Essay

Het algemeen beschaafd levenseinde

Beeld Brechtje Rood

Het zinloze leven is ook maar een overtuiging. Willem Jan Otten legt uit hoe je van dat geloof kunt vallen.

Daags na de zelfmoord van Joost Zwagerman zei schrijver David Van Reijbrouck dat 'Joost er, dat weet ik zeker, nu al spijt van heeft'. Van Reijbrouck had enig recht van spreken, als vriend, en vooral: als medestrijder tegen zelfmoord, als je dat zo kunt zeggen. Ze zouden een week later samen een lezing houden over zelfmoordpreventie - Zwagerman was er hartstochtelijk, op het quichotteske af, van overtuigd dat het moderne meegaan in de doodwens van levensmoeie, suïcidale mensen uit den boze was.

Toen later bekend werd dat hij in de nacht van zijn dood nog mailwisselingen heeft gehad waaruit geen blijk van zijn ophanden zijnde daad valt op te maken, kreeg Van Reijbroucks opmerking extra cachet. Zelfs al was deze zelfmoord voorbereid, in gedichten en in de aanschaf van touw, dan nog is het mogelijk, en misschien wel: het enig juiste, om in het plegen van de daad een moment van bezwijken te zien, van wilsverlies. Iets waar iedereen die van Zwagerman hield bij had willen zijn, om hem, op dat moment, met geweld uit zijn bezwijken terug te trekken, en hem vast te houden tot de zuigkracht van het zwarte gat was afgenomen.

In de discussie over het zelfgewilde levenseinde (die weer zal losbarsten als binnenkort de Commissie Voltooid Leven met haar rapport komt) bedienen we ons, dat kan niet anders, van ficties. Zelfs de feitelijkste documentaire over de rationeelst verwoorde zelfbeschikkingsdood, is gefluit in het donker. Fictie- die ons ervan moet overtuigen dat de onherroepelijke daad de juiste is geweest. We zien bijvoorbeeld iemand van wie we weten dat hij of zij al enige tijd geleden uit het leven is gestapt, en in de film vertelt ze dat ze dat van plan is, en hoe, en ten slotte ook wanneer. Er is een flink aantal van dit soort zelfrechtvaardigende films te zien geweest op tv, niet zelden tijdens de jaarlijkse 'Week van de euthanasie'.

Duizend vragen
Een speelfilm die deze fictie radicaal dramatiseert is 'Amour' van Michael Haneke. Daarin weet de bejaarde echtgenoot (Jean-Louis Trintignant) zeker dat zijn door een hersenbloeding afatisch geworden vrouw dood wil - iets waar we als toeschouwer moeilijk niet van overtuigd kunnen raken, en wat we ons levendig voor kunnen stellen. Trintignant laat haar ten slotte stikken onder een hoofdkussen.

De duizend vragen die dit even schitterend geacteerde als genadeloze drama oproept daargelaten (waarom slaat de echtgenoot de hulp van buren af; waarom blijft hij haar maar zo hardhandig voeren als een weerspannige kleuter; waarom gunt Trintignant zijn tactloze dochter niet wat meer tijd om aan haar veranderde moeder te wennen), het is duidelijk dat we moeten geloven dat dit drama onontkoombaar is, en dat de beschaving waar je niet naar de bereidwillige dokter kunt met je doodwens, de naam beschaving niet waard is.

Willem Jan Otten (1951) schrijft poëzie en proza en publiceert geregeld in Letter&Geest. Voor zijn beschouwend proza ontving hij in 2014 de P.C.Hooft-prijs.

Schrijver, dichter en essayist Joost Zwagerman in 2008. Beeld anp

Andreas Burnier en Chris Rutenfrans waarschuwden halverwege de jaren tachtig al voor 'zelfmoord op ouden van dagen', in hun befaamde schotschrift 'Mag de dokter doden?'. Dat is waar Trintignants daad nog het meest op leek: hij pleegde zelfmoord op zijn vrouw; je krijgt de indruk dat hij vooral zelf dood wil, omdat hij locked-in is in zijn zelfbeschikkende, transcendentieloze wereld.

Maar hoe je ook tegen het lijden van de echtgenote aankijkt, en dus: wat Trintignants respons op lijden is, zodra het 'uitzichtloos' moet heten, - dat is een fictie. En zelfs: een geloof. Het is vreemd om de overtuiging dat het leven zinloos is een geloof te noemen - toch is het dat. En je kunt er van af vallen.

Groeiend onbehagen
En net zoals zoveel religies heeft ook de Voltooid-levenreligie niet alleen een theologie, maar ook een priesterkaste. Dat laatste merkt Ronald Hulsebosch op, de bijna gepensioneerde huisarts die onlangs het groeiend onbehagen onder dokters over de ontstane euthanasiepraktijk heeft verwoord.

Hij heeft sterk het gevoel dat hij de afgelopen twintig jaar door de maatschappij steeds meer in een soort Godpositie wordt geplaatst, en dat het verzoek om euthanasie eigenlijk een verzoek aan een priester is. "Het zou niet iets moeten zijn waar artsen zich over moeten buigen. Veel collega's zijn zo ijdel dat ze zich gevleid voelen als mensen zich tot hen wenden."

En als hij in een interview in Trouw (16 oktober 2015) opmerkt dat zijn collega's die deze rol ook niet kunnen en willen dragen dan maar doorverwijzen naar de Levenseindekliniek, dan daagt het besef dat de beweging van de zelfbeschikking inmiddels een kerk is geworden. God is dood, en de dood wordt god; en de bemiddelaars van deze god zijn de medewerkers van de Einder.

Hulsebosch memoreert ook dat de mensen die op zijn spreekuur met wilsbeschikkingen aan komen zetten steeds jonger worden - dertigers met lagereschoolkinderen, die nauwkeurig wensen te bepalen wanneer en op welke wijze zij hun lijden voor willen zijn. Als de euthanasiepraktijk zich niet op een hellend vlak bevindt, dan is er toch sowieso sprake van een curieuze analogie met de ontwikkelingen in de plastische chirurgie - waar de leeftijd waarop er om botox wordt gevraagd steeds lager wordt.

Self-fulfilling prophecy
Niet zo lang geleden zag ik enkele zojuist ingespoten tieners praten met Sophie Hilbrand over de verschrikkingen van de rimpelende ouderdom. Ze hadden voorhoofden waar over enige tijd geen enkel levensteken op waargenomen zal worden. De droom van het autonome wensdenken is een self-fulfilling prophecy, het lijden waar je bang voor bent veroorzaakt nu al het lijden dat je voor had willen zijn.

Het lijkt alsof we banger voor de dood worden naarmate we minder met sterven, en dus: met moeten zorgen voor stervenden, met doodsbedden, te maken hebben. En daar komt wonderlijkerwijze nog bij dat er tegenwoordig veel minder is om bang voor te zijn - dankzij de verbeterende palliatieve zorg, en de mogelijkheid van sedatie met dodelijke afloop. Van dat laatste zegt Hulsebosch trouwens dat hij 'tot aan de euthanasiewet in 2002 met een goed gevoel iets strafbaars deed'. Tegenwoordig doet hij 'ongestraft iets wat niet goed voelt'.

Zwagerman zelf benaderde mensen met een doodwens als mensen die, wankelend boven de afgrond, terug het leven in gepraat konden en moesten worden. Hij deed dat nadat hij de (mislukte) zelfmoordpoging van zijn vader had meegemaakt, in zijn adolescentie. Dat terugpraten (en niet loslaten) heeft hij met zijn vriend Rogi Wieg jarenlang gedaan - met 'succes', zoals dat heet- totdat Wieg, gesloopt door de psychofarmaca die zijn bipolariteit moesten bestrijden, een dokter had gevonden die hem heeft geholpen met zijn zelfmoord.

Geloof
Zwagermans idee was tot vrijwel het bittere einde van Wieg toe dat Wieg niet uitbehandeld was. Ook dat is een fictie - het al dan niet uitbehandeld zijn - of beter: het is een geloof. Zwagerman geloofde voor Wieg dat er, als deze zijn doodwens maar liet uitrazen, er weer een tijd zou aanbreken waarin 'iets mogelijk was' - poëzie, bijvoorbeeld, of schilderijen, verandering, liefde.

Van dit geloof is hij, die fatale nacht, gevallen - als om ons nog eens drastisch in te peperen dat we, als we ons zelf een idee over sterven aanmatigen, fluiten in het donker. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Waarom slaat Hij niet ook eens een verklaarde zelfbeschikker, Frits Bolkestein, of Dick Swaab of Hedy d'Ancona met de bliksem van de twijfel?

Het geloof dat 'Joost er nu al spijt van heeft' heeft oude papieren. Het wordt bijvoorbeeld, in een andere vorm, uitgewerkt door Shakespeare, althans door Edgar, een personage uit Koning Lear. Edgar is de zoon van Gloster, die dood wil. Gloster is door de schurk van het stuk de ogen uitgestoken. Hij heeft eerder, volstrekt ten onrechte, zijn zoon verstoten. Hij wordt verteerd door wat hij aan onrecht en kwaad heeft aangericht. Hij wil dood, maar in plaats van op een empathische vrijwilliger van de Einder stuit hij op zijn zoon - die, om redenen die er nu niet toe doen, doet alsof hij een gek is.

En Edgar besluit tot iets waar iedere zelfbeschikker van gruwt: hij besluit om te doen alsof hij zijn blinde vader zal helpen bij diens zelfmoord. Hij leidt Gloster naar een punt waar het, zegt hij, goed springen is - maar het zijn niet de klippen van Dover, maar een richeltje boven, zeg, een kuil.

Spijt
Gloster springt, komt neer, en na een lange stilte hoort hij een stem die zegt dat hij een krankzinnige val heeft gemaakt, maar het door een wonder heeft overleefd. Wij weten dat die stem aan Edgar toebehoort die nu speelt dat hij onder aan de klip staat. Even later zal hij zich bekendmaken als de wettige zoon die hij is, en die zijn vader diens verstoting vergeeft - en ja, wij weten nu zeker, het wordt ons voor ogen getoverd: Gloster heeft er nu al spijt van. En vertelt het na.

Op basis van deze fictie heeft degene met wie ik leef een roman geschreven, 'Winter in Gloster Huis', waarin een bejaarde vrouw aan de goede dood wordt geholpen in een utopisch vaarwelhotel, de Einder van de nabije toekomst.

Vonne van der Meers personage heet Noor. Zij wordt dwars door een keurig begeleide klaar-met-leven-zelfmoord heen gesleurd. In dat boek zegt de Edgarfiguur (de psychiater Arthur): "Ik heb een Edgar kunnen zijn, omdat er ook een Gloster in mij schuilt."

Ik geloof dat dit de kern van deze levenseindefictie is. Edgar kent de doodwens van zijn vader, omdat hij die van zich zelf terdege kent, hij leeft sinds zijn uitstoting permanent op de richel langs de afgrond - in het vagevuur, zou je kunnen zeggen, van de ongewenstheid en overtolligheid. Hij geneest niet alleen zijn vader, maar ook zich zelf. En van zijn vader weet hij: als de dood hem weldra komt halen, dan kan hij dood. Curieuze fictie! Geloven dat als je dood wilt, je niet altijd klaar met leven bent!

Pil van Drion
De zelfbeschikte, weloverwogen dood wordt in steeds wijdere kring de bij uitstek humane genoemd. En de aanstaande introductie van wat eens de Pil van Drion heette, en in 'Winter in Gloster Huis' als Verdwijnpil door het leven gaat, zal een verzwarend, en - een ander woord kan ik er zo snel niet voor bedenken - vernederend effect hebben op, ik noem een dwarsstraat, eenieder die zo anti-autonoom is geweest om gerolstoeld, en de zorgkosten opdrijvend, zijn dood ten gevolge van de complicaties van, zeg, levenslange diabetes tegemoet te gaan. Hij zal zich moeten verdedigen, hardop, of in zichzelf, waarom hij nog leeft, nu de zelfbeschikkers niet meer hoeven uit te leggen waarom zij dood willen. Waarom is hij niet, net als zij, klaar met leven?

Voor veel mensen is er veel kracht nodig, veel aandachtige hulp van mensen die geloven in de zin van zelfs hun krakkemikkig leven, om... te leven. Deze kracht noemen we van oudsher: liefde, en zij komt in tal van hoedanigheden voor, maar misschien wel op de intensiefste en meest mysterieuze wijze daar waar mensen niet willen dat een ander die lijdt de moed laat zakken terwijl het einde tastbaar dichtbij is; dat hij de hoop niet opgeeft; het vertrouwen niet laat schieten.

Dit is een fictie waar voor veel mensen heel veel van afhangt. Het is een fictie die sterk op geloven lijkt, zelfs al komt er helemaal niet altijd een god aan te pas. Zij hopen op hoop, juist in de laatste levensfase, ze geloven in geloof - in liefde, die zich op de vreemdste en onverwachtste momenten kan manifesteren - in het holst van het lijden, in kleine gebaren, in onverhoedse verrukkingen, waar het helpen dragen van andermans leven het eigen leven draaglijk maakt.

Dood op verzoek
Van de zieke uit mijn eigen kring die op deze wijze heeft te leven weet ik dat hij niet zelden zijn lichaam vervloekt, zijn blindheid, zijn vergroeiende, gevoelloos wordende handen, zijn onwillige voeten. Hij weet heel veel van dood willen. Maar hoe onklaar zijn lijf ook is, het zijn vooral ficties die hem en zijn vrouw en de mensen om hem heen oneindig kunnen doen verdorren. En 'klaar met leven' is er een van.

In oktober 1994 was het zelfbeschikte levenseinde voor het eerst op Nederland 2 te zien, als laatste scène van een film die dan ook 'Dood op verzoek' heette. En nu, meer dan twintig jaar en vele documentaires later, kunnen we concluderen dat er zoiets is ontstaan als het Algemeen Beschaafde Levenseinde. Dat is: weloverwogen en bijtijds, onder medisch toezicht. Het klinkt verlicht en humaan, maar juist het feit dat de goede dood de bijtijdse is, sleept een reeks angstige complicaties met zich mee. En nogmaals: het sleept met zich mee dat er mensen overblijven die zo onbeschaafd en onverlicht zijn geweest om niet bijtijds te willen of kunnen sterven. Het sleept met zich mee dat steeds meer mensen steeds eerder sterfdruk zullen gaan voelen.

Als het moderne leven van je eist dat je zonder rompslomp onder eigen regie sterft, en dat dan dus bijtijds - dan rijst de vraag: wát moeten we dan bijtijds vóór zijn? De afatische dementie? Of al het moment dat je ook na drie minuten niet op de naam Clint Eastwood kunt komen? Het gat waar je in zult vallen na je pensioen? De volgende onverdraaglijke psychose die, als je de debiliserende psychofarmaca niet zou slikken, weer toe zal slaan?

Verdwijnpil
Een aantal voorbeelden van bovenstaand rijtje ontleen ik aan 'Lof der onvolmaaktheid' van Gerbert van Loenen. Hij beschrijft en becommentarieert op bijna aanstootgevend geduldige en minzame wijze het euthanatische denken sinds de invoering van de Euthanasiewet in 2002, en bekritiseert de roep om de Verdwijnpil.

In het hart van dit boek beschrijft Van Loenen zijn eigen grote levenseinde-ervaring: het verhaal van zijn partner die, door hersenletsel na een tumoroperatie verlamd en 'verstandelijk niet meer de oude', door Van Loenen als het ware voor het verpleeghuis weggegrist wordt (net als de vrouw in 'Amour', overigens), om hem thuis te verzorgen - iets wat na verloop van jaren niet op te brengen was.

De crisis die daarop volgt wordt in enkele, geserreerde zinnen opgeroepen. Het woord wanhoop valt niet, maar wel het woord beton: Van Loenen beschrijft hoe hij het gevoel heeft onder een laag beton bedolven te zijn. En pas toen begreep hij "dat ik moest stoppen met dromen, met boos zijn, en moest accepteren dat ik onder een laag beton zat en daar weg wilde. Daartoe moest ik in beweging komen zonder te weten waarheen. Toen ik dat deed, droomde ik niet meer, maar bewoog ik. Kleine stappen bleken mogelijk."

Betonmoment
Het lukt om ook de partner kleine stappen te laten maken, en zo zelfstandig te krijgen dat hij in een aanleunwoning bij een tehuis kan wonen. Waarna, tien jaar na de operatie, de tumor terugkomt en het levenseinde echt begint, het grote, gezamenlijke loslaten - waar, zegt Van Loenen, wij zoveel slechter in zijn dan in vasthouden.

Dat betonmoment, dat trof me. Het lijkt me typisch het moment waarop je de dood zou kunnen zien als oplossing. Waarop je naar de site van de Einder surft. Maar het is ook - ik geef toe: ook dit is een fictie, een geloof - het moment waarop een mens, zoals Van Loenen schrijft, 'in beweging kan komen zonder te weten waarheen'. Die beweging is mogelijk zelfs (of juist) in de zone van het levenseinde.

Van Loenen zegt ook dat "als vasthouden ons, in onze cultuur, niet lukt, we dan moeten denken dat het maar beter zo snel mogelijk over kan zijn." En hij citeert de theoloog Carlo Leget, met woorden die een oude, bezonken wijsheid belichamen die we de Commissie Voltooid Leven toewensen: "Tussen het zo lang mogelijk vasthouden van jeugd en gezondheid aan de ene kant en het actief afkappen van een leven dat 'onder de maat' is, gaapt een kloof. Wat hier ontbreekt is het leren omgaan met verlies, onmacht, falen, minderen, lijden."

Dit is een verkorte versie van de Levenseindelezing die Otten vorige maand hield in het VUmc A'dam

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden