HET BEWUSTZIJN VAN HET GEHEIM

Tegenover een cultuur die openheid als de hoogste waarde beschouwt en tegenover Nietzsche's walging over de vervlakking van alle gebeurtenissen tot een oneindige verzameling van onthoofde feiten staat het bewustzijn van het geheim. Wat de literatuur levend heeft gehouden - en daarin is ze verwant met de religie - is dit bewustzijn van het geheim dat in de zichtbare werkelijkheid verborgen ligt. Voor die categorie hadden onze voorouders het begrip 'heilig'.

HANS ESTER

Het is voor ons ondenkbaar dat er ruimten bestaan die niet voor ons toegankelijk zijn. Zulke ruimten bestonden er vroeger wel: de Verboden Stad in Peking bij voorbeeld. Wellicht berust de aantrekkingskracht van een verschijnsel als de Verboden Stad op de zeldzaamheid ervan in een wereld van totale openbaarheid en beheersbaarheid.

Het curieuze verschijnsel doet zich voor dat er binnen de cultuur van de toegankelijkheid ruimten als enclaves zijn blijven bestaan die de sfeer van het geheim, van het andere, van het onbetreedbare, hebben bewaard. Het is vervolgens bijna ironisch te noemen dat deze geheimzinnige ruimten zich daar bevinden waar de mens deel uitmaakt van een anonieme massa: op de kermis of in de Efteling met een technisch vernuftig geconstrueerde vaartocht door de zalen van de Fata Morgana, waarbij deuren en voorhangen pas op het laatste moment opengaan. Voordat je in de Efteling die ruimten mag binnengaan, moet je eerst een merkwaardige weg afleggen over een plein dat via afbakenende stangen in een reeks parallel lopende paden is herschapen. Geduld en moeite zijn nodig om tot die geheimzinnige wereld binnen te dringen, al blijkt het spookslot wel erg onecht en belachelijk.

De cultuur van de warme luchtsluis, van de draaideur en van de door middel van een onopgemerkt oog automatisch openschuivende deuren heeft niet de behoefte kunnen wegnemen aan een ruimte die niet zo maar toegankelijk is. Om het positief uit te drukken: de behoefte is gebleven aan een ruimte die slechts na grote inspanning toegankelijk is. En mogelijk ook aan een ruimte die ontoegankelijk dient te blijven. In computerspelletjes wordt aan die behoefte voldaan. De held is opgesloten in een kasteel en moet, de ene na de andere hindernis nemend, zijn weg naar buiten zien te vinden.

Binnen de traditie van onze cultuur, mogelijk zelfs van een universele cultuur, zijn deur en poort van het uiterste belang als beelden van diep in ons sluimerende verlangens en angsten. Die traditie is voor een deel traceerbaar, bij voorbeeld met behulp van de Bijbel, waarin de tijd van het menselijk bestaan als reeks ruimtelijke beelden wordt voorgesteld. Het woord weg neemt in de concordantie bij de Bijbel meer dan twee dichtbedrukte bladzijden in beslag. In Exodus is sprake van de 'rechte weg' en in Richteren van 'de weg des Heren'. In Mattheus 7 horen we over 'de smalle weg die ten leven leidt'.

Deze uitdrukking herinnert aan de bekende allegorische voorstelling van het leven als keuze tussen de brede en de smalle weg, zoals die door een pietistische vrouw in het Zwaben van de negentiende eeuw is getekend. De toegang tot de smalle weg is een poort, terwijl de brede weg geen belemmeringen kent en de mens meteen de speelzaal binnenhaalt.

De religieuze betekenis van de ruimte komt het sterkst tot uitdrukking in de beschrijving die in 1 Koningen 7 en 8 van de door Salomo gebouwde tempel wordt gegeven: "Vervolgens brachten de priesters de ark van het verbond des Heren naar haar plaats, de achterzaal van het huis, het heilige der heiligen, onder de vleugels der cherubs; want de cherubs spreidden beide vleugels uit over de plaats der ark, zodat de cherubs de ark en haar draagbomen van boven overdekten."

Het sprookje heeft een speciale voorkeur voor ruimten die pas betreden kunnen worden wanneer degene die de opdracht heeft gekregen die ook vervult. De psychologie en de psychoanalyse hebben de weg van de uitvoerder van de opdracht als een innerlijke weg uitgelegd. Maar afgezien van de vraag naar de legitimiteit van zo'n uitleg is in het verhaal altijd sprake van een taak die moet worden uitgevoerd om verlossing te bewerkstelligen. De ruimte is hierbij een wezenlijk gegeven, zowel de open ruimte in bos en veld als de gesloten ruimte in kastelen, grotten of bergen.

Het sprookje leeft van geboden en verboden. Het verbod kan een woord gelden of een ruimte, zoals de tuin van de heks in Repelsteeltje. Het motief van de verborgen tuin is in de jeugdliteratuur buitengewoon vruchtbaar geweest. Een klassiek voorbeeld van een ommuurde tuin die een schat aan heerlijke geheimen herbergt, is The Secret Garden uit 1911 van Frances Hodgson Burnett. In een verhaal van Astrid Lindgren wordt het motief van de geheime tuin verbonden met de ellende van twee weeskinderen, broer en zus. Deze twee kleumende en hongerige kinderen vinden aan de andere kant van de muur een door de zon beschenen tuin met struiken en bomen om hen te voeden. Je hoeft geen kind te vertellen dat de twee kinderen met het betreden van de geheime tuin de poort van de dood zijn doorgegaan. Dat maakt het tot zo'n heerlijk en tegelijkertijd treurig verhaal.

Er zijn twee terreinen van ons leven waar de gesloten deur nog altijd een essentiele belevenis is: onze dromen en de literatuur.

In het derde hoofdstuk van de door Nietzsche bewonderde roman Der Nachsommer (1857) van Adalbert Stifter is Heinrich Drendorf onderweg op ontdekkingsreis door de bergen en dalen van zijn vaderland. In plaats van een maatschappelijke carriere kiest hij ervoor de wereld te leren kennen.

Op een dag daalt hij af van de helling om via het dal bij de volgende bergketen uit te komen. Omdat er onweer dreigt, besluit hij echter om zijn tocht te onderbreken en beschutting te zoeken in een huis dat hij op een heuvel ziet liggen. Terwijl een groot deel van het landschap al in de schaduw van de onweerswolken ligt, wordt het huis door de zon beschenen. Wanneer hij naderbij komt, ziet hij dat het huis tot waar de eerste verdieping begint bedekt is met rozen: "De struiken waren zo verdeeld, en verzorgd, dat nergens een gat bestond, en dat de muur van het huis tot waar de rozen reikten, volkomen erdoor bedekt was."

Hij vindt geen ingang, geen deur en geen poort. Aan beide kanten van het rozenhuis bevindt zich een tuin die door een hoog groen hek is omsloten. Hier in dit hek zou de toegang moeten zijn. "En zo was het ook. In het hek dat het dichtst bij de weg lag, ontdekte ik de deur of beter gezegd twee vleugels van een deur, die zodanig deel vormden van het hek dat ze op het eerste gezicht niet van het hek te onderscheiden waren."

De man die in het rozenhuis woont, verleent Heinrich voor enkele uren onderdak, hoewel hij er zeker van is dat er geen onweer zal komen. Het contact met het rozenhuis wordt vervolgens van jaar tot jaar vernieuwd totdat Heinrich waardig wordt bevonden om de naam en de geschiedenis van zijn gastheer te vernemen en bovendien wordt ingewijd in de ruimten van het rozenhuis en hun verborgen kunstschatten.

Het woord inwijding is hier van cruciale betekenis. Bij Adalbert Stifter is de toegang tot de ruimte van een mens de toegang tot de mens zelf. Voor het nader komen tot een mens is tijd nodig, omdat die mens zelf een ruimte vormt die zich pas opent na een innerlijk proces van toenadering. Een groter contrast tot de snelheid waarmee in onze tijd relaties tot stand komen, is niet denkbaar. In de radicaliteit van de keuze voor het individu en zijn 'ik wil!' moet de reden van Nietzsches sympathie voor deze roman hebben gelegen.

De waarde van Der Nachsommer ligt voor mij in de bescherming van datgene wat niet alledaags mag worden. In Der Nachsommer is er de grote ruimte van de gletsjers, die de menselijke maat zo sterk te boven gaan dat de mens zich huiverend moet afwenden. En er is de kleine, menselijke ruimte van het rozenhuis, die zich pas opent voor diegene die eerst in een innerlijke ontwikkeling de sleutel daartoe heeft gevonden. Het tegendeel van de verwondering over de ontdekte geheimen heeft Nietzsche in zijn tweede Unzeitgemae Betrachtung beschreven, het geschrift Vom Nutzen und Nachteil der Historie fur das Leben (1873). "Over niets meer bovenmate verbaasd en verwonderd te zijn" , "alles zich te laten welgevallen" - dat ziet Nietzsche als het gevaar van het onweersproken menselijk ideaal van zijn tijd. De 'Bildung' van zijn tijdsgewricht leidt volgens Nietzsche uiteindelijk tot totale vervlakking en tot walging, omdat alles eender is.

Wat de literatuur levend heeft gehouden - en daarin is ze verwant met de religie - is het bewustzijn van het geheim dat in de zichtbare werkelijkheid verborgen ligt. Dat geheim wordt beeldend uitgedrukt door de ruimte die vragen stelt aan diegene die tot haar wil worden binnengelaten.

De enige plaats waar het menselijk bestaan zulke raadsels opgeeft dat wij de voorstelling van de gescheiden ruimten nodig hebben en die voorstelling collectief beleven is de aula van de begraafplaats waar wij van de doden afscheid nemen. Het ritueel van de begrafenis houdt de gedachte van de poort naar een ander bestaan levend. Maar de symboliek die we in aula's van begraafplaatsen vinden, kan wel eens moeilijk te verdragen zijn. Wie ooit in de aula van de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam is geweest en een uur naar die geknakte palmen heeft gekeken, zal begrijpen hoe mijn gevoelens zijn.

De literatuur heeft met betrekking tot het geheim van de dingen en de sleutel tot het verborgene een bewustzijn bewaard dat ik elementair acht voor een harmonisch leven en een harmonische samenleving. Tegenover de door Nietzsche gevreesde walging over de vervlakking van alle gebeurtenissen tot een oneindige verzameling van onthoofde feiten staat het bewustzijn van de ervaring die hoger is dan de calculerende mens verwacht.

Voor die categorie hadden onze voorouders het begrip 'heilig'. Het is in onbruik geraakt, evenals het door Nietzsche positief gebruikte woord 'pieteit', omdat de ervaring van het heilige zelf geen status meer had. Dat het boek Das Heilige van Rudolf Otto sinds het verschijningsjaar 1917 vaak is herdrukt, vat ik op als een teken des tijds.

Rudolf Otto is niet de uitvinder van het begrip 'numineus', maar hij heeft de betekenis daarvan mede gevormd. Numineus (van het Latijnse numen: knik, goddelijke openbaring) betekent: afkomstig van datgene dat totaal anders is dan de mens, van het goddelijke dat een mysterie is. Binnen dat numineuze noemt Otto zes kenmerken. Een ervan is het Mysterium tremendum, het huiveringwekkende geheim. Wat gebeurt er met die menselijke huivering? Otto zegt dat deze huivering in een stil en deemoedig verstommen van de creatuur kan veranderen. Maar stil tegenover wie en wat? "Tegenover dat (of die) wat in het onzegbare geheim boven alle creatuur is" .

Als voorbeeld van literatuur die het onzegbare tegen beter weten in wil weergeven in taal, geeft Otto in een Duitse vertaling van eigen hand de woorden weer van het koor der engelen uit Vondels tragedie Lucifer.

Wer ist es der so hoch gesessen,

So tief im grundelosen Licht,

Von Ewigkeiten ungemessen!

Er tragt, getragen wird er nicht.

De gesloten ruimte als hoeder van het geheim en de mens die zijn opdracht uitvoert en daarbij tot ervaringen komt die Rudolf Otto globaal samenvattend als het 'numineuze' omschreef, die constellatie heb ik in mijn leven als wezenlijk ervaren.

Die ruimte als openbaring van het verborgene kan zo klein zijn als een druppel water. Nergens vind ik dat mooier en ontroerender beschreven dan in het verhaal 'De druppel' uit de bundel De Keizervis van de Siberische schrijver Viktor Astafjev: "Aan de punt van een langgerekt wilgeblad rijpte een ovale, voller wordende druppel. Zwaar en bang om de wereld met zijn val te verstoren bleef hij verstild hangen.

Ook ik verstilde. (. . .)

Zwaar en doorschijnend hing de druppel boven mij. Het wilgeblad hield hem vast in zijn goot. De zwaarte van de druppel kon de veerkracht van het blad nog niet overwinnen. 'Niet vallen! Niet vallen!' smeekte en bezwoer ik en alles aan en in mij gaf zich over aan die alles beheersende rust.

In het diepst van de bossen meende je iemands adem en zijn zachte voetstappen te horen. En boven je was wel de logische maar toch geheimzinnige beweging van de wolken en misschien andere werelden of 'gevleugelde engelen'?! In zo'n paradijselijke stilte ga je aan engelen geloven, aan eeuwige zaligheid, aan de uitroeiing van het kwaad en herrijzenis van het eeuwig goede" .

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden