'Het allermooiste is het toch als de sporter zélf de pen ter hand neemt'

Het 'Beste Sportboek van het Jaar' wordt vandaag uitgereikt. Het genre werd in Nederland lange tijd niet serieus genomen, maar de betekenis van het sportboek groeit onmiskenbaar.

Er zal hier en daar wel een elleboog zijn uitgedeeld, maar het sportboek wint zoetjes aan terrein in de boekwinkel, zowel fysiek als online. Waar tot een jaar of vijf, zes geleden nauwelijks plek was in de schappen voor een mooi verhaal over wielrennen, schaatsen, voetballen of hardlopen, daar wenkt het sportboek nu verleidelijk en nadrukkelijk. Stapels hoog.

Blijkbaar gedijt het genre goed in een tijd waarin de wat moeilijker te verteren literatuur juist onder druk staat. Toen Bert Wagendorp in 1995 met zijn fijne wielernovelle 'De proloog' op de proppen kwam, verschenen er volgens de columnist van deVolkskrant zo'n tien, vijftien sportboeken per jaar in Nederland. "Nu is dat aantal vertienvoudigd. Sterker nog: het gevaar dreigt nu zelfs - net als bij reisboeken - dat er teveel worden uitgegeven."

Arthur van den Boogaard is al ruim twaalf jaar recensent van sportboeken voor Het Parool. Hij is vanavond een van de genomineerden met zijn wielerboek 'Slipstroom', en heeft de sporttakken van de uitgeverijen zien gaan en komen: "Toen ik begon was het mondjesmaat. Maar sinds een jaar of zes hebben de meeste uitgevers een of meerdere sportboeken in hun fonds. Van daaruit zijn weer eigen sportuitgeverijen ontstaan - de een gericht op een specifieke sport, de ander meer op biografieën - waarvan er nu inmiddels nog maar weinig over zijn. Je kunt dus eigenlijk niet eens zeggen of het nu goed of slecht gaat, maar één ding is wel zeker: het sportboek is er. En als er eenmaal een paar goeie boeken zijn, dan verschijnen er meer."

Matty Verkamman, voormalig sportjournalist bij deze krant, heeft in 2001 met het opzetten van uitgeverij De Buitenspelers ook het nodige pionierswerk verricht. Hij ontdekte de niche van de zogeheten koffietafelsportboeken. De vaak fraai uitgevoerde 'tegels van boekwerken' maakten het genre aaibaar en een hele nieuwe doelgroep hebberig. Bij Voetbal International hadden ze dat in de gaten; zij namen de uitgeverij in 2009 over van Verkamman. Niet zonder problemen, overigens; Verkamman en VI hebben een conflict over het leiden van de uitgeverij, de zaak is 'onder de rechter', zoals dat heet. Verkamman zwijgt.

Volgens Bert Wagendorp is er in het denken over sportjournalistiek en literatuur óók iets veranderd en wel ten gunste van het sportboek. "Een bekend gezegde in de journalistiek luidde altijd: Als je niks kunt, word je journalist, als je helemáál niks kunt word je sportjournalist. Maar dat hoor je niet meer zo snel."

Heel langzaam maar zeker, bijna sluipenderwijs, lijkt de schrijver van sportverhalen inderdaad in aanzien te stijgen. Hij - het is wel bijna altijd een hij - krijgt nu ook de ruimte. Vooral de literaire sportbundels Hard Gras (voetbal) en De Muur (wielrennen) trekken schrijftalent naar zich toe. Wagendorp:"Mannen als Erik Brouwer, bijvoorbeeld. Hard Gras en De Muur hebben zeker bijgedragen aan de emancipatie van het sportboek."

Henk Spaan, de strenge hoofdredacteur van Hard Gras (sinds 1994, oplage 10.000 exemplaren), zal dat niet ontkennen. "Ik denk wel dat wij daar een rol in hebben gespeeld, ja. Er zijn hele mooie verhalen uit Hard Gras voortgekomen. 'De Coolsingel bleef leeg' van Hugo Borst of 'Het mooiste leven' van Kees 't Hart over SC Heerenveen." Vergeet ook de bijdrage van Wilfried de Jong aan het volwassen worden van het sportboek niet, zegt Van den Boogaard. "Hij neemt sport op tv serieus, dat heeft een positief effect. Ook op de sportliteratuur. Het dedain is gelukkig verdwenen."

In de gewone fictie ziet Van den Boogaard de sport eveneens doordringen, zoals in het populaire 'Bonita Avenue' van Peter Buwalda, waarin judo een belangrijke rol speelt. "Er is in Nederland lang gekeken naar het Angelsaksische model, met de schrijver meestal zelf in de hoofdrol. De laatste tijd is het Amerikaanse model meer in zwang, waarbij de sport samensmelt met de geschiedenis van het land. Dat doet het sportboek goed."

Zowel Spaan als Wagendorp sluiten zich aan bij Van den Boogaard: de beste sportboeken komen uit de Verenigde Staten. In dat land maakt sport nu eenmaal - veel meer dan bij ons - onderdeel uit van de collectieve cultuur. Wagendorp: "In Nederland gaat de hoofdpersoon in een roman zelden naar een voetbalstadion. Terwijl ze in Italië al in de jaren veertig en vijftig echte schrijvers naar de Ronde van Italië stuurden. In wezen heel logisch: sport is bedoeld voor het heldenverhaal. Wat heeft sport anders voor zin?"

Bovendien hoeft een goed sportboek helemaal niet alleen over sport te gaan. "Een goed sportboek is goed", stelt Wagendorp, "Wanneer het bijvoorbeeld laat zien dat sport ook staat voor maatschappelijke verandering. Neem 'King of the world' van David Remnick. Dat vertelt minstens zoveel over de emancipatie van zwarten in de VS als over de loopbaan van Muhammad Ali zelf. Het doet wat literatuur behoort te doen: laten zien hoe de samenleving in elkaar zit."

Henk Spaan ziet ook zoiets gebeuren in 'The boys of Summer' van Roger Kahn, dat volgens de sportcolumnist 'het beste boek over honkbal ooit' is. Kahn beschrijft daarin zijn jeugd in Brooklyn, waar hij als verslaggever van The New York Herald Tribune, de prestaties van honkbalteam The Brooklyn Dodgers volgt. "Maar het boek is zo goed omdat Kahn de spelers uit die tijd vele jaren later nog eens opzoekt, om te zien wat er van ze is terecht gekomen. Dat geeft je als lezer een heel goed beeld van de Amerikaanse samenleving."

Spaan, de laatste jaren vooral bekend van zijn krantenrubriek 'Spaan geeft punten' (Het Parool, Noord Hollands Dagblad), zou, als je het hem nu vroeg, het hoogste cijfer uitdelen aan 'Ik, Zlatan' van de Zweedse journalist David Lagercrantz. De biografie van de Zweedse spits Zlatan Ibrahimovic is een bestseller in heel Europa. En terecht, vindt Spaan: "Je komt heel dicht bij hem als je het leest. En dat komt omdat het zo goed is opgeschreven."

Waarmee we bij de basis zijn van ieder boek: het gaat er uiteindelijk om hoe de auteur de boel stilistisch vorm geeft. Spaan voegt nog wel iets toe: "Een succesvol sportboek is óf heel goed geschreven, óf heel goed in de markt gezet. In het geval van 'Ik, Zlatan' is dat allebei het geval en soms - zoals met de biografie van Van Hanegem - wordt een boek puur verkocht op de reputatie van de sporter."

Interessant is dan nog de vraag of een sportboek fictie of non-fictie moet zijn. Allebei kan, vinden Spaan, Wagendorp en Van den Boogaard, al heeft de laatste toch een voorkeur voor het waar gebeurde verhaal: "Een verzonnen overwinning roept andere emoties op."

Er is volgens hem één grote uitzondering en nog wel in de Nederlandse literatuur. Natuurlijk, we hebben het nog niet gehad over 'De renner' van Tim Krabbé. "Dé standaard in de Nederlandse sportliteratuur. We hebbenbehalve aan Nico Scheepmaker, ook veel aan Krabbé te danken."

Nu leent het wielrennen zich natuurlijk ook goed voor verhalen, dat zag Krabbé met 'De Renner'(1978) goed. Of maakt het niet uit welke sport beschreven wordt?

Bert Wagendorp: "Wielrennen heeft natuurlijk dat lyrische, dat romantische. Die hardheid, ook. En die sport speelt zich af buiten lijnen, dat maakt het avontuurlijker."

Het allermooiste is het toch, zegt Arthur van den Boogaard, als de sporter zélf de pen ter hand neemt, zoals Bettine Vriesekoop deed in 'Heimwee naar Peking'.

Hij en Wagendorp vinden het raar dat voetballers, schaatsers, boksers, hardlopers of wielrenners dat hier niet vaker doen, waar dat in landen als de Verenigde Staten, Italië of Spanje doodgewoon is. "Sporters zijn onderdeel van een collectief bewustzijn, net zoals sommige politici. Daarom ben je als topsporter misschien wel een beetje verplicht om iets na te laten."

Wie wint de Nico Scheepmaker Beker?
Vanavond wordt in het Olympisch Stadion in Amsterdam de winnaar van 'Het Beste Sportboek van 2011' bekend gemaakt. De trofee bestaat sinds 2005 en er wordt ook een publieksprijs uitgereikt.

Er zijn vijf kanshebbers:

Arthur van den Boogaard met 'Slipstroom'. Een kleine geschiedenis van schrijven en wielrennen. (De Muur 31, Uitgeverij LJ Veen)

Carel van Hees met 'Eversteijn. Bokser & Herenkapper 1949 - 1983'. (Uitgeverij post editions)

Bart Jungmann en de sportredactie van de Volkskrant: 'De sportcanon'. De sportgeschiedenis van Nederland. (Uitgeverij Thomas Rap).

Menno de Galan: 'De coup van Cruijff'. Hoe Johan de macht greep bij Ajax . (Uitgeverij Thomas Rap) Herman Chevrolet: 'Het feest van list en bedrog'. Een sinistere geschiedenis van de wielersport. (Uitgeverij Het Sporthuis).

De winnaar ontvangt de Nico Scheepmaker Beker, genoemd naar de sportjournalist (overleden in 1990). Van zijn hand verscheen in 1972 'Cruijff, Hendrikus Johannes, fenomeen', een van de beste boeken uit het genre ooit.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden