Review

Het begin en het einde, allebei zoek

,,We zijn het begin kwijt'', zo opent de Britse cultuurfilosoof George Steiner zijn laatste boek.

Altijd heeft men willen weten waar alles vandaan komt, waarom alles bestaat. Het begin van elk verhaal is ook altijd een verhaal over het begin, dat wil zeggen een verslag van hoe alles is begonnen, van oorsprong en betekenis. Dat geldt voor mythologie, filosofie en poëzie. Zeker: we hebben weet van de 'big bang', maar mogen niet vragen naar de oorsprong of het 'ervoor' daarvan. Er is in onze cultuur een geestelijke vermoeidheid opgetreden, zelfs een gevoel van een naderend einde: ,,De tafel wordt afgeruimd.''

Steiners 'Grammatica van de schepping' betrekt zich nu juist op het begin: dat van alles (de Schepping) en vooral dat van creativiteit (het scheppen). Met het begrip 'grammatica' bedoelt hij hoe we daaraan woorden geven; de communicatie van creativiteit. Meer nog dan een 'homo sapiens' zijn wij een 'homo quaerens', een taaldier dat vraagt.

Vaak staat Steiner stil bij de vraag waarom we überhaupt bestaan: 'waarom is er niet niets?', of positief geformuleerd, 'waarom is er iets?'. Plato heeft in zijn dialoog over de Schepping, de 'Timaeus', het antwoord op die vraag gegeven. En alhoewel Steiner uitvoerig deze dialoog bespreekt, is het merkwaardig dat hij niet daarop ingaat. In 'Timaeus' 29/30 zegt Plato dat afgunst vreemd is aan een Schepper en Hij daarom wilde dat alles zoveel mogelijk Hem zou evenaren: uit zijn goedheid schiep Hij de wereld. Misschien wilde Steiner daar niet aan: ergens stelt hij de vraag of het, in het licht van het kwaad, niet beter zou zijn geweest als er niets was geweest.

Maar we zijn er. En wat ons bestaan waarde geeft is ons vermogen om zelf te scheppen. Onze creativiteit betrekt Steiner vooral op theologie, filosofie, esthetiek en wetenschap. Wetenschap is cumulatief: men kan eenmaal verworven kennis niet nietigen; daarom is er voor Steiner ook sprake van vooruitgang in de wetenschap. Poëtische prestaties, daarentegen, staan op zichzelf, zijn kwetsbaar. De wereld zou armer zijn aan muziek als Mozart op nog jongere leeftijd zou zijn gestorven.

Wetenschap heeft veel meer samenhang met de maatschappelijke context waarin zij al dan niet gedijt. Als Galileo of Kepler zouden zijn geëlimineerd voordat zij hun lichtend inzicht aan de wereld hadden medegedeeld, dan zouden we niet voorgoed tot duisternis veroordeeld zijn gebleven. Dan zouden anderen de fakkel hebben gedragen, omdat wetenschappelijke revoluties 'in de lucht hangen', samenhangen met hun culturele context.

Steiner gebruikt als het gaat om wetenschap ook liever de term 'inventiviteit': dat is voor hem zoiets als vinden wat er al is. Het is voor hem secundair, van een lagere orde dan werkelijke creativiteit, die toch iets 'ex nihilo' heeft (schepping uit het niets), en daarmee waarachtig oorspronkelijk is. Maar de grens valt niet overal zo gemakkelijk te trekken. Creativiteit en inventiviteit vloeien in elkaar over. Het Schone en het Ware zijn inwisselbaar. Zo dat ergens duidelijk aan het licht treedt dan wel in de wiskunde. Het wiskundig bewijs is waar omdat het mooi is, en mooi omdat het waar is.

Maar waar komt onze creativiteit vandaan; welke bron spreekt zij aan? Voor Steiner is het waarschijnlijk zo dat diep in onze hersenschors bepaalde oervormen, primaire beelden, associaties en echo's resoneren. Jung (waarnaar Steiner ook verwijst) noemde dat 'archetypen'.

Steiner heeft het soms over intuïties maar men moet hem hier niet misverstaan: hij verbindt creativiteit niet zozeer met gevoel als wel met cerebrale activiteit. Die intuïties zijn eerder een innerlijk aanschouwen dan iets aanvoelen. Omdat zij in onze mentale architectuur wortelen, zullen mensen deze altijd aanspreken om uitdrukking te geven aan hun bezielingen.

Maar er zijn ook externe bronnen van scheppingsdrift. Steiner bespreekt verschillende vormen van eenzaamheid die creatieve krachten genereren. Esthetiek heeft wellicht weerstand nodig om tot zichzelf te komen. Het zou wel eens zo kunnen zijn, zegt hij, dat het moeilijker is een esthetisch en intellectueel hoogstaand werk te presteren in volkomen en onverschillige vrijheid, dan juist in weerwil van tijden en zeden. In gevangenissen en ballingschap is veel schoons geschreven en gevormd. Denkers en estheten zochten soms ook zelf de eenzaamheid. Neem Rousseau ('Dromen van een eenzame wandelaar') of Nietzsche's isolement op eenzame hoogten ('geestelijk alpinisme').

Voor Steiner is er een belangrijke samenhang tussen sterven en scheppen. Niet alleen zijn beide momenten van eenzaamheid. De verwantschap gaat dieper. Omdat de mens weet dat hij sterfelijk is, probeert hij de dood te duiden. Daaruit komen allerlei betekenisgevende verhalen voort over het begin en het einde; de mens wil scheppen om zijn betrekkelijkheid te overleven.

Onze wereld is een vruchtbare dodenakker, die gewassen van schoonheid en verhevenheid voortbengt. Maar de twintigste eeuw, de gewelddadigste, heeft de dood tot routine gereduceerd; een massagebeurtenis. Sterven is iets voor statistieken geworden. En daarmee verdwijnt het bewustzijn van onze tijdelijkheid achter de horizon die laag staat boven een leeg veld. De bron waaraan creativiteit zich laaft, raakt uitgeput. Steiner is pessimistischer dan ooit: we zijn niet alleen het begin kwijt, ook het einde is zoek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden