die kameraden werden en de toekomst vol vitaliteit en optimisme tegemoet zagen. Wat dat betreft is mijn beeld genuanceerder geworden. Maar een streng instituut, dat blijf ik het vinden. En ook de volstrekte afwezigheid van vrouwen, die totale taboeïsering van seks, tja dat vind ik nog steeds... eh, ongezond."

Seksueel misbruik komt niet voor in het boek. Of het moet die ene scène zijn waarin Walter bij een docent van het seminarie op de kamer komt en vertelt dat hij pijn heeft in zijn lid. De docent bekijkt het en constateert dat Walter naar de dokter moet. Je voelt een bepaalde spanning in die passage - maar er gebeurt niets. Of wel?
"Ik weet het ook niet. Ik wil het aan de lezer overlaten om dat te bepalen. De lezer wordt gedwongen in de positie van de regent van het seminarie. Die man daar met die jongen, is dat wel goed wat ze doen?" Hij denkt na: "Het is niet zo dat ik het katholieke geloof wil rehabiliteren, maar de vraag of er ook seksueel misbruik in het boek zit, heeft iets obsceens, vind ik. Iets verlustigends. Dit is een boek over seminaristen, niet over seksueel misbruik."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden