Boekrecensie75 Jaar Bevrijding

‘Het bittere kruid’ leest als een dystopie

Beeld ANP

Tot bevrijdingsdag bespreekt Letter & Geest wekelijks een oorlogsklassieker. In januari: de Jodenvervolging in Nederland. Vandaag: ‘Het bittere kruid’.

Het antisemitisme kwam natuurlijk niet pas met de nazi’s ons land binnenvallen in 1940, het was er al. Dat is het aangrijpendste in ‘Het bittere kruid’ (1957): hoe gewoon de mensen die opklimmende anti-Joodse maatregelen lijken te vinden. Marga Minco (1920) laat het tot je doordringen via ingehouden, sobere scènes. Haar verhaal opent in Breda waar de jonge vertelster en haar vader naar huis terugkeren na een korte evacuatie in het begin van de oorlog. Ze ontmoeten een buurman die zijn zorgen uitspreekt over de toekomst. Het is druk op straat, veel vreemde auto’s en motoren. “Er passeerden ons nu geregeld soldaten van de bezettingstroepen. We liepen er gewoon langs. “‘Zie je wel,’ zei mijn vader, toen we al bijna thuis waren, ‘ze doen ons niets.’ En terwijl we voorbij het hekje van de buurman liepen, mompelde hij nog eens: ‘Ze doen ons niets.’”

Nieuwe wetten

Die bezwering wordt al gelogenstraft in het volgende hoofdstuk waarin de vertelster terugdenkt aan kleine pesterijen van jaren eerder: zij en haar zusje werden onderweg naar school uitgescholden, kinderen mochten niet bij hen komen spelen. Die toen nog verholen vijandigheden zijn door de bezettingsmacht nu omgezet in regels en wetten. In ‘De sterren’ naait het gezin de Jodensterren aan hun kleren wat gezien de vier punten nog best een gedoe is. In ‘De foto’s’ wordt op initiatief van de moeder een fotograaf bezocht: “Weet je het is zo’n aardig aandenken voor later”, zegt een buurvrouw. “Je kunt nooit weten wat er nog zal gebeuren en dan heb je tenminste een foto van elkaar.” In ‘Het gebeurde’ blijkt de oudere zus van de ‘ik’ te zijn weggevoerd. De vertelster verwoordt de gruwel zonder het echt te zeggen: “Toen die morgen het telegram uit Amsterdam kwam, was mijn eerste gedachte: iemand moet zich vergist hebben. Maar dat was niet zo.”

Wat er gebeurt is ongelooflijk maar iedereen doet alsof het normaal is. ‘Het bittere kruid’ leest nu als een dystopie over een onafwendbare apocalyps. Onafwendbaar gezien de werkelijkheid buiten het gezin, waar bezorgde en angstige lotgenoten zijn, maar ook weinig invoelende omstanders die hun eigen voordeel zoeken. Echt in en in treurig is in ‘In bewaring’ hoe een buurmeisje langskomt voor het tennisracket van de vertelster: “Ik dacht, ik zal het maar vragen. ’t Is zonde als het in de kast blijft staan en er komt voorlopig toch niks van tennissen bij jullie.”

Nergens wordt gesproken over de Duitsers. Minco zei in een interview met Jan Brokken in 1980 dat ze dat woord in 1957 nog niet uit haar pen kon krijgen. Een overvalwagen die de straat in rijdt, zwarte laarzen die opduiken voor het souterrainraam – dat was genoeg, vond ze. De naam van de vertelster wordt niet genoemd, ook haar nieuwe naam niet, die ze krijgt als ze gaat onderduiken. Het laat de eenzaamheid van deze jonge vrouw die zonder familie achterblijft in een van haar afgekeerde wereld nog sterker voelen.

Kinderogen

Minco boetseerde lang aan de tekst. Ze schreef verschillende versies en bleef zelfs na het succes, vertalingen en volgende drukken (het boek is nu aan zijn 59ste druk toe) nog aan het verhaal sleutelen. “Geen twee woorden als een woord genoeg is.” Die geserreerdheid kenmerkt ook de latere teksten van Marga Min­co, zoals het korte verhaal ‘Het adres’ waarin een Joodse vrouw aanbelt bij de vrouw aan wie haar in Auschwitz vermoorde ouders hun spullen in bewaring hebben gegeven en ze in de woonkamer van de afwerende bewoonster verloren bezittingen herkent. Of de korte roman ‘Een leeg huis’ waarin Minco de eerste jaren na de oorlog schetst waarin van een thuiskomst geen sprake kan zijn. “De jaren vijftig waren ellendig” vertelde Minco aan Brokken. Je moest leven naast mensen die geen idee hadden van wat je overkomen was, dat eigenlijk ook niet wilden weten en het er liever niet over hadden, uit schaamte of schuldgevoel. Minco ging schrijven om het verleden terug te halen, de doden in leven te houden.

“Marga Minco schrijft alsof de oorlog alleen maar beschreven kan worden door de ogen van een kind of een bijna-volwassene”, constateerde Arnon Grunberg eens treffend. Een kind kijkt naar de wereld met verwondering maar aanvaardt de buitenwereld ook als een gegeven. Dat samengaan van vervreemding en naïviteit geeft ‘Het bittere kruid’ haar uitzonderlijke zeggingskracht. Het snoert je keel dicht. Nog steeds.

Marga Minco
Het bittere kruid
Prometheus/Bert Bakker; 96 blz. 

Lees ook:

Nooit meer buitenstaander

Tot Bevrijdingsdag bespreekt L&G iedere week een klassiek oorlogsboek. Allereerst ‘Quarantaine’ van G.L. Durlacher uit 1993. 

De oeuvreprijs voor Marga Minco krijgt bittere bijsmaak

Pijnlijk toeval: de bestuursvoorzitter van de aan Marga Minco toegekende P. C. Hooftprijs is een kleinkind van het paar dat na de oorlog familiebezit van de Joodse Minco’s inpikte.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden