Het 'antisemitisme' van Gretta Duisenberg

De wereld is een dorp. Bij een burenruzie laat een Amsterdamse mevrouw zich een opmerking ontvallen en een paar weken later is Amerika in rep en roer. Het World Jewish Congress overweegt de mevrouw de toegang tot de Verenigde Staten te weigeren. De voorzitter van de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen van de Senaat, Joseph Biden, noemt de opmerking van mevrouw een bewijs dat de 'zogenaamd beschaafde regeringen' in Europa het antisemitisme welig laten tieren.

De Amerikaanse media blijven niet achter. Het weekblad Time van deze week maakt in het omslagartikel tot twee maal toe melding van de opmerking van mevrouw. Naar Time heeft begrepen heerst er in Nederland grote opwinding over de zaak. Op de omslag van het blad is de afdruk van een schoen of laars te zien die een Davidster bezoedelt. Er blijkt al een Amerikaanse krant te zijn die een tweede 'Kristallnacht' in Europa voor mogelijk houdt.

U weet waar het over gaat. Gretta Duisenberg, echtgenote van de president van de Europese Centrale Bank, had de Palestijnse vlag over het balkon van haar woning gedrapeerd. Joodse buren begon dat na een paar weken de keel uit te hangen. Tijdens een twistgesprek werd mevrouw Duisenberg voor 'salonbolsjewiek' uitgemaakt waarop zij repliceerde dat 'rijke joden' medeverantwoordelijk zijn voor de onderdrukking van het Palestijnse volk. De boze buren zagen daarin een 'verkapte vorm van antisemitisme'. Bestuursvoorzitter van Federatief Joods Nederland, H. Loonstein, ging iets verder. Hij sprak van een 'klassiek' voorbeeld van antisemitisme en diende tegen Gretta Duisenberg een strafklacht in wegens het aanzetten tot haat tegen het joodse volk en het doen van antisemitische uitlatingen.

De vraag waarom alles draait, betreft dus de steun van rijke joden aan Israël. Ik heb inmiddels nogal wat Nederlandse commentaren gezien die deze steun een bekend feit noemen, maar blijkbaar is daarvan niet iedereen op de hoogte. Daarom, heel in het kort, een paar observaties die wellicht het geheugen kunnen opfrissen.

Toen de geniale grondlegger van de zionisische beweging, Theodor Herzl, in 1895 voor het eerst begon na te denken over de stichting van een joods tehuis in Palestina, begreep hij dat hiervoor veel geld nodig zou zijn. Zoals uit zijn bijzonder gedetailleerd dagboek blijkt, besloot hij vrijwel onmiddellijk gefortuneerde joden te benaderen. Zo vroeg hij de Parijse baron Hirsch dringend om financiële steun: 'Sie sind der grosse Geldjude, ich bin der Geistesjude'. Hij voegde eraan toe dat eigenlijk tien miljard mark nodig was maar dat met één miljard in ieder geval een begin kon worden gemaakt.

Ook overwoog hij de Rothschilds te interesseren en zocht hij contact met de Londense bankier Samuel Montagu.

Herzl had het goed gezien. Toen na de Eerste Wereldoorlog de reële bouw van het joods tehuis ter hand werd genomen, was er doorlopend behoefte aan steun uit de diaspora. In zijn memoires 'To Jerusalem and back' uit 1976 geeft de Amerikaanse schrijver Saul Bellow een mooi beeld van de manier waarop sommige 'fund raisers' te werk gingen. Hij noemt Meyer Weisgal, een goede vriend van de eerste Israëlische president Chaim Weizmann, die voor dit werk geknipt was. Hij had een enorm netwerk waartoe niet alleen bankiers maar ook Amerikaanse presidenten behoorden.

Een prachtige anekdote laat zien dat Weisgal het niet kinderachtig aanpakte. Een miljonair van wie hij een grote bijdrage verwachtte voor de stichting van een wetenschappelijk instituut in Israël, trok na een lunch zijn chequeboek en schreef een cheque uit voor 25 000 dollar. Weisgal bedankte hem maar verscheurde de cheque met de opmerking dat de lunch al betaald was. Weisgal placht ook wel eens zijn sigaar met een te lage cheque aan te steken.

Een rijke jood was ongetwijfeld de Britse krantenmagnaat en zakenman Robert Maxwell die in 1991 van zijn jacht in zee stapte en een financiële puinhoop achterliet. Hij bleek 526 miljoen pond te hebben zoekgemaakt waaronder 426 miljoen uit de pensioenkassen van de Mirror-groep. Maar Israël had niets te klagen. Hij investeerde in tal van Israëlische ondernemingen en gaf met gulle hand geld aan vrienden en bekenden. Onder de laatsten was Ariel Sjaron die een lening van een miljoen dollar kreeg om een groep joodse extremisten in staat te stellen in het Palestijnse deel van Jeruzalem een groot gebouw aan te kopen. (NRC Handelsblad, 4 juli 1992)

Israël eerde Maxwell met een begrafenis waarbij onder meer president Chaim Herzog warme woorden sprak over de economische steun die het land van Maxwell altijd had ondervonden. Hij kreeg een graf op de meest prestigieuze plek, de Olijfberg. (NRC Handelsbad, 11 november 1991)

Nog recenter: Marc Rich, een van de grote financiële zwendelaars van de afgelopen twintig jaar, overspeelde tenslotte zijn hand, werd door de Amerikaanse justitie aangeklaagd maar ontkwam naar Zwitserland. Tot verbijstering van justitie verleende Bill Clinton hem op de laatste dag van zijn presidentschap gratie. Wat veel had geholpen was de aandrang die premier Barak van Israël op Bill Clinton had uitgeoefend. Rich was een goede vriend van Israël en had in de afgelopen jaren zo'n 200 miljoen dollar aan Israëlische instellingen geschonken. (NRC Handelsblad, 1 februari 2001)

Is het antisemitisme als je Theodor Herzl citeert, Saul Bellow aanhaalt en zegt wat je in de krant hebt gelezen? Het heeft er veel van.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden