Het beschavingsracisme van Komrij, Fortuyn en Bolkestein

Allochtonen met moslimachtergrond mogen zich in een continue belangstelling verheugen. De islamitische welzijnspartij in Turkije, de geimporteerde etnische tegenstellingen uit datzelfde land, de islamitische basisscholen en de imamopleiding in Nederland zijn dankbare onderwerpen. Waarbij nog komt dat de heren Fortuyn, Komrij en Bolkestein ons hebben verblijd met hun bij lancering naast de kassa van kiosken liggende werkjes 'Tegen de islamisering van onze cultuur'; 'Niet te geloven' en 'Moslims in de polder'.

ABDULWAHID VAN BOMMEL

In het eerste boekje beweert de schrijver zich zorgen te maken over drie zaken die hem opvallen in de moslimaanwezigheid in Nederland. Dat zijn: de afwezigheid van de scheiding kerk-staat in het moslimgedachtengoed; de verhouding man-vrouw en de manier van opvoeden van moslimouders. Voor Komrij is de islam geen luchtspiegeling maar een echt probleem. Hij verbaast zich erover dat er niemand is die de Mekka-intolerantie ook maar wil bestrijden. Tenslotte een godsdienst die uit is op inquisitie en verovering: De infantiele ongeremdheid van de besnorde en betheedoekte jihad-roepers, met het zand nog in hun oren, bedreigt niet alleen de laatste resten christendom, maar al onze op geestdrijverij bevochten waarden. Net als de andere best-seller auteur over moslims, Bolkestein, wordt hij plotseling christen als hij naar moslims uithaalt. Bolkestein is de vriendelijke beul, geen moslim mag Europa in en ondertussen interviewt hij ze en noteert ijverig hun sociaal wenselijke antwoorden. Hij gaf in zijn artikel van 12 september 1991 in De Volkskrant exact dezelfde argumenten die Fortuyn verder in zijn 'Tegen de islamisering' uitwerkte. In een interview in Het Parool van 24 februari 1996 geeft Bolkestein aan het nog steeds niet te hebben begrepen. “Waar was al die heisa om,” vraagt hij zich af, “twee jaar later zei de koningin - dat wil zeggen schreef wijlen minister Ien Dales - in de troonrede zelfs dat buitenlanders zich niet alleen moesten aanpassen aan de wet, maar ook aan de omgangsvormen hier.” Aanpassen aan de wet en omgangsvormen is dus hetzelfde in zijn ogen als het aanbrengen van een rangorde in beschavingen waarbij die rangorde voornamelijk wordt onderbouwd door de bekendheid met de eigen beschaving en de onbekendheid met die van 'de ander'.

Voor alle drie de smaakmakende schrijvers staan moslims minstens een paar treetjes lager in de beschavingshiërarchie van de wereld dan de mensen die menen deel uit te maken van judeo-christelijke en humanistische beschavingen. Alle drie kunnen op elk gewenst moment de meest extremistische uitingen van politiek en militant activisme aan de islam toeschrijven en hanteren daarom een vrij willekeurig en vertekend beeld van die leefwijze. Alledrie staan zij aan de basis van een even moeilijk achterhaalbaar als onvermijdelijk beschavingsracisme, waarvan de kern luidt: bepaalde volken, culturen en beschavingen hebben gewoon hun tijd gehad. Het denken en doen van Native Americans, Aboriginals en delen van de (moslim)bevolking van Afrika en Azië is naar eigen vermogen optimaal tot ontwikkeling gekomen in de geschiedenis van de mensheid. Men hoeft zich over het verdwijnen van het wereldtoneel van deze bevolkingsgroepen niet op te winden. Dat een superieur deel van de wereldbevolking daarin een bepaalde rol speelt kan hen niet worden kwalijk genomen. Het maakt allemaal deel uit van een groot plan waarin niemand echt persoonlijk verantwoordelijk is. Blavatsky en Steiner zijn hen daarin voorgegaan.

De artikelen 'De imams creëren hun eigen Marokkaanse Staphorst' van Ede Botje en Ali Lazrak in Vrij Nederland van 5 oktober 1996, 'Neder-Islam' van Aart Brouwer in de Groene Amsterdammer van 30 oktober 1996, 'Nieuwe scholen, oude ruzies' van Greta Riemersma in De Volkskrant van 28 juni 1997 en 'De plannen van de islam met Nederland' van Margalith Kleijwegt in Vrij Nederland van 5 juli 1997 tonen dat journalisten die het onderwerp al enige tijd serieus volgen een stuk beter zijn ingevoerd in de materie dan de onderzoekers van het Sociaal Cultureel Planbureau en die van de BVD. Opvallend is dat in het eerste artikel (terecht) aandacht wordt besteed aan het hel en verdoemenisgeschrift van Al Khamlichi, maar dat het boekje 'Aspecten van de Islam' van een andere Marokkaanse imam, Bakkali El Khammar, met zowel Arabische als Nederlandse tekst en een veel dialogischer toonzetting, ongenoemd blijft.

In het met humor en to the point geschreven tweede artikel citeert de schrijver uit de grote overzichtsstudie 'Nederland en zijn islam', die bij uitgeverij Het Spinhuis is verschenen: 'Met het schema van de Hollandse verzuiling in het achterhoofd zouden we islamitische dag- en weekbladen verwachten, eigen vakbonden en stadsorganisaties, politieke partijen, woningbouwcorporaties, kraamklinieken en andere gezondheidsinstellingen, eigen middelbare scholen, universiteiten en hogescholen, en misschien zelfs islamitische emigratie-stichtingen. Echter niets van dat alles'. Samen met 'Islam in beweging' van Thijl Sunier vormt dat een belangrijke aanvulling op 'Van mat tot minaret' van Nico Landman. Hoewel dat laatste werk nog wel even het standaardwerk over de institutionalisering van de islam in Nederland zal blijven. Waarmee is aangegeven dat het steeds moeilijker wordt wanneer het gaat over 'de moslims die Nederland verdient' de troebele sfeer van een 'vijfde colonne' te creëren, zoals de BVD in zijn jaarverslag 1996 doet. We weten immers langzamerhand voldoende van onze moslimallochtonen om te weten dat er sprake is van wederzijds onbegrip en wederzijdse onwil om meer tijd aan elkaar te besteden dan absoluut noodzakelijk is?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden